De eerstegetuigen

Deel 2 · De eerste getuigen · Hoofdstuk 3

Macrina de Jongere

de lerares op de plank

ca. 327-379Annesi in Pontus (Turkije)

Ze lag niet in een bed. Toen Gregorius in het jaar 379 het landgoed van zijn familie in Pontus bereikte, vond hij zijn oudste zus op de grond. Iemand had een zak over een plank gelegd, en een tweede plank hield haar hoofd omhoog. Ze had hoge koorts. Ze kon niet meer naar hem toe lopen, dus steunde ze op haar ellebogen en probeerde zich op te richten om hem te groeten.

Gregorius had haar bijna acht jaar niet gezien. Hij was inmiddels bisschop van Nyssa, een stadje in Cappadocië, en hij kwam rechtstreeks van een kerkvergadering in Antiochië. Een paar maanden eerder was hun broer Basilius gestorven, de beroemde bisschop van Caesarea. Gregorius kwam om samen te rouwen. Hij merkte al snel dat hij degene was die getroost werd.

Hij schreef het allemaal op. Een paar jaar later maakte hij er een boek van, het Leven van Macrina, en daarna nog een tweede: een gesprek over de ziel en de opstanding, waarin zijn zus de leraar is en hij de leerling. Zo kennen we haar. Bijna alles wat we van Macrina weten, komt uit de pen van één broer, die van haar hield en die haar als heilige zag. Dat moet je meenemen bij het lezen. Maar wat hij in die laatste dagen zelf zag, heeft hij ook zelf beschreven, en dat is meer dan we van de meeste vrouwen uit de vierde eeuw hebben.

Ze werd geboren in een familie die de vervolgingen nog in het geheugen droeg.

EEN GROOTMOEDER DIE ALLES KWIJTRAAKTE

De vierde eeuw was een eeuw van grote omslag. Vlak voor Macrina’s geboorte had keizer Constantijn een einde gemaakt aan de vervolging van christenen. Twintig jaar eerder was dat nog anders geweest. In het oosten van het Romeinse rijk, onder keizers als Galerius en Maximinus, werden christenen opgejaagd, gevangengezet en gedood.

Macrina’s grootouders van vaderskant hadden dat meegemaakt. Volgens Gregorius raakten ze hun bezit kwijt vanwege hun geloof. Zijn grootmoeder heette Macrina, en de kleindochter kreeg haar naam. Deze oudere Macrina wordt een belijdster genoemd: iemand die in de vervolging trouw bleef aan Christus en daarvoor leed, zonder te sterven.

Hier hebben we, voor één keer, een tweede getuige. Basilius schreef zelf, in een brief aan de christenen van Neocaesarea (nu Niksar, in het noorden van Turkije), dat zijn grootmoeder hem als kind het geloof leerde. Ze gaf hem de woorden door van “de zalige Gregorius” (vrij vertaald). Waarschijnlijk bedoelde hij Gregorius de Wonderdoener, de man die een eeuw eerder de kerk in Pontus had gesticht.

Pontus was het land langs de zuidkust van de Zwarte Zee, in wat nu het noorden van Turkije is. De familie had daar landgoederen, en ook in Cappadocië, het hoogland in het midden van het huidige Turkije. Volgens Gregorius lagen hun bezittingen verspreid over drie provincies, elk met een eigen gouverneur. Het was een rijke, aanzienlijke familie. De vader was redenaar en advocaat, bekend in de rechtbanken van Pontus. Zijn naam was Basilius, de moeder heette Emmelia. Gregorius noemt hen in het Leven van Macrina niet bij naam, maar de namen zijn uit andere bronnen bekend.

Er kwamen tien kinderen. Macrina was de oudste.

EEN GEHEIME NAAM

Gregorius vertelt een verhaal over haar geboorte dat hij alleen uit de familie kan hebben. Toen haar moeder zwanger was, droomde ze dat iemand het ongeboren kind aansprak met de naam Thecla. Die naam werd daarna in het geheim gebruikt. Openlijk heette het meisje Macrina, naar haar grootmoeder.

Thecla was in die tijd in Klein-Azië een geliefde figuur. Volgens een oud verhaal, de Handelingen van Paulus en Thecla, was ze een jonge vrouw die Paulus hoorde preken, haar verloving opgaf en haar leven aan God wijdde. Of die Thecla echt heeft bestaan, weten historici niet. Maar iedereen in Macrina’s omgeving kende haar verhaal. Gregorius legde de droom zelf uit als een vooruitwijzing naar het leven dat zijn zus zou gaan leiden.

Hoe zou jij zo’n droom lezen, als je hem achteraf hoort van iemand die van de hoofdpersoon hield? Gregorius schreef op wat zijn moeder vertelde. Wat de moeder werkelijk droomde, kunnen we niet meer nagaan.

Wat wel concreet is, is haar opvoeding. Haar moeder leerde haar zelf. Ze kreeg geen toneelstukken en geen heidense dichters te lezen, wat voor een meisje uit een rijke familie gewoon was geweest. Ze leerde de Bijbel. Gregorius noemt vooral het boek Wijsheid van Salomo, een boek dat in de rooms-katholieke en orthodoxe Bijbel staat en dat protestanten tot de apocriefe boeken rekenen. En ze kende het hele boek Psalmen. Ze zei ze op vaste tijden, de hele dag door, bij alles wat ze deed.

EEN VERLOOFDE DIE NIET TERUGKWAM

Toen Macrina twaalf was, kwamen de huwelijkskandidaten al langs. Dat klinkt ons jong in de oren, maar in de Romeinse wereld werden meisjes vaak rond die leeftijd verloofd. Haar vader koos een jonge man uit de familiekring, iemand met een goede naam als redenaar. Voordat het huwelijk gesloten kon worden, stierf hij.

Macrina weigerde daarna iedere andere kandidaat. Volgens Gregorius zag ze haar verloofde als iemand die afwezig was, en niet als iemand die dood was. Ze wilde trouw blijven aan de man aan wie ze beloofd was.

Je kunt dat lezen als het verdriet van een meisje van twaalf. Je kunt het ook lezen als de eerste stap van een vrouw die haar eigen weg koos, in een wereld waarin vrouwen zelden konden kiezen. Gregorius presenteert het als het tweede. Macrina zelf heeft geen geschrift nagelaten waarin ze het uitlegt.

Ze besloot bij haar moeder te blijven. Na de dood van haar vader, rond 340 of iets later, droeg ze een groot deel van de zorg voor het gezin en de landgoederen. Gregorius schrijft dat moeder en dochter voor elkaar zorgden: de moeder voor de ziel van haar dochter, de dochter voor het lichaam van haar moeder.

DE BROER DIE THUISKWAM VAN SCHOOL

Basilius was de tweede in het gezin. Over hem gaat een eigen hoofdstuk in dit boek. Hier gaat het over één moment: zijn terugkeer van school. Hij had welsprekendheid gestudeerd en hij kwam terug als een veelbelovend redenaar.

Volgens Gregorius was Basilius toen erg vol van zichzelf en van zijn eigen welsprekendheid. Macrina nam hem onder handen. Ze trok hem, schrijft Gregorius, zo snel naar de filosofie dat hij afzag van wereldse roem. Met filosofie bedoelde Gregorius een leven van gebed, eenvoud en zelfbeheersing, gericht op God. Basilius koos voor handenarbeid en gaf zijn bezit weg.

Hier moet ik eerlijk zijn over iets opvallends. Basilius schreef honderden brieven, en hij beschreef ook zijn eigen ommekeer. In een brief aan Eustathius vertelt hij dat hij jaren had verspild aan wijsheid die niets opleverde, en dat hij toen wakker werd “als iemand die uit een diepe slaap ontwaakt” (vrij vertaald). Hij noemt zijn moeder en zijn grootmoeder Macrina. Zijn zus noemt hij nergens. Geleerden hebben dat zwijgen geprobeerd te verklaren, tot op vandaag. Basilius was in die jaren ook onder de indruk van Eustathius van Sebaste, een bekende leider van kluizenaars in de regio. Het is goed mogelijk dat beide invloeden er waren. Dat Macrina de doorslag gaf, weten we alleen van Gregorius.

SLAVINNEN DIE ZUSTERS WERDEN

Wat Macrina thuis veranderde, is het hart van haar verhaal. Volgens Gregorius overtuigde ze haar moeder om het gemak van een rijk huishouden op te geven. De vrouwen gingen samenleven met hun slavinnen en dienstmeisjes, en behandelden hen als zusters van gelijke rang. Ze deelden hun eten en hun manier van leven.

In de Romeinse wereld was dat een groot ding. Slaven waren bezit. Een vrouw uit een senatorenfamilie at niet aan dezelfde tafel als haar dienstmeisjes. Gregorius beschrijft het huis als een plek waar mensen probeerden te leven zoals de engelen.

Het landgoed waar dit gebeurde, lag bij Annesi, in Pontus, aan de rivier de Iris (nu de Yeşilırmak, in Turkije). Gregorius noemt de plaatsnaam in het Leven niet, maar uit andere bronnen weten we dat de familie daar woonde. Aan de overkant van de rivier begon Basilius een gemeenschap van mannen. Sommige geleerden, zoals de Australische Anna Silvas, zien in Macrina’s huis een vroeg model van het kloosterleven dat later aan Basilius’ naam verbonden werd. Die regels voor samenleven in een gemeenschap zijn in de oosterse kerken tot vandaag de basis van het kloosterleven.

Was het een klooster? Het woord past niet helemaal. Er was geen kloosterregel op papier, voor zover we weten, en het huis bleef familiebezit. Het was een groot huishouden van vrouwen die samen wilden leven voor God, en dat gaandeweg een gemeenschap werd.

EEN BROER AAN DE RIVIER

Er was nog een broer die Gregorius met warmte beschrijft: Naucratius, de tweede van de vier zoons. Hij had gaven als spreker en een mooie loopbaan voor zich. Rond zijn eenentwintigste liet hij dat achter. Hij trok zich terug aan de Iris, samen met een dienaar die Chrysapius heette. Hij zorgde voor arme oude mensen in de buurt en ving vis om hen te voeden.

Op een dag kwam hij niet terug van zo’n tocht. Hij stierf plotseling, samen met Chrysapius. Gregorius vertelt niet precies hoe. Hun moeder was drie dagreizen verderop toen het bericht kwam, en ze stortte in. Volgens Gregorius was het Macrina die haar overeind hield. Ze had zelf ook verdriet, schrijft hij, maar ze bleef staan en hielp haar moeder het verdriet te dragen.

Gregorius vergelijkt het leven van zijn zus met goud dat in een oven wordt beproefd. Er zouden er nog meer komen.

DE JONGSTE ALS TIENDE DEEL

De jongste van het gezin was Petrus. Hij werd geboren rond de tijd dat de vader stierf. Macrina nam zijn opvoeding op zich, vanaf zijn babytijd. Ze was voor hem, schrijft Gregorius, vader, leraar, opvoeder en moeder tegelijk. Petrus groeide op in de gemeenschap van zijn zus en werd later zelf bisschop van Sebaste (nu Sivas, in Turkije).

Gregorius vertelt dat er een hongersnood kwam, waarschijnlijk rond 369. Mensen kwamen van overal naar het landgoed, en Petrus zorgde dat ze te eten kregen. Volgens Gregorius nam het graan in de voorraadschuur niet af, hoeveel er ook werd uitgedeeld. Dit wonderverhaal hoorde hij van anderen. Het gewone deel is goed voorstelbaar: een rijk huishouden dat zijn voorraad opende voor hongerige buren.

Toen de moeder oud werd en stierf, zegende ze haar kinderen. Ze bad tot God met woorden die Gregorius heeft overgeleverd: ze gaf Hem haar eerste kind en haar laatste, Macrina als eerstelingen en Petrus als het tiende deel. Het zijn termen uit de offers van het Oude Testament. Ze vroeg om naast haar man begraven te worden. Volgens Gregorius stierf Basilius acht jaar na haar.

Macrina bleef achter als leidster van de vrouwen. Ze gaf haar deel van de erfenis weg. Ze hield niets.

GREGORIUS KOMT TE LAAT VOOR ZIJN BROER

Ondertussen was de kerk in het oosten verdeeld. Er was strijd over de vraag hoe Jezus Christus zich verhoudt tot God de Vader: is Hij volledig God, of een hoger schepsel? Keizer Valens, die van 364 tot 378 over het oosten regeerde, steunde de partij die het tweede dacht. Bisschoppen die het daar niet mee eens waren, kregen het zwaar. Basilius bleef overeind in Caesarea, maar Gregorius werd uit Nyssa verdreven. Hij noemt het later zelf zijn verbanning door keizer Valens, om het geloof.

In 378 sneuvelde Valens. Kort daarna, waarschijnlijk op 1 januari 379, stierf Basilius. Over die datum zijn historici het niet helemaal eens.

Negen maanden later was Gregorius in Antiochië (nu Antakya, in het zuiden van Turkije), op een vergadering van bisschoppen. Daarna reisde hij naar Pontus. Onderweg droomde hij, zo vertelt hij, dat hij relieken van martelaren in zijn handen had, en dat er een fel licht van uitging. Hij begreep het niet. Toen hij dichter bij het landgoed kwam, hoorde hij dat zijn zus ziek was.

En zo kwam hij binnen en vond hij haar op de plank.

“NIET BEDROEFD ZOALS DE ANDEREN”

Wat er in die dagen gezegd werd, kennen we uit twee teksten van Gregorius. In het Leven van Macrina vertelt hij dat ze spraken over de ziel, over waarom we in een lichaam leven, over de dood en over de opstanding. In het tweede boek, Over de ziel en de opstanding, werkt hij dat gesprek uit. Hij noemt zijn zus daar steeds de Lerares.

Het begint met zijn verdriet om Basilius. Volgens het boek laat ze hem eerst huilen. Daarna wijst ze hem op wat de apostel Paulus schreef aan de gemeente in Thessalonica: Maar ik wil niet, broeders, dat u onwetend bent ten aanzien van hen die ontslapen zijn, opdat u niet bedroefd bent zoals ook de anderen, die geen hoop hebben. (1 Thessalonicenzen 4:13) Ze sprak, volgens Gregorius, alsof de dood iets was om over na te denken en niet om voor weg te lopen.

Het boek wordt dan een lang gesprek. De zieke vrouw beantwoordt de vragen van haar broer, die de bezwaren van de filosofen van zijn tijd naar voren brengt. Wat is de ziel? Haar antwoord, in de woorden van Gregorius: de ziel is “een geschapen, levend, verstandelijk wezen” (vrij vertaald). Ze spreken over de opstanding van het lichaam, over het oordeel, over de rijke man en Lazarus.

Ik moet erbij zeggen hoe dit boek in elkaar zit. Gregorius schreef het een paar jaar na haar dood, als een dialoog naar het voorbeeld van Plato’s Phaedo, waarin Socrates op de dag van zijn dood met zijn leerlingen over de onsterfelijkheid van de ziel spreekt. Het is literatuur. Hoeveel er letterlijk van Macrina komt, weten we niet. Sommige geleerden zien in de Lerares vooral een spreekbuis voor Gregorius’ eigen denken. Anderen zien weinig reden om te twijfelen dat ze echt zijn leraar was. Wat in elk geval vaststaat, is dat een bisschop uit de vierde eeuw een boek over de diepste vragen van het geloof schreef met een vrouw als leraar. Dat was zeldzaam.

Het Leven vertelt nog een gesprek, en dat voelt minder als literatuur. Gregorius begon over zijn eigen moeite. Hij was verbannen geweest, de kerken waren onrustig, hij had het zwaar.

Macrina liet dat niet zomaar staan. Ze herinnerde hem aan hun vader, die alleen in Pontus bekend was. Haar broer werd door kerken uit allerlei steden geroepen om hen te helpen en te leiden. Zag hij niet dat dat genade was?

Het is een moment dat ik herken. Je bent moe, je ziet vooral wat er misging, en dan zegt iemand die het recht heeft om het te zeggen: kijk eens wat je gekregen hebt. Gregorius schreef het zelf op, tegen zichzelf in.

Ze stuurde hem daarna weg om te rusten. Ze liet hem zeggen dat het beter met haar ging. Dat was niet waar, schrijft hij.

HET LAATSTE GEBED

De volgende dag zag Gregorius dat het einde dichtbij was. Haar bed was naar het oosten gedraaid. Ze sprak nu tot God. Gregorius stond dichtbij en schreef het gebed later op. Het is lang en vol Bijbelse beelden. Het begint met de woorden: “U, Heer, hebt ons van de angst voor de dood bevrijd” (vrij vertaald). Ze bad dat het einde van dit leven het begin van het ware leven zou zijn, en dat God het lichaam voor een tijd zou laten slapen en het bij de laatste bazuin weer zou wekken.

Het werd avond. Er werd een lamp binnengebracht. Ze probeerde het avondgebed mee te zingen, maar haar stem was weg. Ze maakte het af in haar hart en met haar handen. Daarna ademde ze diep uit, en het was voorbij.

Volgens de kerkelijke kalender was het 19 juli. Het jaar was waarschijnlijk 379; sommige bronnen noemen 380. Hoe oud ze was, schrijft Gregorius niet. Als ze rond 327 geboren is, was ze een jaar of vijftig.

De vrouwen van de gemeenschap barstten uit in klagen. Gregorius probeerde hen tot rust te brengen. Twee vrouwen hielpen hem met het afleggen van het lichaam: Vestiana, een weduwe uit een senatorenfamilie die in de gemeenschap leefde, en Lampadia, een diacones die de zusters leidde. Een diacones had in die tijd in het oosten een vaste taak in de kerk, vooral in de zorg voor vrouwen.

Gregorius vroeg of er in de voorraadkast iets te vinden was voor een passende begrafenis. Lampadia zei dat er niets was. Wat ze aanhad, was alles wat ze bezat. Om haar hals vonden ze een ijzeren kruisje en een ijzeren ring. In de ring zat, zo werd verteld, een splintertje van het kruis van Christus.

Een van de vrouwen liet Gregorius een klein litteken zien, net onder haar hals. Ze vertelde dat Macrina jaren eerder een gezwel had gehad. Ze had geweigerd zich door een arts te laten behandelen, had een nacht gebeden, en haar moeder had een kruisteken over de plek gemaakt. Het gezwel verdween. Dit verhaal kennen we alleen van die ene zuster, via Gregorius.

EEN DAG VOOR RUIM EEN KILOMETER

Het nieuws ging rond. Mensen kwamen uit de omgeving, en de hele nacht werd er gezongen, zoals bij de wake voor een martelaar. Gregorius zette de mannen en de vrouwen apart, zodat de psalmen geordend konden klinken.

De volgende ochtend droegen de plaatselijke bisschop Araxius, zijn priesters en Gregorius zelf de baar. De kerk van de martelaren, waar hun ouders begraven lagen, lag zeven of acht stadiën verderop, iets meer dan een kilometer. De menigte was zo groot dat de tocht het grootste deel van de dag duurde.

Gregorius liet het graf van zijn ouders openen. Hij legde een linnen doek over hun lichamen, uit eerbied, en legde zijn zus naast haar moeder, zoals ze allebei hadden gevraagd. Toen viel hij zelf op het graf neer.

Op de terugweg ontmoette hij een officier uit Sebastopolis, een stadje in Pontus. De man vertelde dat zijn dochtertje een oogziekte had gehad, en dat Macrina had beloofd dat het zou genezen als de familie bleef eten. Het kind werd beter. Gregorius schrijft dat hij nog veel meer van zulke verhalen had gehoord, maar dat hij ze wegliet. Hij was bang dat lezers die het ongelooflijk vonden, aan God zelf zouden gaan twijfelen.

EEN MOEDER IN PLAATS VAN EEN MOEDER

Een paar jaar later kreeg Gregorius de vraag van een monnik, Olympius, om over zijn zus te schrijven. Hij had hem ontmoet in Antiochië, op weg naar Jeruzalem. Zo ontstond het Leven van Macrina. In een brief uit dezelfde jaren noemt hij haar een lerares van hoe je moet leven, en “een moeder in plaats van onze moeder” (vrij vertaald).

Rooms-katholieken, orthodoxen en anglicanen gedenken haar op 19 juli. Op de bekende iconen van de drie heilige hiërarchen, Basilius, Gregorius van Nazianze en Johannes Chrysostomus, staat ze er niet bij. Wie haar wil vinden, moet het boekje van haar broer openslaan.

Daar ligt ze dan nog steeds: op een plank op de grond, het hoofd een beetje omhoog, haar gezicht naar het oosten, terwijl iemand een lamp binnenbrengt.

Dossier

Wat vaststaat en wat verteld wordt

Vaststaat (meerdere onafhankelijke bronnen): het bestaan van de familie in Pontus en Cappadocië, met Basilius, Gregorius van Nyssa en Petrus van Sebaste als broers; de grootmoeder Macrina die Basilius in het geloof onderwees (Gregorius en Basilius zelf); de gemeenschap op het familielandgoed bij Annesi aan de Iris; Basilius’ ommekeer naar een leven van ascese; de verbanning van Gregorius onder Valens; de dood van Basilius rond 1 januari 379.

Alleen uit eigen getuigenis of latere overlevering: vrijwel alles over Macrina zelf komt van één bron, haar broer Gregorius, in het Leven van Macrina (ca. 381 tot 383), een brief en Over de ziel en de opstanding. Als ooggetuige beschrijft hij haar ziekbed, het gesprek, haar laatste gebed, haar dood, het afleggen en de begrafenis. Uit de familie of van de zusters hoorde hij: de droom over de naam Thecla, de dood van haar verloofde, haar invloed op Basilius en op haar moeder, de dood van Naucratius, de woorden van de stervende moeder, het graan dat niet afnam, de genezing van het gezwel en de genezing van het oog van het meisje uit Sebastopolis.

Onbevestigd: het geboortejaar (rond 327) en het sterfjaar (379, soms 380) zijn reconstructies van latere geleerden; ook het sterfjaar van de vader verschilt per bron. Dat Macrina de doorslag gaf bij Basilius’ bekering, staat alleen bij Gregorius; Basilius zelf noemt zijn zus nergens en wijst ook op Eustathius van Sebaste.

Duiding: Over de ziel en de opstanding is een literaire dialoog naar het voorbeeld van Plato. Hoeveel van de woorden van de Lerares van Macrina zelf komen, weten we niet. De wonderverhalen gaf Gregorius door als wat hem verteld werd.

Bronnen bij dit hoofdstuk

  1. Gregorius van Nyssa, Life of St. Macrina (vertaling 1916, tertullian.org)
  2. Gregorius van Nyssa, On the Soul and the Resurrection (New Advent)
  3. Basilius, Brief 204 aan de Neocaesareeërs (New Advent)
  4. Basilius, Brief 223 aan Eustathius (New Advent)
  5. Ellen Muehlberger, “Salvage: Macrina and the Christian Project of Cultural Reclamation”, Church History 81:2 (2012)
  6. Brepols, Anna M. Silvas, Macrina the Younger, Philosopher of God (2008)
  7. Estudios Eclesiásticos 98 (2023), over vrouwen in het werk van Basilius
  8. Simonetta Carr, “Macrina the Younger, The Fourth Cappadocian”, Place for Truth (2018)
  9. Anxious Bench (Patheos), “Mothers of the Church: Macrina the Younger”
  10. Orthodox Church in America, Venerable Macrina, 19 juli
  11. Wikipedia, Macrina the Younger
  12. Wikipedia, Basil of Caesarea
Liever het hele boek?PDF downloadenE-book (EPUB)Over dit deel