In de stad Edessa heerste honger. De graanvoorraden waren er wel, maar ze lagen bij mensen die ze niet weggaven. Op straat stierven armen. Een oude diaken kwam uit zijn cel buiten de stad en ging naar de rijken toe. Hij vroeg hen waarom ze de armen lieten omkomen terwijl er genoeg was.
Ze hadden een antwoord klaar. Ze wilden best geven, zeiden ze, maar ze kenden niemand die ze konden vertrouwen. Wie garandeerde dat het geld niet in verkeerde zakken verdween?
De diaken keek hen aan en stelde een wedervraag: “Wat denken jullie van mij?”
Zo vertelt de kerkhistoricus Sozomenus het, rond het jaar 445 (vrij vertaald). Een generatie eerder, rond 420, had de monnikenkroniekschrijver Palladius hetzelfde verhaal al opgeschreven. Volgens hem gaven de rijken hun geld. De diaken liet in de zuilengangen van de stad zo’n driehonderd bedden neerzetten. Hij verzorgde zieken en begroef de doden, een jaar lang, tot de honger voorbij was.
Die diaken heette Efrem. Hij was toen in de zestig. Hij had zijn halve leven in een grensstad gewoond die drie keer belegerd werd, en hij had moeten vluchten toen zijn stad aan de vijand werd afgestaan. Hij schreef honderden liederen in het Syrisch, de taal van zijn volk. Ze kregen een vaste plaats in de eredienst van de Syrische kerken. Rooms-katholieken noemen hem kerkleraar, orthodoxe christenen bidden in de vastentijd een gebed dat op zijn naam staat, en in de kerken van het Midden-Oosten heet hij de Harp van de Heilige Geest.
Het begon in Nisibis, aan de rand van het Romeinse rijk.
GEBOREN OP DE WEG VAN DE WAARHEID
Efrem werd rond 306 geboren in Nisibis of in de omgeving van die stad. Nisibis heet nu Nusaybin en ligt in het zuidoosten van Turkije, pal aan de grens met Syrië. Het jaartal is bij benadering. Niemand heeft zijn geboorte opgeschreven.
Over zijn ouders bestaan twee verhalen. Een veel later heiligenleven, waar ik verderop op terugkom, zegt dat zijn vader een heidense priester was van een afgod met de naam Abnil of Abizal. Efrem zelf zegt in zijn liederen iets anders. Hij schrijft dat hij “geboren werd op de weg van de waarheid” (vrij vertaald). Geleerden gaan daarom uit van een christelijk gezin. Ook paus Benedictus XVI zei het zo in een toespraak over Efrem in 2007.
Hij werd als jongen gedoopt. Waarschijnlijk hoorde hij bij de “zonen van het verbond”, mannen die in de Syrische kerken ongetrouwd bleven en zich aan de dienst van de plaatselijke kerk gaven. Het was een vroege vorm van wat later het kloosterleven werd, midden in de stad.
EEN STAD TUSSEN TWEE RIJKEN
Om Efrem te begrijpen moet je weten waar Nisibis lag. Ten westen lag het Romeinse rijk, dat in die jaren christelijk werd. Onder keizer Constantijn kregen christenen in 313 vrijheid van godsdienst. Ten oosten lag het Perzische rijk van de Sassaniden, met koning Shapur II. Nisibis was een vestingstad op de breuklijn tussen die twee. Rome had het gebied nog niet zo lang in handen.
In die stad groeide Efrem op onder bisschop Jakob van Nisibis. Jakob werd in 308 bisschop en stierf in 338. Zijn naam staat op de lijst van bisschoppen die in 325 het concilie van Nicea bijwoonden, de grote kerkvergadering in het huidige Iznik in Turkije. Later werd verteld dat de jonge Efrem met hem meereisde. Daar is geen vroege bron voor.
Jakob maakte Efrem tot leraar, in het Syrisch malpana. Op een bepaald moment werd hij ook tot diaken gewijd. Een diaken was in de vroege kerk iemand die de bisschop hielp: bij de eredienst, bij de zorg voor armen en zieken, bij het onderwijs. Wanneer Efrem diaken werd, weten we niet. Wel weten we dat hij het zijn hele leven bleef. Sozomenus schrijft dat hij nooit een hogere wijding ontving.
DRIE KEER DE PERZEN VOOR DE MUUR
Toen Constantijn in 337 stierf, viel Shapur aan. Nisibis werd belegerd in 338, in 346 en in 350. Efrem maakte alle drie de belegeringen mee.
Bij de eerste was Jakob nog bisschop. In zijn liederen over Nisibis schrijft Efrem de redding van de stad toe aan het gebed van Jakob. Na diens dood dichtte hij over hem als een wijngaardenier die de stad verzorgde. Zelfs zijn begraven lichaam zag Efrem als een muur rond Nisibis.
In 350 leidde Shapur de rivier de Mygdonius om, zodat het water tegen de stadsmuren sloeg. De muren raakten beschadigd, maar de inwoners herstelden ze in korte tijd. Efrem vergeleek de stad in een lied met de ark van Noach, die op het water dreef en niet zonk.
Die liederen over Nisibis zijn bewaard gebleven. In een ervan vergelijkt Efrem Jakob en de twee bisschoppen na hem met drie lampen, elk in een donkere tijd van belegering. Elk van hen opende volgens het lied een andere deur: een voor strijd, een voor koningen, een voor gezanten en barmhartigheid. Voor Efrem waren de bisschop, het gebed en de muur van de stad niet los van elkaar te zien.
EEN TAAL DIE JEZUS HAD KUNNEN VERSTAAN
Efrem schreef in het Syrisch, een vorm van het Aramees, de taal die in de tijd van Jezus in grote delen van het Midden-Oosten gesproken werd. Het Syrisch ontstond in Edessa en werd de taal van de christenen in Mesopotamië, het land tussen de Eufraat en de Tigris. Ze hadden een eigen Bijbelvertaling, de Peshitta, en een eigen evangeliënharmonie, het Diatessaron van Tatianus. Efrem schreef een commentaar op dat Diatessaron.
Deze Syrische kerk is voor veel Nederlandse lezers onbekend terrein. Ze leefde aan de rand van het Romeinse rijk en voor een deel daarbuiten, in Perzië. Later zou ze uit elkaar groeien in verschillende kerken. In het westen van het gebied ontstonden de Syrisch-Orthodoxe Kerk, de Maronitische Kerk en de Syrisch-Katholieke Kerk. In het oosten de Assyrische Kerk van het Oosten en de Chaldeeuwse Kerk. Ook in het zuiden van India zijn christenen die tot deze familie horen. Al deze kerken eren Efrem. Die scheidingen kwamen pas na zijn dood. In zijn tijd waren ze er nog niet.
Het Syrisch gaf Efrem iets wat het Grieks en het Latijn hem niet konden geven. Hij dacht in beelden en tegenstellingen. Paus Benedictus XVI wees erop dat Efrem theologie en poëzie samenbracht, en met paradoxen en beelden het geloof uitlegde. Een van zijn reeksen liederen gaat over een parel.
LIEDEREN MET EEN REFREIN
Het grootste deel van zijn werk bestaat uit madrashe. Het woord betekent zoiets als onderwijsliederen. Een madrasha bestaat uit strofen met een vast aantal lettergrepen, en tussen de strofen zingt de gemeente een refrein. Er zijn bijna vierhonderd van zulke liederen van Efrem bewaard, in zo’n vijftig verschillende versvormen. Elk lied had een eigen melodie. Die oorspronkelijke melodieën zijn allemaal verloren gegaan. We hebben alleen de woorden nog.
Hij schreef ook memre, gedichten in vaste regels van zeven lettergrepen die werden voorgedragen. Die versvorm raakte zo met hem verbonden dat ze “de maat van Mar Efrem” ging heten. Dat had een gevolg: later werden veel gedichten op zijn naam gezet die niet van hem zijn. Hij schreef ook in proza, onder meer commentaren op Genesis en Exodus en weerleggingen van leraren die hij als dwaalleraar zag.
Waarom liederen? Sozomenus geeft een verklaring. In Edessa had ruim een eeuw eerder Bardaisan gewoond, een denker die een eigen stroming stichtte. Zijn zoon Harmonius was volgens Sozomenus de eerste die het Syrisch in versmaten en melodieën goot. Hij was niet vrij van de dwalingen van zijn vader, schrijft Sozomenus. Efrem nam dezelfde versmaten over om er het geloof van de kerk in te zingen.
Hoeveel schreef hij? Sozomenus noemt driehonderdduizend versregels, met de toevoeging dat dit gezegd wordt. Niemand heeft het ooit kunnen tellen.
EEN LIJK VOOR DE POORT
In 363 kwam het einde van Efrems leven in Nisibis. Keizer Julianus, die de christelijke koers van zijn voorgangers had willen terugdraaien, trok met een groot leger Perzië binnen. In juni 363 sneuvelde hij. Het leger koos een nieuwe keizer, Jovianus. Die sloot vrede met Shapur, en de prijs was hoog. Nisibis werd aan Perzië overgedragen. De christelijke inwoners moesten de stad verlaten.
Efrem schreef daarover een reeks liederen tegen Julianus. Volgens de historicus Sidney Griffith, die deze liederen grondig bestudeerde, dichtte hij ze nog in het jaar van Julianus’ dood, in Nisibis zelf. Efrem beschrijft hoe hij het gebalsemde lijk van de keizer voor de stadspoort zag liggen, terwijl er een Perzische vlag op de burcht wapperde.
Wat moet het geweest zijn om dat te zien? Hij was bijna zestig. Hij had zijn hele leven in deze stad gewoond, haar verdedigd met gebed en liederen, haar bisschoppen gediend. Nu ging zij over in andere handen door een verdrag dat hij niet gesloten had. Hij pakte op en ging.
Misschien trok hij eerst naar Amida, het huidige Diyarbakir. Daarna vestigde hij zich in Edessa, het huidige Sanliurfa in het zuidoosten van Turkije. Daar zou hij de laatste tien jaar van zijn leven wonen.
OP DE BERG BIJ EDESSA
Edessa was de oude hoofdstad van het Syrische christendom. Het was ook een stad vol stromingen. Er woonden aanhangers van Arius, die leerden dat de Zoon minder was dan de Vader. Er waren volgelingen van Marcion, die het Oude Testament afwezen. Er waren manicheeërs, aanhangers van de Perzische profeet Mani. En er waren nog altijd mensen die de liederen van Bardaisan zongen.
Efrem woonde volgens de overlevering in een cel op de heuvel buiten de stad en gaf er les. In Edessa schreef hij veel van zijn liederen over het geloof. Hij hield vast aan wat in Nicea was beleden: de Zoon is werkelijk God, net als de Vader. Tegen de andere stromingen schreef hij liederen en weerleggingen in proza.
Ik moet hier eerlijk zijn over iets wat voor lezers van nu scherp kan klinken. Efrem kon fel schrijven over wie anders geloofde. Een Engelse geleerde rond 1900 noemde zijn twistliederen zelfs een treurige aanwinst voor de christelijke literatuur. Wie hem leest, komt die bladzijden tegen. Ze horen bij hem, net als zijn tederheid.
VROUWEN DIE ZONGEN
Een van de bekendste verhalen over Efrem gaat over vrouwen. Ruim een eeuw na zijn dood schreef bisschop Jakob van Sarug, die in 521 stierf, een lang gedicht over hem. Daarin vertelt hij dat Efrem koren van vrouwen oprichtte die zijn liederen zongen. Volgens Jakob zag Efrem dat de vrouwen in de kerk zwegen, en wilde hij hun stem een plaats geven in de lofzang. Hij leerde hun de liederen en hun melodieën aan.
Hoe betrouwbaar is dat? De Amerikaanse historica Susan Ashbrook Harvey heeft dit gedicht en de andere bronnen onderzocht. Ze noemt Jakobs tekst een geïdealiseerde rechtvaardiging van een gewoonte die in zijn eigen tijd bestond. Zeker is dat er in de vijfde eeuw in Edessa koren van “dochters van het verbond” waren. Dat waren ongetrouwde vrouwen die zich aan de kerk hadden gewijd, net als de zonen van het verbond. In de kerkregels van bisschop Rabbula van Edessa, uit de eerste helft van die eeuw, kregen zij de taak om psalmen en madrashe te zingen. Of Efrem zelf deze koren begon, kunnen we niet controleren. Het past wel bij wat we van hem weten.
Paus Benedictus XVI zei in 2007 dat de rol van vrouwen voor Efrem belangrijk was. In zijn liederen spreekt Efrem met grote eerbied over Maria. Omdat de Zoon van God in de schoot van een vrouw woonde, schreef hij, had God alle vrouwen geëerd.
Er is iets wat mij hierin raakt. Een diaken in een grensstad neemt de liederen die zijn tegenstanders gebruiken, maakt er nieuwe van, en laat ze zingen door de mensen die tot dan toe stil moesten zijn. Hoe zou het klinken als het onderwijs in jouw kerk gezongen werd, door iedereen die een stem heeft?
DRIEHONDERD BEDDEN
In de laatste jaren van Efrems leven brak in Edessa een hongersnood uit. Als hij in juni 373 stierf, moet die in 372 en 373 zijn geweest.
Palladius vertelt het rond 420 in zijn verzameling verhalen over monniken en kluizenaars. Efrem, schrijft hij, kwam uit zijn cel en sprak de rijken aan. Toen zij zeiden niemand te vertrouwen, bood hij zichzelf aan. “Ik stel mezelf voor jullie aan als verzorger,” laat Palladius hem zeggen (vrij vertaald). Hij kreeg het geld. Hij liet de zuilengangen van de stad afschermen en richtte er ongeveer driehonderd bedden in. Hij verpleegde wie ziek was en begroef wie stierf. Vreemdelingen en inwoners kregen elke dag eten en zorg. Toen het jaar voorbij was en er weer genoeg was, ging iedereen naar huis. Efrem keerde terug naar zijn cel.
Sozomenus vertelt het zo’n twintig jaar later bijna hetzelfde. Hij heeft het mogelijk van Palladius overgenomen, dus het zijn niet per se twee onafhankelijke getuigen. Maar beide schrijvers leefden binnen tachtig jaar na Efrems dood, en het verhaal klinkt nuchter. Er gebeurt geen wonder in. Er staat een oude man in een zuilengang tussen zieken.
Sozomenus vertelt ook een verhaal dat er minder nuchter uitziet. Toen ze Efrem eens kwamen halen om hem tot bisschop te wijden, deed hij zich voor als gek. Hij rende over de markt, gedroeg zich wanordelijk en at op straat, tot ze het opgaven. Dat verhaal lijkt sterk op wat David deed bij de koning van Gath. Al in 1898 schreef de geleerde John Gwynn dat het waarschijnlijk naar dat voorbeeld is gevormd. Zeker weten we het niet. Wel staat vast dat Efrem nooit bisschop of priester werd.
JUNI 373
Kort na de hongersnood stierf Efrem. Palladius zegt: na een maand. Sozomenus zegt: na een paar dagen. Een latere traditie, die ook paus Benedictus XVI noemde, zegt dat hij een ziekte opliep bij de zorg voor de zieken.
De Kroniek van Edessa, een Syrisch geschiedwerk uit de zesde eeuw, geeft als datum 9 juni 373. Hiëronymus, die in 392 een korte lijst van christelijke schrijvers maakte, plaatst zijn dood onder keizer Valens. Die regeerde van 364 tot 378, dus dat past. Er zijn ook schrijvers die aan 378 denken, maar de meeste geleerden houden het op 373.
Er bestaat een Testament op zijn naam. Daarin vraagt hij om een graf op de gewone begraafplaats, gewikkeld in zijn oude mantel, en dus buiten de kerk. Of die tekst echt van hem is, staat niet vast.
WAT HEM LATER WERD NAGEZEGD
Ongeveer tweehonderd jaar na zijn dood, in de zesde eeuw, werd in het Syrisch een uitgebreid Leven van Efrem geschreven. Het is een heiligenleven vol mooie verhalen. Volgens dit Leven reisde Efrem naar Caesarea in Cappadocië, het huidige Kayseri in Turkije, om de grote bisschop Basilius te ontmoeten. Hij zou daar ineens Grieks hebben kunnen spreken en door Basilius tot diaken zijn gewijd. Ook zou hij acht jaar in Egypte hebben gewoond, tussen de woestijnmonniken.
Geleerden houden deze reizen voor legende. Basilius werd pas eind 370 bisschop. Een bezoek kon dus alleen in Efrems laatste twee jaar vallen, en de vroegste bronnen zwijgen erover. Acht jaar Egypte past nergens in zijn leven, dat vanaf 363 in Edessa lag. Het naslagwerk over de Syrische traditie van Beth Mardutho wijst op een verwisseling: de Syriër over wie Basilius schreef, was een andere man, Eusebius van Emesa. Sozomenus zei alleen dat Basilius Efrem bewonderde. Dat kan heel goed via vertalingen zijn gegaan, want volgens Sozomenus werden Efrems werken al bij zijn leven in het Grieks vertaald.
Het verhaal van de reis naar Basilius drukt wel iets uit. Latere christenen wilden de Syrische dichter en de Griekse theologen bij elkaar zien. Ze voelden dat ze bij elkaar hoorden.
Iets vergelijkbaars gebeurde met zijn werk. In het Grieks ontstond een grote verzameling teksten op naam van Efrem. Een deel bestaat uit vertalingen van echte werken, maar het grootste deel is van anderen. Uit die Griekse traditie komt het korte gebed dat orthodoxe christenen in de veertigdagentijd bidden, waarin ze God vragen om hen te bevrijden van traagheid en machtszucht en hun nederigheid, geduld en liefde te geven. Of Efrem het zelf schreef, weten we niet. Het staat op zijn naam, en het wordt elk jaar opnieuw gebeden.
Zelfs de encycliek waarmee paus Benedictus XV hem op 5 oktober 1920 tot kerkleraar van de hele katholieke kerk verklaarde, neemt een aantal van deze latere verhalen over, zoals de wijding door Basilius. Ook een kerkleraar krijgt zijn levensverhaal soms met legenden erbij.
EEN HARP IN DE ZUILENGANG
Efrem wordt nu gevierd op 9 juni in de rooms-katholieke kerk en in de Church of England, op 10 juni in de Episcopal Church in de Verenigde Staten, en op 28 januari in de oosters-orthodoxe kerken. De Syrische kerken gedenken hem op hun eigen dagen. Weinig christenen uit de vierde eeuw worden in zoveel kerken tegelijk geëerd.
Hij was geen bisschop en geen martelaar. Hij preekte niet voor keizers en won geen debatten in de hoofdstad. Hij was een diaken die liederen schreef voor zijn stad, en toen die stad hem ontnomen werd, voor een andere stad.
Wat bleef er van hem over? Woorden zonder melodie. Bijna vierhonderd liederen waarvan niemand meer weet hoe ze klonken. En twee korte verslagen van iets wat hij aan het eind van zijn leven deed, toen de liederen even niet genoeg waren.
Het laatste beeld dat de vroegste bronnen van hem geven, is geen beeld van een kansel. Het is een zuilengang in Edessa, waar tussen de pilaren driehonderd bedden staan. Een oude man loopt ertussendoor. Als het jaar om is, worden de bedden weggehaald, en de zuilengang is weer leeg.
Wat vaststaat en wat verteld wordt
Vaststaat (meerdere onafhankelijke bronnen): geboorte rond 306 in of bij Nisibis; leerling van bisschop Jakob van Nisibis (overleden 338); de Perzische belegeringen van 338, 346 en 350; de overdracht van Nisibis aan Perzië in 363 en Efrems vertrek naar Edessa; diaken tot zijn dood, nooit bisschop of priester; bijna vierhonderd madrashe en andere werken in het Syrisch; zijn hulp bij de hongersnood in Edessa met zo’n driehonderd bedden (Palladius rond 420, Sozomenus rond 445); dood in Edessa, volgens de Kroniek van Edessa op 9 juni 373; kerkleraar sinds 5 oktober 1920.
Alleen uit eigen getuigenis of latere overlevering: zijn christelijke afkomst (uit zijn eigen liederen); de redding van Nisibis door Jakobs gebed en het lijk van Julianus voor de poort (uit zijn eigen liederen); de vrouwenkoren als zijn initiatief (Jakob van Sarug, ruim een eeuw later); de geveinsde waanzin om het bisschopsambt te ontlopen (Sozomenus); de ziekte die hij opliep bij de verzorging van zieken; het Testament.
Onbevestigd: een heidense vader; zijn aanwezigheid op het concilie van Nicea; de reis naar Basilius en zijn wijding door Basilius; acht jaar in Egypte; het Gebed van Efrem als eigen werk; de meeste Griekse teksten op zijn naam.
Duiding: dat de belegeringen van Nisibis afgeslagen werden door gebed, is Efrems eigen geloofsuitleg. De Romeinse verdediging en de verdediging door gebed sluiten elkaar in zijn ogen niet uit.
Bronnen bij dit hoofdstuk
- Sozomenus, Kerkgeschiedenis, boek III, hoofdstuk 16 (New Advent)
- Palladius, Lausiac History, hoofdstuk 40: Ephraim
- Gorgias Encyclopedic Dictionary of the Syriac Heritage, “Ephrem” (Beth Mardutho)
- Gorgias Encyclopedic Dictionary of the Syriac Heritage, “Basil of Caesarea” (Beth Mardutho)
- Susan Ashbrook Harvey, “Revisiting the Daughters of the Covenant”, Hugoye 8.2
- Paus Benedictus XVI, algemene audiëntie over de heilige Efrem, 28 november 2007
- Paus Benedictus XV, encycliek Principi Apostolorum Petro, 5 oktober 1920
- Schaff-Herzog Encyclopedia, “Ephraem Syrus” (CCEL)
- John Gwynn, NPNF 13: materiaal voor zijn biografie (CCEL)
- John Gwynn, NPNF 13: historische kritiek op de middeleeuwse aanvullingen (CCEL)
- Efrem, Hymnen over Nisibis, XIII: over Mar Jakob (CCEL)
- SPEAR, Syriac Persons, Events and Relations: Efrem
- Over Efrems Hymnen tegen Julianus (met Griffith 1987)
- Encyclopaedia Britannica, “Saint Ephraem Syrus”
- OrthodoxWiki, “Ephrem the Syrian”
- Wikipedia, “Ephrem the Syrian” (startpunt)
- Wikipedia, “Syriac Christianity” (startpunt)