De prefect had alle macht die het Romeinse rijk aan één man kon geven. Hij heette Modestus, en hij was in naam van keizer Valens naar Caesarea gekomen, de hoofdstad van Cappadocië, in het midden van het huidige Turkije. Hij liet de bisschop van de stad voor zich brengen. Die bisschop weigerde zich te voegen naar de geloofslijn van de keizer, en dat moest ophouden.
Modestus somde op wat hij kon doen: bezit afnemen, verbannen, folteren, doden. De bisschop antwoordde rustig. Wie niets heeft, kun je niets afnemen, behalve wat versleten kleren en een paar boeken. Verbannen kan niet, want de hele aarde is van God. Folteren heeft weinig zin bij een lichaam dat bijna op is. En de dood zou hem alleen sneller bij God brengen. De prefect zei verbaasd dat nog nooit iemand zo vrijmoedig tegen Modestus had gesproken. Het antwoord: “Dan heb je nog nooit een bisschop ontmoet” (vrij vertaald).
Zo staat het in de lijkrede die Gregorius van Nazianze een paar jaar na de dood van zijn vriend hield. Gregorius kende Basilius van dichtbij, maar een lijkrede is geen verslag van een rechtbank. Maar het gesprek kwam ook terug bij de kerkhistorici Sozomenus en Theodoretus, rond het midden van de vijfde eeuw, en de kern is overal dezelfde: deze bisschop liet zich niet bang maken.
Hij heette Basilius. Later kreeg hij de bijnaam “de Grote”. Hij bouwde buiten zijn stad een complex waar armen, vreemdelingen, zieken en lepralijders werden opgevangen. Hij schreef regels voor monniken, en Benedictus, de vader van de westerse kloosters, zag hem als zijn leraar. Hij schreef een boek over de Heilige Geest dat meehielp om te verwoorden wat christenen in alle grote kerken nu belijden. Orthodoxen, rooms-katholieken, anglicanen en lutheranen gedenken hem op hun kalender.
Maar voordat hij de prefect zo kon antwoorden, moest hij eerst zelf zijn trots kwijt.
ZEVEN JAAR IN DE BOSSEN VAN PONTUS
Basilius werd rond 329 of 330 geboren in Caesarea, de stad die nu Kayseri heet. Zijn vader heette ook Basilius, zijn moeder heette Emmelia. Ze kregen tien kinderen. Vier van hen kennen we bij naam uit de kerkgeschiedenis: Macrina, de oudste dochter, en de broers Naucratius, Petrus en Gregorius, die later bisschop van Nyssa werd.
Het was een familie met een geschiedenis van vervolging. Gregorius van Nazianze vertelt dat de grootouders van vaderskant in de tijd van keizer Maximinus, in het begin van de vierde eeuw, hun huis ontvluchtten. Ze leefden ongeveer zeven jaar in de bossen van Pontus, het bergland aan de noordkust van Turkije. Dat weten we alleen via Gregorius, en die had het weer van de familie. Grootmoeder Macrina, naar wie de oudste kleindochter genoemd was, voedde de kinderen mee op.
Wie in die jaren geboren werd, groeide op in een rijk dat snel veranderde. De grote vervolgingen waren voorbij. Maar de kerk zelf was het oneens over een vraag die alles raakte: is Jezus, de Zoon, werkelijk God zoals de Vader God is? Een priester uit Alexandrië, Arius, had geleerd dat de Zoon geschapen was. Het concilie van Nicea had in 325 beleden dat de Zoon één van wezen is met de Vader. De strijd daarover was daarmee niet voorbij. Keizers kozen partij, bisschoppen werden afgezet en verbannen, en gewone gelovigen wisten soms niet meer wie ze moesten volgen.
In die wereld groeide Basilius op, in een gezin dat bekendstond om zijn zorg voor armen en zijn gastvrijheid. Zo beschrijft Gregorius het tenminste. Een lofrede overdrijft graag, maar de rest van dit leven past bij dat begin.
EÉN ZIEL IN TWEE LICHAMEN
Zijn vader leerde hem eerst zelf. Daarna studeerde Basilius in Caesarea, in Constantinopel (nu Istanbul) en ten slotte in Athene, in Griekenland, de stad waar de beste leraren van de Griekse wereld werkten. Hij leerde er welsprekendheid, filosofie, sterrenkunde, meetkunde en geneeskunde, schrijft Gregorius. Die kennis van geneeskunde zou later van pas komen.
In Athene raakte hij bevriend met een jongen uit Nazianze, ook in Cappadocië: Gregorius, die we nu Gregorius van Nazianze noemen. De vriendschap werd zo hecht dat Gregorius er later over schreef dat ze één ziel leken te hebben in twee lichamen. In dezelfde jaren studeerde in Athene een neef van de keizer, Julianus. Hij werd later keizer en is bekend gebleven als Julianus de Afvallige.
Rond 356 keerde Basilius terug naar Caesarea. Hij was een gevierd jong talent en gaf korte tijd les in welsprekendheid. Een mooie carrière lag voor hem open.
“ALS UIT EEN DIEPE SLAAP”
Wat er toen gebeurde, kennen we uit twee bronnen die elkaar aanvullen.
Basilius zelf beschreef het ongeveer twintig jaar later in een brief. Hij had, zo schreef hij, veel tijd verspild aan ijdele dingen en aan wijsheid die niets opleverde. Toen werd hij wakker, “als iemand die uit een diepe slaap wordt gewekt” (vrij vertaald). Hij zag het licht van het evangelie. Hij las het, huilde om zijn vroegere leven en bad om een leidsman. Hij las over het verkopen van wat je hebt en het delen met de armen, en hij begreep dat dit een weg was. Daarna reisde hij naar Egypte, Palestina, Syrië en Mesopotamië om te zien hoe monniken daar leefden. Hij bewonderde hun gebed en hun zelfbeheersing. Ze droegen, schreef hij met de woorden van Paulus, het sterven van Jezus mee in hun lichaam: Wij dragen altijd het sterven van de Heere Jezus in het lichaam mee (2 Korinthe 4:10).
Zijn jongere broer Gregorius van Nyssa vertelt het anders, of liever: hij vertelt wie er achter dat ontwaken stond. In zijn levensbeschrijving van hun zus Macrina schrijft hij dat Basilius van school terugkwam “bovenmate opgeblazen door trots op zijn welsprekendheid” (vrij vertaald). Macrina nam hem onder handen. Ze trok hem zo snel naar het leven van gebed en eenvoud dat hij zijn roem liet varen en met zijn handen ging werken. Andere schrijvers wijzen ook op de invloed van Eustathius van Sebaste, een leider van een ascetische beweging in Klein-Azië, met wie Basilius later zou breken.
Het opvallende is dat Basilius zelf zijn zus in die brief niet noemt. Gregorius van Nyssa schreef als broer, met grote bewondering voor Macrina. Waarschijnlijk hebben ze allebei gelijk, elk vanuit hun eigen kant. Over Macrina vertel ik meer in een eigen hoofdstuk.
Kun jij aanwijzen wie jou ooit wakker schudde? Soms is dat iemand die heel dichtbij woont.
Rond deze tijd werd Basilius gedoopt, waarschijnlijk door bisschop Dianius van Caesarea.
EEN HUIS AAN DE IRIS
Rond 358 trok Basilius zich terug op een stuk land van de familie bij Annesi, aan de rivier de Iris in Pontus. Zijn moeder en Macrina woonden in de buurt met een groep vrouwen. Basilius stichtte er met andere mannen een gemeenschap.
Hij schreef Gregorius een brief om hem over te halen. Hij beschreef een afgelegen plek met maar één toegang. Het mooiste wat het land opleverde, vond hij, was rust. Gregorius kwam een tijd. Samen maakten ze een bloemlezing uit de werken van Origenes, een Bijbeluitlegger uit de derde eeuw, die ze de Philocalia noemden.
Hier begon Basilius na te denken over hoe monniken moesten leven. In Egypte had hij kluizenaars gezien die alleen in de woestijn woonden. Hij bewonderde ze, en hij zag ook een gevaar. In zijn latere Grote Regels stelt hij de vraag of iemand die de wereld verlaat beter alleen kan leven of samen met broeders. Zijn antwoord is helder: samen. Wie alleen leeft, heeft niemand die hem corrigeert, en hij kan veel geboden niet doen, zoals gastvrijheid en het voeden van hongerigen. Hij verwees naar Prediker, waar staat: Maar wee die ene die valt, terwijl er geen tweede is om hem overeind te helpen (Prediker 4:10). En hij stelde de kluizenaar een vraag die blijft hangen: “Wie zal je dan wassen? Wie zal je dienen?” (vrij vertaald). De vraag verwijst naar Jezus, die de voeten van Zijn leerlingen waste.
Gregorius van Nazianze schreef later dat Basilius het leven van de kluizenaar en het leven in gemeenschap samenbracht, zodat ze elkaar niet meer in de weg zaten. Die regels heten de Kleine en de Grote Regels. Via een Latijnse vertaling van Rufinus kwamen ze aan het eind van de vierde eeuw ook in het Westen. Paus Benedictus XVI zei in 2007 dat Benedictus van Nursia, de vader van de westerse kloosters, Basilius als zijn leraar zag.
EEN TWEEDE JOZEF
Basilius bleef niet in zijn bergdal. Hij werd diaken en daarna priester in Caesarea. Over het jaar van zijn priesterwijding verschillen de bronnen: 363, 364 of 365. Er was spanning met zijn bisschop, Eusebius, en Basilius trok zich een tijd terug naar Pontus. In 365 kwam hij terug, en vanaf dat moment deed hij een groot deel van het werk in het bisdom.
Rond 368 trof een zware hongersnood Cappadocië. Gregorius noemt het de ergste die ooit was opgetekend. Caesarea lag landinwaarts en kon nergens hulp vandaan halen. Volgens Gregorius bracht Basilius de hongerigen bij elkaar, gaf ze te eten en verzorgde ze, naar het voorbeeld van Jezus die de voeten van Zijn leerlingen waste. Gregorius noemt hem een tweede Jozef, de man uit Genesis die in Egypte graan uitdeelde. Met één verschil: Jozef verkocht het graan, Basilius gaf het weg.
Uit dezelfde jaren hebben we preken van Basilius zelf. Hij preekte over de hongersnood en over de rijken die hun schuren vol hadden terwijl anderen omkwamen. Hij hield zijn hoorders voor dat het brood dat de rijke vasthoudt, eigenlijk van de hongerige is. Het zijn harde preken.
BISSCHOP, NIET ZONDER MOEITE
In 370 stierf bisschop Eusebius. Basilius werd zijn opvolger, volgens de overlevering op 14 juni. Het ging niet vanzelf. Gregorius schrijft dat het niet zonder moeite ging en dat andere bisschoppen hem tegenwerkten. Gregorius’ eigen vader, oud en ziek, liet zich naar Caesarea brengen om zijn stem uit te brengen.
Als bisschop van Caesarea was Basilius ook metropoliet: hij had leiding over de bisschoppen van een groot gebied in Klein-Azië. Dat maakte hem belangrijk voor de keizer.
Die keizer was Valens. Hij regeerde sinds 364 over de oostelijke helft van het rijk. Hij was christen, maar hij steunde een groep die de Zoon “gelijk aan” de Vader noemde, zonder de woorden van Nicea. Moderne historici zien in hem vooral een heerser die rust in het rijk wilde. Voor bisschoppen die aan Nicea vasthielden, betekende zijn beleid druk, en soms verbanning. In de eerste jaren van Basilius’ bisschopsambt kwam die druk naar Caesarea. Daar komt de scène met Modestus vandaan, waarmee dit hoofdstuk begon.
BROOD EN ZOUT
Wat bedoelde Basilius toen hij zei dat hij niets had om af te nemen? Gregorius beschrijft hoe hij leefde. Hij had één tuniek en een versleten mantel. Hij sliep op de grond. Zijn lievelingsmaal was brood met zout. Sozomenus schrijft dat Basilius tegen de prefect zei dat hij niets bezat dan een mantel en een paar boeken.
Ik weet dat dit uit een lofrede komt, en lofredes maken mensen graag groter. Maar Basilius kwam uit een rijke familie, en dat hij zijn bezit had weggegeven, past bij wat hij zelf over zijn bekering schreef. Het antwoord aan Modestus was dus geen pose. Een man die al alles had losgelaten, kon niet meer gechanteerd worden.
Volgens Gregorius meldde de prefect aan de keizer dat deze bisschop met geen dreiging te breken was. Valens verbood toen geweld tegen hem. Op het feest van Epifanie, het feest van Jezus’ verschijning, kwam de keizer zelf naar de kerk in Caesarea. Hij stond met zijn gevolg tussen het volk. Gregorius beschrijft hoe Basilius onbewogen voorging terwijl de gemeente zong. Toen Valens zijn gave naar de tafel van het avondmaal bracht, wankelde hij, en iemand moest hem ondersteunen. Sozomenus vertelt alleen dat de keizer gaven bij het altaar bracht en daarna met Basilius sprak, en dat hij hem prees om de orde in zijn kerk.
HET KIND VAN DE KEIZER
Dan komt een verhaal waarin de bronnen uit elkaar lopen. Het is goed om dat eerlijk te laten zien.
Gregorius van Nazianze, de vroegste bron, vertelt dat het kind van de keizer ziek werd. Toen Basilius kwam, nam de ziekte af. Socrates, een kerkhistoricus die rond 439 schreef, vertelt dat de keizerin Dominica onrustige dromen had en dacht dat de ziekte een straf was voor wat haar man Basilius aandeed. Basilius zei volgens hem dat het kind zou leven als de kerk weer één werd. Kort daarna stierf het kind. Sozomenus noemt de zoon bij naam, Galates, en laat hem sterven. Daarna vertelt hij over een zoon van de keizer die ernstig ziek werd en opknapte toen Basilius kwam. Theodoretus, rond 450, zegt dat Basilius herstel beloofde als de jongen door rechtgelovigen gedoopt werd. Valens liet hem door ariaanse geestelijken dopen, en de jongen stierf.
Theodoretus heeft er nog een verhaal bij. Valens zou een bevel tot verbanning van Basilius hebben willen tekenen. De pen brak. Een tweede pen brak, en een derde. Toen scheurde de keizer het papier met beide handen kapot.
Dat verhaal over de pennen duikt pas zeventig jaar na Basilius’ dood op, en Gregorius, die hem goed kende, vertelt het niet. Ik breng het als wat het is: een overlevering die zich om hem heen vormde. Wat de bronnen wel gemeen hebben, is dit: Valens dreigde met verbanning, en Basilius bleef in Caesarea.
DE NIEUWE STAD
Ondertussen bouwde Basilius. Vlak buiten Caesarea verrees vanaf ongeveer 369 een complex dat later naar hem genoemd werd, de Basilias. In een brief aan Elias, de stadhouder van de provincie, legt Basilius zelf uit wat hij aan het maken was. Er kwam een kerk, met een woning voor de bisschop en ruimte voor zijn helpers. Er kwamen onderkomens voor vreemdelingen, voor reizigers en voor zieken die verzorging nodig hadden. Er waren artsen, er was vervoer, en er waren werkplaatsen waar mensen een vak konden leren om in hun levensonderhoud te voorzien. In brieven uit 373 schrijft hij over het hospitaal en de kerk ernaast als iets dat al bestaat.
Gregorius van Nazianze noemt het de nieuwe stad, een voorraadschuur van vroomheid, waar de rijken samen hun geld in staken. Hij beschrijft vooral de lepralijders. Zij werden in die tijd uit hun huizen verdreven en gemeden als levende lijken. Basilius groette hen als broeders. Gregorius verdedigt hem later tegen het verwijt dat hij hoogmoedig was: hoe kan iemand hoogmoedig zijn die melaatsen kuste?
De Amerikaanse arts Thomas Heyne schreef in 2015 dat de Basilias waarschijnlijk het eerste echte ziekenhuis was: een plek waar zieken bleven, waar vakkundige verzorgers werkten, en waar het niets kostte. Hij oordeelt als historicus van de geneeskunde, en het hangt af van hoe je ziekenhuis definieert. Vast staat dat zulke christelijke instellingen zich in de eeuw daarna snel verspreidden. Basilius’ studie van de geneeskunde in Athene vond hier een plek.
SASIMA
Basilius kon hard zijn, ook voor vrienden. In die jaren lag hij overhoop met Anthimus, de bisschop van Tyana, een andere stad in Cappadocië, over het gezag in de provincie. Om zijn positie te versterken, wijdde Basilius in 372 zijn vriend Gregorius tot bisschop van Sasima, een klein plaatsje in Cappadocië.
Gregorius wilde dat niet. Hij noemde Sasima later een akelig gat. Hij voelde zich gebruikt als pion in een strijd die niet de zijne was, en hij deed er weinig. De vriendschap uit Athene koelde af. Wel hield Gregorius na Basilius’ dood de lofrede waaruit we het meeste over hem weten.
Er waren meer breuken. Eustathius van Sebaste, de ascetische leider die Basilius ooit had bewonderd, werd een tegenstander. De brief waarin Basilius zijn eigen bekering beschrijft, schreef hij juist om zich tegen Eustathius te verdedigen. En in 371 verweten strenge monniken hem dat hij de Heilige Geest niet openlijk “God” noemde. Athanasius van Alexandrië, de oude strijder voor Nicea, nam het toen voor hem op.
Ik schrijf dit niet om hem kleiner te maken. Wie in die jaren een kerk leidde, stond tussen keizers, bisschoppen en monniken die elkaar wantrouwden. Basilius maakte fouten in die strijd, en zijn beste vriend heeft daaronder geleden.
“MET DE ZOON, SAMEN MET DE HEILIGE GEEST”
Het verwijt over de Heilige Geest liet hem niet los. Rond 375 schreef hij een boek aan zijn vriend Amphilochius. Het heet Over de Heilige Geest.
De aanleiding klinkt klein. Als Basilius met zijn gemeente bad, sloot hij af met een lofprijzing in twee vormen: eer aan de Vader door de Zoon in de Heilige Geest, en eer aan de Vader met de Zoon samen met de Heilige Geest. Critici vonden die tweede vorm nieuw. Basilius schreef dat kleine woorden in het geloof grote gevolgen hebben. Wie de Geest alleen “in” of “door” noemt en nooit “met”, maakt Hem tot iets minders dan de Vader en de Zoon. De eer van Vader en Zoon is gemeenschappelijk, schreef hij, en de Geest mag je niet van hen losmaken. Je kunt de Zoon niet aanbidden zonder de Geest.
Twee jaar na zijn dood, in 381, kwam in Constantinopel een concilie bijeen. Het voegde aan de geloofsbelijdenis van Nicea een stuk over de Heilige Geest toe: Hij wordt met de Vader en de Zoon aanbeden en verheerlijkt. Historici zien daarin de invloed van Basilius, zijn broer Gregorius van Nyssa en zijn vriend Gregorius van Nazianze, die samen de Cappadociërs worden genoemd.
Basilius schreef meer: preken over de zes scheppingsdagen, brieven en boeken tegen de theoloog Eunomius. Hij liet ook een avondmaalsgebed na dat zijn naam draagt.
JANUARI 379
Op 9 augustus 378 sneuvelde keizer Valens in een veldslag tegen de Goten bij Adrianopel, nu Edirne in Turkije. Basilius overleefde hem maar een paar maanden. Hij stierf volgens de overlevering op 1 januari 379 in Caesarea, nog geen vijftig jaar oud. Over de precieze datum verschillen historici van mening.
Zijn vriend Gregorius was ziek en kon niet naar de begrafenis komen. Volgens de Catholic Encyclopedia werd zijn dood gevoeld als een verlies voor de hele stad, en kwamen ook Joden, heidenen en vreemdelingen hem eer bewijzen. Zijn zus Macrina stierf een half jaar later, in de zomer van 379. Haar broer Gregorius van Nyssa schreef dat ze diep bedroefd was om zo’n groot verlies.
In de oosterse kerken wordt Basilius op 1 januari herdacht, en op 30 januari samen met Gregorius van Nazianze en Johannes Chrysostomus als een van de drie grote kerkleraars. De Rooms-Katholieke Kerk gedenkt hem sinds 1969 op 2 januari, samen met Gregorius van Nazianze. De twee vrienden die het in Sasima niet meer eens werden, staan zo op dezelfde dag op de kalender. De Church of England houdt dezelfde datum aan. Lutheranen in Amerika gedenken hem op 10 januari.
Wat bleef er van de bisschop die zei dat hij niets had? Een stapel boeken, een regel voor monniken, een gebed met zijn naam. En vlak buiten de stad die nu Kayseri heet, stond een nieuwe stad waar lepralijders binnen mochten komen en als broeders werden gegroet.
Wat vaststaat en wat verteld wordt
Vaststaat (meerdere onafhankelijke bronnen): geboorte rond 329 of 330 in Caesarea in Cappadocië (nu Kayseri); de familie met Macrina, Gregorius van Nyssa en Petrus; studie in Caesarea, Constantinopel en Athene en de vriendschap met Gregorius van Nazianze; de monastieke gemeenschap bij Annesi in Pontus; bisschop van Caesarea vanaf 370; de druk van keizer Valens en zijn prefect Modestus; de bouw van de Basilias (zijn eigen brieven 94, 150 en 176 en Gregorius’ lijkrede); de Kleine en Grote Regels; Over de Heilige Geest (rond 375); de breuk met Gregorius over Sasima (372); dood in 379.
Alleen uit eigen getuigenis of latere overlevering: zijn bekering als “ontwaken” (zijn eigen brief 223, zo’n twintig jaar later); de rol van Macrina (alleen haar broer Gregorius van Nyssa); de grootouders in de bossen van Pontus (alleen via Gregorius van Nazianze); het letterlijke gesprek met Modestus (lijkrede van Gregorius, later overgenomen); het wankelen van Valens bij Epifanie; zijn kleding, slaapplaats en brood met zout (lofrede).
Onbevestigd: het verhaal van de drie gebroken pennen (pas bij Theodoretus, rond 450); wat er precies met de zoon van Valens gebeurde (de bronnen spreken elkaar tegen); de precieze datum van zijn dood en van zijn priesterwijding.
Duiding: of de Basilias het eerste ziekenhuis was, hangt af van de definitie; dat oordeel is van moderne historici, niet van de bronnen zelf.
Bronnen bij dit hoofdstuk
- Gregorius van Nazianze, Oratie 43, lijkrede op Basilius (New Advent)
- Gregorius van Nazianze, Oratie 43 (St-Takla, NPNF2-07)
- Gregorius van Nazianze, Oratie 43 (Tertullian Project, NPNF2-07)
- Gregorius van Nyssa, Leven van Macrina
- Basilius, Brief 223
- Basilius, Brief 14 aan Gregorius
- Basilius, Brief 94 aan Elias
- Basilius, Grote Regels
- Basilius, Over de Heilige Geest
- Socrates, Kerkgeschiedenis 4.26
- Sozomenus, Kerkgeschiedenis boek 6
- Theodoretus, Kerkgeschiedenis boek 4
- Catholic Encyclopedia (1907), St. Basil the Great
- Britannica, Saint Basil the Great
- Benedictus XVI, algemene audiëntie 4 juli 2007
- Thomas Heyne, Hektoen International (2015), over de Basilias
- Orthodox Outlet for Dogmatic Enquiries, over de Basilias
- Mystagogy Resource Center, over Basilius’ preken in de hongersnood
- Wikipedia, Basil of Caesarea
- Wikipedia, Gregory of Nazianzus
- Wikipedia, Macrina the Younger
- Wikipedia, Valens
- Wikipedia, First Council of Constantinople