De eerstegetuigen

Deel 2 · De eerste getuigen · Hoofdstuk 2

Martinus van Tours

de soldaat met de halve mantel

gestorven 397Tours, Frankrijk

Het was winter in Amiens, in het noorden van Gallië, het huidige Frankrijk. Bij de stadspoort zat een man zonder kleren. Mensen liepen langs hem heen. Een jonge Romeinse soldaat bleef staan. Hij had niets meer bij zich behalve zijn wapens en zijn soldatenkleding, want de rest had hij al weggegeven. Hij trok zijn zwaard, sneed zijn mantel in tweeën en gaf de ene helft aan de bedelaar. De andere helft sloeg hij zelf weer om.

Sommige omstanders lachten. Zo’n halve mantel stond belachelijk. Anderen schaamden zich, omdat zij meer hadden en niets hadden gedaan.

Die nacht, zo vertelt het verhaal, droomde de soldaat. Hij zag Christus, gekleed in de halve mantel die hij die dag had weggegeven. En hij hoorde Hem tegen de engelen om Hem heen zeggen: “Martinus, nog maar een doopleerling, heeft Mij met dit kleed gekleed.” (vrij vertaald)

We kennen deze scène van Sulpicius Severus, een Gallische schrijver die Martinus persoonlijk kende en zijn levensverhaal nog tijdens Martinus’ leven op papier zette, kort voor 397. Het is de oudste bron die we hebben. Het is ook een heiligenleven: een boek dat wil laten zien hoe heilig iemand was, vol wonderen die niemand anders heeft vastgelegd.

De soldaat werd monnik, bisschop van Tours en een van de meest geliefde christenen van het Westen. In Nederland lopen kinderen elk jaar op 11 november met lampions langs de deuren voor hem. In Utrecht draagt de Dom zijn naam, en de rood-witte stadsvlag verwijst naar zijn mantel.

Maar het begon in een legerkamp, bij een vader die zijn zoon niet aan de kerk gunde.

EEN JONGEN UIT SABARIA

Martinus werd geboren in Sabaria, in de Romeinse provincie Pannonië. Vandaag heet die stad Szombathely en ligt ze in het westen van Hongarije. Zijn ouders waren heidenen, zegt Sulpicius. Zijn vader was soldaat en werd later militair tribuun, een officier. Het gezin verhuisde naar Ticinum, nu Pavia in Noord-Italië, en daar groeide Martinus op.

Wanneer hij precies geboren werd, weten we niet. Gregorius van Tours, een latere bisschop van dezelfde stad, schreef aan het eind van de zesde eeuw dat het was in het elfde regeringsjaar van keizer Constantijn, en dat Martinus stierf in zijn eenentachtigste jaar. Dat komt uit op ongeveer 316. Sulpicius zelf noemt geen enkel jaartal. Uit zijn verhaal volgt dat Martinus het leger verliet onder Julianus, die van 355 tot 360 als onderkeizer in Gallië regeerde. Om die reden houdt de historica Clare Stancliffe het geboortejaar 336 voor waarschijnlijker. Bij 316 was Martinus bij zijn ontslag rond de veertig, bij 336 rond de twintig. Een artikel in Christianity Today vatte het zo samen: geleerden twisten of hij drie jaar diende of bijna dertig.

Het was een bijzondere tijd om christen te worden. Rond 313 had Constantijn de vervolgingen beëindigd. Kerken mochten openlijk bestaan, en steeds meer Romeinen lieten zich dopen. Maar het grootste deel van het platteland van Gallië was nog heidens, en in de kerk zelf woedde een harde strijd over de vraag wie Jezus is. De ene partij, de arianen, zag in Jezus een verheven schepsel. De andere hield vast aan wat in 325 in Nicea was uitgesproken: dat de Zoon één in wezen is met de Vader.

Volgens Sulpicius liep de tienjarige Martinus tegen de zin van zijn ouders naar een kerk en vroeg hij om doopleerling te worden. Een catechumeen heette dat: iemand die les kreeg in het geloof en zich voorbereidde op de doop. Op zijn twaalfde wilde hij al als kluizenaar de woestijn in. Die details hebben we alleen van zijn biograaf.

Een keizerlijk bevel bepaalde dat zonen van veteranen in dienst moesten. Martinus was ongeveer vijftien toen hij de militaire eed aflegde. Volgens Sulpicius was het zijn eigen vader die hem aangaf. Hij werd in ketenen gezet en moest zweren.

Hij had één dienaar, maar volgens Sulpicius was de meester meestal de knecht: hij trok de dienaar de laarzen uit en at met hem aan tafel. Een groot deel van zijn soldij gaf hij weg aan wie het nodig had. Ook dit weten we alleen uit het boek van Sulpicius. Het past wel bij de man die later bisschop werd.

Zo kwam hij met zijn eenheid in Amiens terecht, bij die stadspoort.

EEN VAN DEZE GERINGSTEN

Sulpicius vertelt het verhaal van de mantel met een duidelijke bedoeling. Hij legt zelf de verbinding met de woorden van Jezus over het laatste oordeel. Daar zegt de Koning tegen wie de hongerigen voedden en de naakten kleedden: En de Koning zal hun antwoorden: Voorwaar, Ik zeg u: voor zover u dit voor een van deze geringste broeders van Mij gedaan hebt, hebt u dat voor Mij gedaan. (Mattheüs 25:40)

De droom draait om één woord: catechumeen. Martinus was nog niet gedoopt. Hij hoorde formeel nog niet bij de gemeente. En toch zegt Christus in de droom tegen de engelen dat juist deze nog-niet-gedoopte Hem gekleed heeft. Volgens Sulpicius werd Martinus er niet trots van. Hij zag er Gods goedheid in en liet zich kort daarna dopen, ongeveer twintig jaar oud.

Hoe zou jij langs die poort zijn gelopen? Ik stel mezelf die vraag bij dit verhaal elke keer. De mantel was geen offer van een rijke man. Het was de helft van het laatste wat hij had.

Of de scène precies zo gebeurde, kunnen we niet controleren. Er is geen tweede bron uit die tijd. Wel is het verhaal heel vroeg, opgeschreven door iemand die Martinus nog sprak. En het werd beroemder dan alles wat hij verder deed. Eeuwen later bewaarden de Frankische koningen een mantel die voor de mantel van Martinus doorging als hun kostbaarste reliek. In 679 wordt hij in hun schatkamer genoemd. Zo’n mantel heette in het Latijn cappa. De priester die erover waakte, heette cappellanus, en het gebouwtje waarin hij lag capella. Van die woorden komen ons kapelaan en kapel.

SOLDAAT VAN CHRISTUS

Na zijn doop bleef Martinus nog ongeveer twee jaar in het leger. Toen kwam het moment waarop hij eruit stapte. Het was bij de stad van de Vangiones, het huidige Worms in Duitsland. De Germanen vielen Gallië binnen en Julianus verzamelde zijn troepen. Voor de slag deelde hij een geldgeschenk uit aan de soldaten, een donativum.

Martinus nam het niet aan. Volgens Sulpicius zei hij tegen Julianus dat hij tot nu toe de keizer had gediend, en dat hij voortaan God wilde dienen. Hij noemde zich een soldaat van Christus, voor wie vechten niet geoorloofd was. Julianus noemde dat lafheid: Martinus zou bang zijn voor de slag van de volgende dag. Martinus antwoordde dat hij dan wel zonder wapens voor de linie zou gaan staan, alleen met het teken van het kruis. Julianus liet hem opsluiten, om hem aan zijn woord te houden. Volgens Sulpicius stuurden de vijanden de volgende dag gezanten en gaven ze zich over, zonder strijd. Daarna kreeg Martinus zijn ontslag.

Dat Martinus het leger verliet, en dat hij het om zijn geloof deed, staat in alle bronnen over hem. De afloop met de vijand die zich zomaar overgaf, kennen we alleen van Sulpicius. Hij zag er Gods bescherming in.

Ik wil hier geen oordeel geven over christenen in het leger. Kerken denken daar tot vandaag verschillend over, en in de tijd van Martinus ook. Zijn naam werd later juist verbonden met soldaten: hij is hun beschermheilige. Wat in het verhaal opvalt, is iets anders. Hij nam geen geld aan voor iets wat hij niet meer kon doen.

BIJ HILARIUS IN POITIERS

Martinus trok naar Poitiers, in het westen van het huidige Frankrijk. Daar was Hilarius bisschop, een verdediger van de geloofsbelijdenis van Nicea. Volgens Sulpicius wilde Hilarius hem een hogere plaats in de kerk geven, maar Martinus hield dat steeds af. Toen maakte Hilarius hem exorcist, een lagere taak: het bidden over mensen die door boze geesten werden gekweld. Die taak nam Martinus wel aan.

Daarna wilde hij zijn ouders zien. Hij reisde terug naar het oosten. Onderweg in de Alpen werd hij door rovers overvallen, en een van hen raakte zo onder de indruk van zijn rust dat hij later christen werd. Zo vertelt Sulpicius. Thuis bracht Martinus zijn moeder tot het geloof. Zijn vader bleef heiden.

In Illyricum, op de Balkan, kwam hij in botsing met de arianen, die er de kerk leidden. Hij werd publiekelijk gegeseld en weggestuurd. In Milaan verdreef bisschop Auxentius, ook een ariaan, hem uit de stad. Hilarius was in die jaren zelf verbannen naar het oosten van het rijk. Martinus week uit naar Gallinaria, een klein eiland voor de kust van Ligurië, nu Isola Gallinara in Italië. Hij leefde er van wortels en kruiden. Volgens Sulpicius at hij per ongeluk giftig nieskruid en overleefde hij het door te bidden.

EEN CEL BIJ LIGUGÉ

Rond 360 of 361 kreeg Hilarius toestemming om terug te keren. Martinus ging hem achterna en vond hem in Poitiers. Niet ver van de stad richtte hij een eenvoudige kluizenarij in. Sulpicius noemt de plaats niet. Latere bronnen en de Catholic Encyclopedia noemen haar Ligugé. Daar staat nog steeds een abdij, en de plek geldt als een van de oudste kloosters in het westen van Europa.

Het idee van het kloosterleven kwam uit Egypte en Syrië. Daar trokken mannen en vrouwen de woestijn in om in gebed en eenvoud voor God te leven. In Gallië was het nog nieuw. Martinus bracht het naar het westen, en andere mannen kwamen bij hem wonen.

In Ligugé speelt een van de verhalen die Sulpicius het zwaarst laat wegen. Een doopleerling die bij Martinus woonde, werd ziek terwijl Martinus op reis was, en stierf ongedoopt. Toen Martinus terugkwam, stuurde hij iedereen weg, ging op het lichaam liggen en bad. Na ongeveer twee uur, schrijft Sulpicius, kwam de man weer tot leven. De man vertelde later, volgens Sulpicius, dat hij voor de Rechter had gestaan en dat engelen hem hadden teruggestuurd. Hij leefde daarna nog vele jaren. Sulpicius vertelt nog een tweede opwekking, van een slaaf die zich had verhangen op het landgoed van een zekere Lupicinus.

Deze verhalen kennen we alleen uit de Vita. Niemand anders heeft ze vastgelegd. Al in Martinus’ eigen tijd waren er mensen die Sulpicius van overdrijving beschuldigden. In een brief uit ongeveer 396 verdedigde Sulpicius zich tegen zo’n criticus. Het boek werd dus gelezen door mensen die Martinus kenden, en niet iedereen nam het zomaar aan.

EEN BISSCHOP MET SLORDIG HAAR

In 371 of 372 stierf de bisschop van Tours, aan de Loire. De stad wilde Martinus. Hij wilde niet. Dus lokte een burger, Rusticius of Ruricius, hem naar Tours met de smoes dat zijn vrouw ziek was en gebed nodig had. Onderweg werd Martinus opgewacht door een grote menigte, uit Tours en uit de steden in de omtrek. Die riep hem uit tot bisschop. Dat de bevolking een bisschop koos, was in die tijd gewoon.

Niet iedereen was blij. Een paar bisschoppen, die moesten helpen bij de wijding, vonden hem ongeschikt. Volgens Sulpicius noemden ze hem een verachtelijk mens, armoedig gekleed, met slordig haar. Hun woordvoerder heette Defensor. Toen in de dienst de voorlezer niet kwam opdagen, pakte een omstander het psalmboek en las het eerste vers dat hij zag. Het was Psalm 8, over de lof uit de mond van kinderen en zuigelingen, waarmee God de vijand tot zwijgen brengt. Het volk zag dat als een teken. De tegenstand verstomde. Volgens de Catholic Encyclopedia werd Martinus op 4 juli gewijd.

Het verhaal zegt veel over de spanning die hem zijn leven lang volgde. Het gewone volk hield van hem. Een deel van de bisschoppen vond hem een schande voor het ambt. Sulpicius schrijft aan het eind van de Vita dat Martinus huilde om zijn tegenstanders, en dat een aantal van hen bisschop was.

TWEE MIJL BUITEN DE STAD

Als bisschop bleef Martinus monnik. Eerst woonde hij in een cel naast de kerk. Toen dat te druk werd, trok hij ongeveer twee mijl buiten de stad, aan de overkant van de Loire. Daar ontstond het klooster dat later Marmoutier zou heten. Aan de ene kant stond een steile rotswand, aan de andere kant stroomde de rivier. Er liep één smal pad naartoe. Martinus woonde in een houten cel. Veel broeders hadden een grot in de rots uitgehakt.

Sulpicius telt tachtig leerlingen. Niemand had eigen bezit. Wijn dronken ze alleen als ze ziek waren. De jongeren deden het schrijfwerk, de ouderen baden. Uit dit klooster kwamen later volgens Sulpicius veel bisschoppen voort.

TEMPELS OP HET PLATTELAND

Het grootste deel van de verhalen in de Vita gaat over Martinus’ werk op het platteland. Hij trok door de dorpen, preekte en liet heidense heiligdommen afbreken. Op de plaats van een tempel liet hij vaak een kerk of een klooster bouwen.

Sulpicius vertelt erover met veel wonderen. Bij een heilige pijnboom zeiden dorpelingen tegen Martinus dat ze de boom zelf zouden omhakken, als hij eronder ging staan. Hij deed het. Toen de boom op hem af viel, maakte hij een kruisteken en de boom zwiepte de andere kant op. In Trier, in het huidige Duitsland, genas hij een verlamd meisje met gezegende olie. In Parijs kuste hij een man met lepra, die daarna gezond was.

Het afbreken van tempels gebeurde vaak tegen de wil van de dorpelingen in. Sulpicius beschrijft hoe een man met een zwaard op Martinus afkwam. Wat Sulpicius vooral laat zien, is dat Martinus zijn eigen leven niet ontzag en dat veel mensen op het platteland door hem christen werden. Getallen noemt hij niet.

De wonderen vallen onder het genre van het heiligenleven. Ik kan ze niet controleren. Ze laten in elk geval zien hoe de mensen om hem heen hem zagen.

EEN ZWAARD TEGEN KETTERS?

In 385 kwam Martinus aan het hof in Trier, waar Magnus Maximus keizer was. Maximus had de macht gegrepen in het westen. In Trier liep een zaak tegen Priscillianus, een Spaanse bisschop. Hij werd beschuldigd van ketterij en tovenarij. Zijn felste aanklager was bisschop Ithacius.

Martinus verdedigde de leer van Priscillianus niet. Wel vroeg hij de keizer om een kerkelijke zaak niet door een wereldlijke rechter te laten beslissen, en zeker niet met de dood. Maximus beloofde dat. Toen Martinus weer weg was, haalden Ithacius en zijn medestanders de keizer over. Priscillianus en enkele volgelingen werden onthoofd. Ook Ambrosius, de bisschop van Milaan, had zich tegen een doodvonnis gekeerd.

Een jaar later was Martinus opnieuw in Trier. Hij kwam pleiten voor twee mannen, Narses en Leucadius, en vooral tegen een plan van de keizer om officieren met volmacht over leven en dood naar Spanje te sturen, op jacht naar aanhangers van Priscillianus. Martinus weigerde om samen het avondmaal te vieren met de bisschoppen rond Ithacius. Volgens Sulpicius werd de keizer boos en gaf hij bevel tot de executies.

’s Nachts haastte Martinus zich naar het paleis. Hij beloofde mee te doen aan de gemeenschap met die bisschoppen, als de gevangenen gespaard bleven en de officieren werden teruggeroepen. De keizer stemde in. De volgende dag vierde Martinus het avondmaal mee bij de wijding van een nieuwe bisschop, Felix. Een verklaring tekende hij niet.

Op de terugweg zat hij volgens Sulpicius verdrietig bij een plaats die Andethanna heette. Daar verscheen een engel die tegen hem zei: “Terecht, Martinus, heb je berouw.” (vrij vertaald) Hij had moeten toegeven om levens te redden, zei de engel, maar hij moest weer moed vatten. Vanaf die dag ging Martinus nooit meer naar een bijeenkomst van bisschoppen. Hij leefde daarna nog zestien jaar, schrijft Sulpicius. Dat getal past slecht bij een sterfjaar 397, en laat zien hoe onzeker de jaartallen rond Martinus zijn. Volgens Sulpicius vertelde hij zijn leerlingen dat hij een tijd lang minder kracht had om te genezen.

De engel komt uit de Dialogen, die Sulpicius rond 404 schreef. De zaak zelf, de executie van Priscillianus en de rol van Martinus, wordt ook door andere bronnen beschreven. Ik vind dit misschien het meest menselijke stuk van zijn leven. Een heilige die een compromis sluit om levens te redden, en er daarna mee worstelt. Wat had jij gedaan?

“HIJ IS VAN ONS”

In het najaar van 397 ging Martinus naar Candes, een dorp in zijn eigen bisdom, aan de samenvloeiing van de Vienne en de Loire. Het heet nu Candes-Saint-Martin. Daar stierf hij. De gangbare datum is 8 november 397. Sommige oude geleerden hielden het op 400, maar de Catholic Encyclopedia noemt 397 het waarschijnlijkst. Volgens Gregorius was het in zijn zesentwintigste jaar als bisschop.

Gregorius, die bijna tweehonderd jaar later schreef, vertelt wat er daarna gebeurde. Mensen uit Poitiers en uit Tours stonden rond het lichaam. De mensen uit Poitiers zeiden: “Hij is van ons” (vrij vertaald), want hij was bij hen monnik en abt geweest. De mensen uit Tours zeiden dat God hem aan hen gegeven had. ’s Nachts, terwijl de groep uit Poitiers sliep, namen de mensen uit Tours het lichaam mee, legden het in een boot en voeren over de Vienne en de Loire naar huis. Dat verhaal kennen we alleen van Gregorius. Het laat zien hoe sterk de band was die gewone mensen met hem voelden.

Hij werd begraven in Tours. Zijn opvolger Brictius bouwde een kapel boven zijn graf, en in 470 kwam er een basiliek. Die werd een van de grootste pelgrimsplaatsen van het Westen. In 1562 plunderden protestanten de kerk tijdens de godsdienstoorlogen in Frankrijk, en in 1793 brak de Franse Revolutie haar af. In 1860 werd het graf teruggevonden. Er staat nu een kleinere basiliek.

VAN TOURS NAAR UTRECHT

Hoe komt een bisschop uit Frankrijk in Utrecht terecht? Via de Franken. Voor de Frankische koningen was Martinus hun eigen heilige, de beschermer van hun rijk. Ze droegen zijn mantel mee in de strijd.

Rond 630 stichtte de Frankische koning Dagobert een kerkje binnen de muren van het oude Romeinse fort in Utrecht. Ongeveer twintig jaar later verwoestten de Friezen het. In 695 herstelde Willibrord, de Engelse zendeling die de eerste bisschop van Utrecht werd, het kerkje. Volgens de erfgoedafdeling van de gemeente Utrecht wijdde hij het aan Sint-Maarten, als eerbetoon aan de Frankische machthebbers die zijn werk beschermden. Later werd deze kerk de zetel van de bisschop. De Romaanse en daarna de gotische Domkerk werden allebei aan Sint-Maarten gewijd. Het Domkapittel bezat relieken: een ruggenwervel vanaf 1173 en een deel van een armbeen vanaf 1519.

Het rood en wit van het Utrechtse wapen verwijst volgens dezelfde bron naar de mantel. Keizer Karel V liet de afbeelding van de heilige in 1528 uit het wapen en het vaandel halen. In 1948 kwam Sint-Maarten terug in de stadsvlag en het vaandel. Op 11 november lopen kinderen in Nederland en Vlaanderen met lampions langs de deuren, en zingen ze liedjes over hem.

Zo is Martinus een van de weinige vroege christenen die nog steeds in onze straten loopt. Hij is de beschermheilige van Frankrijk en van soldaten. Zijn verhaal is gedeeld bezit van christenen uit alle kerken, ook van protestanten die geen heiligen vereren maar zich wel herkennen in een soldaat die zijn mantel deelde.

EEN HALVE MANTEL BIJ DE POORT

Sulpicius heeft Martinus bezocht in Marmoutier. In de Vita schrijft hij dat de bisschop ’s avonds zelf zijn voeten waste. Sulpicius had de moed niet om het te weigeren. Hij was een jonge, geleerde, welgestelde man uit Aquitanië. De ander was een oude bisschop in een houten hut.

Veel van wat Sulpicius daarna opschreef, kunnen we niet controleren. Wat overblijft, staat er toch: een soldaat die het leger verliet, een monnik die een bisschop werd zonder het te willen, een man die pleitte tegen de doodstraf voor ketters en er een compromis voor sloot waar hij spijt van kreeg. En aan het begin een stadspoort in de winter, met een naakte man die niemand zag, en een soldaat die bleef staan, zijn zwaard trok en de helft van zijn mantel om hem heen sloeg.

Dossier

Wat vaststaat en wat verteld wordt

Vaststaat (meerdere onafhankelijke bronnen): geboorte in Sabaria in Pannonië (nu Szombathely, Hongarije) uit heidense ouders; jeugd in Ticinum (Pavia); dienst in het Romeinse leger en vertrek uit het leger om zijn geloof; leerling van Hilarius van Poitiers; kluizenarij bij Poitiers (Ligugé) rond 360/361; bisschop van Tours vanaf 371 of 372; stichting van het klooster Marmoutier; zijn pleidooi in Trier tegen het berechten van Priscillianus door de keizer, en de executie van Priscillianus in 385; dood in Candes, waarschijnlijk op 8 november 397; begrafenis en verering in Tours; de afleiding van de woorden kapel en kapelaan van de mantelreliek; patroon van de Utrechtse Dom en stad.

Alleen uit eigen getuigenis of latere overlevering: het verhaal van de mantel bij Amiens en de droom die volgde (alleen Sulpicius, rond 397); zijn woorden tegen Julianus bij Worms en de vijand die zich zonder strijd overgaf; de rovers, de bekering van zijn moeder, het nieskruid op Gallinaria; de twee opwekkingen uit de dood; de pijnboom, de genezingen in Trier en Parijs; het getal van tachtig leerlingen; de engel bij Andethanna en zijn verminderde kracht om te genezen (Dialogen, rond 404); de strijd om zijn lichaam tussen Poitiers en Tours (Gregorius van Tours, eind zesde eeuw).

Onbevestigd: zijn geboortejaar (316 volgens Gregorius, 336 volgens onder anderen Clare Stancliffe) en daarmee zijn leeftijd bij zijn dood en de lengte van zijn diensttijd; het sterfjaar 397 of 400; de vraag of de mantel van de Frankische koningen werkelijk van Martinus was. Voor de wijding van de Utrechtse kerk aan Sint-Maarten door Willibrord in 695 heb ik alleen de erfgoedpublicatie van de gemeente Utrecht gezien, niet de vroegmiddeleeuwse bronnen zelf.

Duiding: Sulpicius Severus was een vriend en bewonderaar van Martinus. Zijn Vita is de oudste en belangrijkste bron, en tegelijk een heiligenleven dat wil overtuigen. Of de wonderen die hij beschrijft gebeurd zijn, is een geloofsvraag die historici niet kunnen beantwoorden.

Bronnen bij dit hoofdstuk

  1. Sulpicius Severus, Life of St. Martin (vertaling A. Roberts, NPNF II/11, New Advent)
  2. Sulpicius Severus, Dialogues, Dialoog III (New Advent)
  3. Gregory of Tours, History of the Franks, boek I (uittreksel)
  4. Catholic Encyclopedia (1910), “St. Martin of Tours”
  5. Encyclopaedia Britannica, “Saint Martin of Tours”
  6. Encyclopaedia Britannica, “Sulpicius Severus”
  7. Wikipedia, “Martin of Tours”
  8. Christianity Today, 11 november 2015, “Veterans Day: Meet Soldiers of Church History”
  9. Gemeente Utrecht, Erfgoed, “In het voetspoor van Sint-Maarten”
Liever het hele boek?PDF downloadenE-book (EPUB)Over dit deel