Het was het jaar 386, in de stad Milaan. Het keizerlijk hof wilde een kerk in handen krijgen. Binnen zaten gewone christenen, dag en nacht. Ze weigerden naar huis te gaan. Een van hen was een Afrikaanse weduwe, Monica. Haar zoon Augustinus, toen nog geen christen, schreef er ruim tien jaar later over. De gelovigen hielden de wacht in de kerk, “bereid om met hun bisschop te sterven”, zo schrijft hij (vrij vertaald). Zijn moeder hoorde bij wie het meest waakten en baden.
Om de mensen wakker en moedig te houden, gebeurde er iets nieuws. Ze gingen zingen. Hymnen en psalmen, in beurtzang, “naar de wijze van de Oosterse kerk”, schrijft Augustinus. Hij voegt eraan toe dat die gewoonte bleef en dat bijna alle gemeenten in de wereld haar overnamen.
De man om wie het ging, was de bisschop van de stad, Ambrosius. Twaalf jaar eerder was hij nog gouverneur geweest, een ambtenaar van de keizer, en nog niet eens gedoopt. Nu stond hij tegenover het keizerlijk hof. Hij zou een keizer tot boete brengen, een jonge leraar uit Afrika dopen die we kennen als Augustinus, en liederen schrijven die bewaard zijn gebleven. Hij zou ook dingen schrijven waar je als lezer van nu van schrikt.
Het begon bij een wieg in het noorden van het rijk.
BIJEN OP EEN WIEG
Ambrosius werd rond 339 of 340 geboren, waarschijnlijk in Augusta Treverorum, het huidige Trier in Duitsland. In die tijd was het de hoofdstad van de provincie Gallia Belgica. Arles en Lyon in Frankrijk hebben hem later ook als zoon van hun stad opgeëist, dus helemaal zeker is de plaats niet.
Zijn vader heette ook Ambrosius. Hij was prefect van Gallië, de hoogste bestuurder van een gebied dat Frankrijk, Spanje en Brittannië omvatte. Of hij die functie zelf had of een hoge post in dat bestuur, daarover verschillen historici van mening. Het gezin was christelijk. Er was een oudere zus, Marcellina, en een broer, Satyrus. Na de dood van de vader verhuisde de moeder met de kinderen naar Rome.
De wereld van deze kinderen was een andere dan die van de martelaren uit deel 1. Sinds keizer Constantijn, in het begin van de vierde eeuw, waren christenen niet meer vervolgd. Keizers bouwden kerken. Wie in het bestuur carrière wilde maken, kon dat als christen doen. Maar de kerk was diep verdeeld. Een grote groep volgde de leer van Arius, een priester uit Alexandrië die leerde dat de Zoon minder was dan de Vader. Het concilie van Nicea had dat in 325 afgewezen. Maar de strijd ging door, en ook in Milaan was de bisschop een ariaan.
Er is een bekend verhaal over de kleine Ambrosius. Hij lag als baby te slapen in zijn wieg, toen een zwerm bijen zich op zijn mond zette. Zijn vader zou gezegd hebben dat dit kind, als het bleef leven, iets groots zou worden. Het verhaal komt van Paulinus, zijn latere secretaris, die het leven van Ambrosius pas rond 422 opschreef, een kwart eeuw na diens dood. Het is een verhaal uit een heiligenleven. Of het echt zo gebeurde, weet niemand.
EEN GOUVERNEUR IN MILAAN
Vaster grond hebben we bij zijn opleiding. In Rome leerde Ambrosius Grieks en las hij de Griekse literatuur. Daarna studeerde hij rechten. Hij werd advocaat aan het hof van Anicius Probus, een machtige prefect. Probus zorgde ervoor dat hij rond 372 gouverneur werd van Ligurië en Emilia, een groot gebied in Noord-Italië. Zijn zetel was Milaan.
In Milaan woonden in die jaren vaak keizers, met hun hof. Wie daar gouverneur was, stond dicht bij de macht.
Volgens Paulinus gaf Probus de jonge gouverneur een raad mee bij zijn vertrek. Hij moest zijn werk doen als een bisschop, en niet als een rechter. Achteraf leek dat een voorspelling, en zo vertelt Paulinus het ook.
EEN KINDERSTEM IN DE KERK
In 374 stierf de bisschop van Milaan, Auxentius. Hij was ariaans geweest. Nu moest er een opvolger komen, en beide partijen wilden hun eigen man. Er dreigde een rel. Ambrosius ging als gouverneur naar de kerk om de orde te bewaren. Hij sprak de menigte toe.
Wat er toen gebeurde, kennen we vooral uit Paulinus. Midden in zijn toespraak klonk de stem van een kind: “Ambrosius bisschop!” De hele menigte nam het over. Ambrosius was nog niet eens gedoopt. Hij was catechumeen, iemand die zich op de doop voorbereidde, maar dat moment nog had uitgesteld.
Paulinus beschrijft uitgebreid hoe hij zich probeerde los te maken. Hij vluchtte zelfs de stad uit. Het hielp niets. De keizer, Valentinianus I, bevestigde de keuze. Ambrosius gaf zich gewonnen. Hij wilde wel gedoopt worden door een priester die bij Nicea hoorde. Acht dagen na zijn doop werd hij tot bisschop gewijd, op 7 december 374.
Het verhaal van de kinderstem staat alleen bij Paulinus. Ambrosius zelf schreef er nooit over. Wel schreef hij jaren later, in een boek voor zijn priesters, hoe hij van de rechterstoel en uit zijn ambtskleding werd weggehaald om priester te worden. “Zo begon ik te onderwijzen voordat ik zelf had geleerd”, schreef hij (vrij vertaald). Hij moest dus leren en lesgeven tegelijk.
Ik vind dat een eerlijke zin. Een bisschop die toegeeft dat hij achterliep. Ken jij dat gevoel, dat je ergens in wordt gezet waar je je niet klaar voor voelt?
DE BISSCHOP DIE IN STILTE LAS
Hij verkocht zijn landgoederen en zijn goud en zilver, en gaf de opbrengst aan de armen. Een deel hield hij apart voor zijn zus Marcellina, die als godgewijde maagd leefde. Zijn broer Satyrus gaf zijn eigen loopbaan op en ging voor de zaken van Ambrosius zorgen. Toen Satyrus stierf, hield Ambrosius een lijkrede voor hem, die bewaard is gebleven.
Hij leefde sober, vastte, bad een groot deel van de nacht en las. Hij las de Bijbel en de Griekse kerkvaders, die hij in hun eigen taal kon lezen. Zo bracht hij veel van hun denken naar de Latijnse kerk. Hij preekte vaak en gaf veel tijd aan de catechumenen.
Augustinus, die in 384 in Milaan kwam wonen, zag hem van dichtbij. In het hoofdstuk over Augustinus in deel 1 lees je hoe hij Ambrosius aantrof: lezend, met zijn ogen over de bladzijden en zijn mond gesloten. Wie bij hem binnenkwam, durfde hem vaak niet te storen. Zoveel mensen kwamen met hun zorgen bij de bisschop, dat er weinig tijd voor een jonge zoeker overbleef.
EEN ALTAAR IN DE SENAAT
Ambrosius werd bisschop in een woelige tijd voor het rijk. In 383 werd de jonge keizer Gratianus vermoord door een generaal die zichzelf tot keizer had uitgeroepen, Maximus. In het Westen bleef Valentinianus II over, een jongen nog, met zijn moeder Justina naast zich. Ambrosius reisde als gezant naar Maximus om te onderhandelen. In het Oosten regeerde Theodosius, een sterke keizer die Nicea-trouw was.
Ondertussen stond in Rome een vraag op tafel die heel symbolisch was. In het senaatsgebouw had een altaar gestaan voor Victoria, de godin van de overwinning. Gratianus had in 382 de staatssteun voor de oude heidense godsdiensten stopgezet, en het altaar was verdwenen. Na zijn dood vroeg de prefect Symmachus, een vooraanstaande heiden, aan Valentinianus II om het altaar terug te zetten en de offers weer te betalen.
Ambrosius schreef de jonge keizer twee brieven. Een christelijke keizer, betoogde hij, kon zoiets niet besluiten zonder heiligschennis. Het verzoek werd afgewezen. Je kunt dit lezen als een strijd om godsdienstvrijheid, en dan sta je misschien eerder aan de kant van Symmachus. Je kunt het ook lezen als de vraag of de staat heidense offers moest betalen. Voor Ambrosius was het antwoord helder: nee.
“DE PALEIZEN ZIJN VAN DE KEIZER”
Het grootste conflict kwam van dichtbij. Keizerin Justina was ariaans, net als een groot deel van het hof in Milaan. Ze wilde een kerk in de stad voor de ariaanse eredienst. In de lente van 385 of 386 (de bronnen verschillen) liet het hof weten dat Ambrosius een basiliek moest afstaan. Eerst ging het om de nieuwe, grote basiliek binnen de muren. Later, als tussenoplossing, om de Portiaanse basiliek buiten de muren.
Ambrosius weigerde. Wat er in die Goede Week gebeurde, beschreef hij zelf in een lange brief aan zijn zus Marcellina. De kooplieden van de stad kregen een boete van tweehonderd pond goud, te betalen binnen drie dagen. Graven en tribunen, hoge officieren, kwamen bij hem aandringen. Voor de dageraad omsingelden soldaten de kerk. Ambrosius bleef in de oude basiliek en de mensen bleven bij hem.
Hij schreef dat hij zijn bezit en zelfs zijn lichaam zou geven als de keizer dat vroeg. Wat van God was, gaf hij niet. Hij citeerde de woorden van Jezus: Geef dan aan de keizer wat van de keizer is, en aan God wat van God is. (Mattheüs 22:21) En hij vatte het samen in één zin: “De paleizen zijn van de keizer, de kerken van de bisschop” (vrij vertaald).
Daarna gebeurde er iets opvallends. Soldaten die rond de kerk stonden, kwamen naar binnen en baden met de gelovigen mee. In de dienst werd uit het boek Job gelezen, en Ambrosius vergeleek zijn gemeente met de beproefde Job. De volgende dag werd Jona gelezen. Op de dag dat de Heer werd overgeleverd, zo schreef hij, kwam het bericht dat de keizer de soldaten terugtrok en de boetes kwijtschold.
Een bisschop die zijn eigen overwinning beschrijft, kijkt natuurlijk door zijn eigen ogen. Maar de kern van zijn verhaal bevestigt Augustinus, die toen in de stad woonde.
ZINGEN TEGEN DE ANGST
In 386 laaide het conflict weer op. Het hof had nu een eigen ariaanse bisschop, die zich ook Auxentius noemde. Ambrosius en zijn gemeente sloten zich opnieuw op in de kerk. Dit is de belegering waarmee dit hoofdstuk begon, de nachten waarin Monica waakte.
Om de lange uren door te komen, liet Ambrosius zingen. Zijn latere biograaf Paulinus schrijft dat beurtzang, hymnen en nachtwaken toen in de kerk van Milaan begonnen, en zich van daar over het hele Westen verspreidden. Augustinus zegt in feite hetzelfde. Ambrosius schreef zelf de teksten. Vier hymnen worden hem door Augustinus toegeschreven, en daarover zijn geleerden het eens. Een ervan is Aeterne rerum conditor, “Eeuwige Schepper van alle dingen”, een lied voor het aanbreken van de dag. Een andere is Deus creator omnium, “God, Schepper van alles”.
Wat ze met Augustinus deden, weten we. Na zijn doop, schrijft hij, huilde hij bij de hymnen en gezangen van de kerk. En toen zijn moeder een jaar later stierf, lag hij alleen op bed en kwamen de verzen van Deus creator omnium in zijn gedachten. Hij sliep in, en toen hij wakker werd, was zijn verdriet een stuk minder.
De melodieën die we nu Ambrosiaans noemen, zijn niet aantoonbaar van hem. Het beroemde Te Deum, dat vaak aan hem werd toegeschreven, is ook niet van zijn hand. Maar dat een hele gemeente samen zingt, in een vaste beurt van groep tegen groep, is mede door hem in de Latijnse kerk gewoon geworden.
TWEE GRAVEN ONDER HET KOORHEK
In diezelfde maanden gebeurde er nog iets, dat Ambrosius weer zelf aan zijn zus beschreef. Hij wilde een nieuwe kerk inwijden, en de mensen vroegen of dat kon met relieken van martelaren, zoals in Rome. Ambrosius beloofde het, als hij ze vond. Toen kwam er, zo schreef hij, een soort profetische gloed in zijn hart.
Hij liet graven voor het koorhek in de kerk van de martelaren Felix en Nabor. Zijn geestelijken waren er bang voor. Ze vonden twee mannen van ongewone lengte, met alle botten intact en veel bloed. Volgens Ambrosius waren het de martelaren Gervasius en Protasius. De lichamen werden een nacht bewaard in de basiliek van Fausta en de volgende dag overgebracht naar de nieuwe kerk, die nu Sant’Ambrogio heet.
Bij die overbrenging, schrijft Ambrosius, kreeg een blinde man zijn zicht terug. Hij heette Severus en was slager. Hij had de doek aangeraakt die over de relieken lag. Augustinus vertelt hetzelfde, en zegt dat Ambrosius de plek in een visioen was getoond. De arianen spotten ermee. Dit zijn geen martelaren, zeiden ze, en de genezingen zijn niet echt.
Hier heb je twee ooggetuigen uit dezelfde stad, en allebei aan één kant. Van een onafhankelijk onderzoek is natuurlijk geen sprake. Ik vertel het zoals zij het vertelden. Of het een wonder was, is een vraag die jij zelf moet wegen.
In de jaren 384 tot 387 zat de jonge redenaar Augustinus geregeld onder zijn preken. In de paasnacht van 387 werd hij in Milaan gedoopt, samen met zijn vriend Alypius en zijn zoon Adeodatus. Volgens de vaste overlevering was het Ambrosius die hem doopte. Augustinus noemt in zijn Belijdenissen de naam van de doper niet.
Hoe dat ging, lees je in deel 1. Ambrosius kon niet weten hoe groot de invloed van deze ene man op de westerse kerk zou worden.
EEN SYNAGOGE AAN DE EUFRAAT
Nu kom ik bij een deel van zijn leven waar ik niet omheen wil.
In 388 versloeg keizer Theodosius de usurpator Maximus. Daarna was hij een tijd in Milaan. In datzelfde jaar kwam er een bericht uit Callinicum, een stad aan de Eufraat, nu Raqqa in Syrië. Christenen hadden daar een synagoge in brand gestoken, aangespoord door hun bisschop. Elders hadden monniken een kapel van een christelijke sekte afgebrand. Theodosius gaf opdracht de daders te straffen, en de bisschop moest de synagoge op eigen kosten laten herbouwen.
Ambrosius schreef hem een brief, en die brief is bewaard. Hij vond dat een bisschop niet gedwongen mocht worden een gebedshuis voor een ander geloof te bouwen. Dan moest die bisschop afvallen of martelaar worden. Hij ging nog verder. Hij schreef dat hij zelf verklaarde de synagoge in brand te hebben gestoken, of opdracht te hebben gegeven. Dat was retoriek, want hij was er niet bij. Maar hij keurde de brand nergens af. Hij noemde de synagoge “een huis van ongeloof” (vrij vertaald). Hij wees erop dat onder keizer Julianus kerken door joden waren verbrand, zonder straf. En hij schreef dat het recht moest wijken voor de godsdienst.
Toen Theodosius niet direct toegaf, preekte Ambrosius in de kerk waar de keizer zat. Na afloop zei de keizer tegen hem: “U hebt over mij gesproken” (vrij vertaald). Ambrosius ging niet naar het altaar om de eucharistie te vieren. Hij bleef staan tot de keizer beloofde het hele onderzoek te stoppen. Pas toen ging hij verder. Aan zijn zus schreef hij dat alles was gegaan zoals hij wilde.
Ik schrijf dit met een zwaar gevoel. Een joodse gemeenschap in Syrië verloor haar gebedshuis, en de man die we in dit boek als getuige van God eren, zorgde ervoor dat de bisschop het niet hoefde te herstellen en dat het onderzoek naar de daders werd stopgezet. Moderne historici schrijven dat Ambrosius hier naar huidige maatstaven een bullebak en een onverdraagzaam man lijkt. Andere onderzoekers wijzen erop dat hij elders met respect over joodse geleerden schreef, zoals Philo van Alexandrië. Beide dingen zijn waar. Wie uit welke kerk dan ook naar Ambrosius kijkt, moet ook deze brief lezen.
“IK DURF HET OFFER NIET TE BRENGEN”
Twee jaar later stond Ambrosius opnieuw tegenover Theodosius, en deze keer aan de kant van de slachtoffers.
In Thessalonica, het huidige Thessaloniki in Griekenland, was in 390 een legeraanvoerder door een woedende menigte vermoord. Zijn naam was Butheric. Volgens de kerkhistoricus Sozomenus, de enige die het vertelt, had hij een populaire wagenmenner laten oppakken. Theodosius nam wraak. Zijn soldaten richtten een bloedbad aan onder de bevolking. Hoeveel mensen er stierven, is niet zeker. De Griekse kerkhistoricus Theodoretus, die rond 450 schreef, zegt dat er zevenduizend zouden zijn omgekomen. Hij brengt het zelf als iets wat verteld werd.
Ambrosius had tevoren voor de stad gepleit, zo schreef hij later, maar hij was buitengesloten van de raad van de keizer. Na het bloedbad verliet hij Milaan. Hij was ziek, schreef hij. Vanuit de verte stuurde hij de keizer een brief, met eigen hand geschreven en alleen voor diens ogen bestemd.
Het is een opvallend tedere brief. Hij noemt de daad iets waarvan geen gelijke bekend is. Hij herinnert de keizer aan koning David, die na een zware zonde door de profeet Nathan werd aangesproken en zijn schuld beleed: Ik heb gezondigd tegen de HEERE (2 Samuel 12:13). Hij roept Theodosius op tot berouw, met tranen. Daarna schrijft hij de zin waar het om draait: “Ik durf het offer niet te brengen als u aanwezig wilt zijn” (vrij vertaald). Zolang de keizer geen boete deed, zou Ambrosius in zijn bijzijn de eucharistie niet vieren. Hij sluit af met zijn liefde en zijn gebed.
Theodosius gaf toe. Hij deed openlijk boete, kwam zonder zijn keizerlijk gewaad naar de kerk, en werd met Kerst weer tot de communie toegelaten. Augustinus noemt die boete kort in zijn grote werk De stad van God. Volgens sommige historici duurde ze ongeveer acht maanden.
Je hebt misschien een ander beeld van deze gebeurtenis, met Ambrosius die de keizer in de deuropening van de kerk tegenhoudt en hem met harde woorden wegstuurt. Dat verhaal komt van Theodoretus, zestig jaar later. Moderne historici noemen die scène een stichtelijk verzinsel. In de brief van Ambrosius zelf staat geen deur en geen openbare vernedering. Er staat een bisschop die zijn keizer in een privébrief op zijn geweten aanspreekt, en hem een weg terug wijst.
ARMEN GESPREID ALS EEN KRUIS
Toen Theodosius stierf, hield Ambrosius de lijkrede. In 397 werd hij zelf ziek.
Over zijn laatste dagen schreef Paulinus, die erbij was. Op de middag voor zijn dood, rond vijf uur, lag Ambrosius op bed te bidden met zijn armen gespreid in de vorm van een kruis. Paulinus en de anderen zagen zijn lippen bewegen, maar hoorden zijn stem niet. Honoratus, de bisschop van Vercelli, sliep boven in het huis. Volgens Paulinus werd hij door een stem gewekt die hem zei op te staan, want Ambrosius ging sterven. Hij kwam naar beneden en gaf hem de eucharistie. Kort daarna stierf Ambrosius.
Dat was in de nacht van 3 op 4 april 397, de nacht van Goede Vrijdag op Stille Zaterdag. Hij was ongeveer zevenenvijftig jaar oud. Op paasmorgen werd hij begraven in de kerk die hij had gebouwd, naast Gervasius en Protasius. Zijn lichaam ligt er nog steeds, in de Sant’Ambrogio in Milaan.
Augustinus vertelt over een zin die Ambrosius in zijn laatste dagen zou hebben gezegd. Hij was niet bang om te sterven, “want wij hebben een goede Heer” (vrij vertaald).
In de rooms-katholieke kerk geldt hij als een van de vier grote kerkleraren van het Westen, naast Hiëronymus, Augustinus en Gregorius.
DE HAAN IN DE NACHT
In Aeterne rerum conditor zingt Ambrosius over de haan die kraait in het donker. Bij dat geluid keert de hoop terug en krijgt de zeeman nieuwe kracht. Ook Petrus komt erin voor, die bij het kraaien van de haan zijn verloochening besefte. Het is een lied voor mensen die de nacht door moeten.
Ik denk aan die kerk in Milaan, met het hof tegenover zich en een moeder uit Afrika binnen. Ze wisten niet hoe het zou aflopen. Ze zongen. Ergens tussen hen stond een bisschop die twaalf jaar eerder nog niet gedoopt was, en die later dingen zou schrijven waar wij van schrikken. Hij leerde zijn gemeente samen zingen, en dat zingen ging verder, over de muren van de kerk heen.
Als in de vroege ochtend ergens een kerk vol mensen beurtelings een psalm zingt, klinkt die nacht in Milaan nog altijd een beetje mee.
Wat vaststaat en wat verteld wordt
Vaststaat (meerdere onafhankelijke bronnen): geboorte rond 339 of 340, waarschijnlijk in Trier; vader hoog bestuurder in Gallië; zus Marcellina en broer Satyrus; studie in Rome en gouverneurschap van Ligurië en Emilia rond 372; keuze tot bisschop in 374 na de dood van de ariaanse bisschop Auxentius, als ongedoopte catechumeen; wijding op 7 december 374; de strijd om de basilieken met keizerin Justina (385 en 386) en het waken van de gemeente in de kerk, met Monica erbij; de invoering van hymnen en beurtzang in Milaan; vier hymnen die door Augustinus aan hem worden toegeschreven; het afwijzen van het herstel van het Altaar van Victoria; de doop van Augustinus in de paasnacht van 387 in Milaan; zijn brieven over Callinicum (388) en zijn optreden tegenover Theodosius; het bloedbad in Thessalonica (algemeen gedateerd 390), zijn brief aan Theodosius en de openbare boete van de keizer; zijn dood op 4 april 397 in Milaan en zijn graf in Sant’Ambrogio.
Alleen uit eigen getuigenis of latere overlevering: de bijen op zijn wieg en de raad van Probus (Paulinus, rond 422); de kinderstem bij zijn verkiezing en zijn pogingen om te vluchten (Paulinus); de details van de Goede Week van 385 of 386 (zijn eigen brief aan Marcellina); de vondst van Gervasius en Protasius en de genezing van de blinde Severus (Ambrosius zelf en Augustinus, beiden betrokken); zijn uitspraak op het sterfbed en de stem die Honoratus wekte (Paulinus en Augustinus); dat Ambrosius Augustinus persoonlijk doopte (vaste overlevering; Augustinus noemt de doper in de Belijdenissen niet).
Onbevestigd: het aantal doden in Thessalonica (zevenduizend bij Theodoretus, als gerucht); de scène bij de kerkdeur (alleen Theodoretus, rond 450; door moderne historici als verzinsel gezien); de precieze duur van de boete; het exacte jaar van de eerste basiliekcrisis (385 of 386).
Duiding: of de genezingen bij de relieken een wonder van God waren, is een geloofsvraag. Over Callinicum oordelen historici hard; sommigen wijzen op een gemengd beeld, omdat hij elders met respect over joodse geleerden schreef. Zijn brief over de synagoge blijft wat hij is.
Bronnen bij dit hoofdstuk
- Catholic Encyclopedia, “St. Ambrose” (New Advent)
- Ambrosius, Brief 20 aan zijn zus (New Advent)
- Ambrosius, Brief 22 over Gervasius en Protasius (New Advent)
- Ambrosius, Brief 17 aan Valentinianus II (New Advent)
- Ambrosius, Brief 40 aan Theodosius over Callinicum (New Advent)
- Ambrosius, Brief 41 aan zijn zus (New Advent)
- Ambrosius, Brief 51 aan Theodosius (New Advent)
- Ambrosius, De officiis, boek 1 (New Advent)
- Augustinus, Belijdenissen, boek 9 (New Advent)
- Theodoretus, Kerkgeschiedenis, boek 5 (New Advent)
- Philip Schaff, History of the Christian Church III, “Ambrose” (CCEL)
- Nicene and Post-Nicene Fathers II/10, Prolegomena: Life of St. Ambrose (CCEL)
- Benedictus XVI, algemene audiëntie over Ambrosius, 24 oktober 2007 (Vaticaan)
- Patrick Boucheron, “La Vita Ambrosii ou le mentir vrai”, Collège de France 2016
- A. J. Christie, inleiding “Life of St. Ambrose” bij On Holy Virginity, 1843 (Internet Archive)
- Encyclopaedia Britannica, “Saint Ambrose”
- Wikipedia, “Ambrose”
- Wikipedia, “Massacre of Thessalonica”
- Wikipedia, “Paulinus the Deacon”
- Wikipedia, “Aeterne rerum conditor”