In het jaar 403 schreef Augustinus, bisschop van Hippo in Noord-Afrika, een brief over een kerkdienst die uit de hand was gelopen. Het gebeurde in Oea, het huidige Tripoli in Libië. Een bisschop daar had in de dienst voorgelezen uit een nieuwe Latijnse vertaling van het boek Jona. Bij één woord ging het mis. Jona zat onder een plant die God liet opschieten, en de gemeente kende die plant al jaren als een kalebas. In de nieuwe vertaling stond iets anders. Er ontstond tumult, vooral onder de Grieken in de kerk. Ze riepen dat de tekst vervalst was.
De bisschop vroeg de joden van de stad wat er in het Hebreeuws stond. Ze gaven de mensen gelijk, zo schreef Augustinus. De bisschop moest de oude lezing terugzetten, anders was hij zijn gemeente kwijtgeraakt.
De man achter die nieuwe vertaling woonde ver weg, in een klooster in Bethlehem. Hij heette Hiëronymus. Hij had de Hebreeuwse tekst van het Oude Testament zelf in het Latijn overgezet, en daarmee veel mensen tegen zich in het harnas gejaagd. Hij antwoordde Augustinus een jaar later met een lange brief, en die was niet vriendelijk.
Hiëronymus werd een van de grootste Bijbelgeleerden van de vroege kerk. Zijn vertaling werd eeuwenlang de Bijbel van West-Europa. Hij was ook een man met een vlijmscherpe pen, die vrienden verloor en vijanden maakte. Beide kanten horen bij zijn verhaal.
Het begon met een jongen die verliefd was op mooie zinnen.
EEN STADJE DAT DE GOTEN VERWOESTTEN
Over zijn afkomst schreef Hiëronymus zelf één zin, in een boek over christelijke schrijvers dat hij rond 392 voltooide. Hij was de zoon van Eusebius, geboren in de stad Stridon, die door de Goten was verwoest en ooit op de grens van Dalmatië en Pannonië lag. Meer weten we er nauwelijks van. Niemand weet waar Stridon precies lag. Onderzoekers zoeken het in het noorden van Kroatië, in de buurt van Ljubljana in Slovenië of in het westen van Bosnië.
Ook zijn geboortejaar is onzeker. Prosper van Aquitanië, een kroniekschrijver uit de vijfde eeuw, noemt 331. Latere geleerden komen uit op een jaar tussen 340 en 347. Veel moderne biografen houden het op ongeveer 347.
Het Romeinse rijk was in die jaren pas kort christelijk. Keizer Constantijn had de vervolgingen een generatie eerder beëindigd. Kerken werden gebouwd, bisschoppen kregen macht, en wie carrière wilde maken, moest goed kunnen spreken en schrijven. De ouders van Hiëronymus waren christenen met genoeg geld om hun zoon te laten studeren. Rond 360 stuurden ze hem naar Rome.
ZONDAG IN DE CATACOMBEN
In Rome kwam Hiëronymus in de klas van Aelius Donatus, de beroemdste taalleraar van zijn tijd. Hij leerde er Latijn op het hoogste niveau, de redevoeringen van Cicero, de gedichten van Vergilius. Hij ging ook naar de rechtbanken om te horen hoe advocaten spraken.
Hij gaf later zelf toe dat hij in die jaren niet zuiver leefde. Er was ook iets anders. Op zondag ging hij met andere jonge christenen naar de graven van de martelaren in de catacomben, de ondergrondse begraafplaatsen buiten de stad. In Rome liet hij zich dopen. Volgens een oude negentiende-eeuwse inleiding op zijn werk gebeurde dat waarschijnlijk in 366, mogelijk door paus Liberius, maar zeker is dat niet.
Na Rome trok hij met zijn vriend Bonosus naar Trier, in het huidige Duitsland. Daar schreef hij boeken van de theoloog Hilarius over. Rond 370 woonde hij in Aquileia, in het noordoosten van Italië. Hij hoorde er bij een kring van jonge mannen die samen een leven van gebed en studie zochten. Een van hen was Rufinus, die zijn beste vriend werd.
“JE BENT EEN CICERONIAAN”
In 373 brak die kring uiteen. Hiëronymus vertrok met een paar vrienden naar het Oosten. In Antiochië, in het zuiden van het huidige Turkije, stierf een van zijn reisgenoten. Hijzelf werd ernstig ziek.
Wat er toen gebeurde, kennen we alleen uit zijn eigen pen. Tien jaar later, in 384, schreef hij er in Rome over in een lange brief aan de jonge Eustochium. Hij vertelde dat hij huis, familie en lekker eten had opgegeven om God te dienen. Zijn boeken kon hij niet missen. Na nachten van gebed en tranen pakte hij weer Cicero of de toneelstukken van Plautus.
Midden in de Veertigdagentijd, de vastentijd voor Pasen, kreeg hij hoge koorts. Zijn lichaam werd koud, zo schreef hij, en er werd al aan zijn begrafenis gedacht. Toen werd hij in de geest voor een rechterstoel gebracht. Er werd gevraagd wie hij was. Hij antwoordde dat hij christen was. De Rechter zei: “Je liegt, je bent een Ciceroniaan en geen christen” (vrij vertaald). Daarop volgden woorden van Jezus zelf: want waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn (Mattheüs 6:21).
Hij werd gegeseld en smeekte om genade. Hij zwoer dat hij nooit meer wereldse boeken zou bezitten of lezen. Toen hij wakker werd, waren zijn ogen nat. Zijn schouders waren blauw, schreef hij. Vanaf dat moment las hij de boeken van God met meer ijver dan hij ooit aan andere boeken had besteed.
Was dit een droom, een visioen, een koortsbeeld? Hiëronymus zelf noemde het later een droom. Niemand anders was erbij. Het werd een van de bekendste roepingsverhalen uit de vroege kerk, omdat het zo eerlijk is over wat hem werkelijk bezighield. Hij hield van taal meer dan van God, en dat werd hem gezegd.
Ik vraag me bij dit verhaal altijd af wat mijn Cicero is. Wat is jouw schat, het ding dat je met meer liefde opslaat dan de Bijbel?
SCHORPIOENEN EN DANSENDE MEISJES
Na zijn herstel trok hij de woestijn van Chalcis in, ten oosten van Antiochië in Syrië. Daar woonden kluizenaars, christenen die alleen leefden om te bidden en te vasten. Hij bleef er ongeveer vier of vijf jaar.
Ook die tijd beschreef hij later zelf, en hij maakte er geen heldenverhaal van. In dezelfde brief aan Eustochium vertelde hij dat hij daar alleen schorpioenen en wilde dieren als gezelschap had, en dat hij zich in gedachten intussen tussen dansende meisjes bevond. De woestijn haalde zijn verlangens niet weg.
Hij zocht een tegengif. In een brief uit 411 aan Rusticus, een jonge monnik uit Toulouse, schreef hij hoe hij een broeder die vroeger joods was geweest, vroeg om hem Hebreeuws te leren. Hij moest opnieuw het alfabet leren, met klanken die hard en keelachtig waren. Het was zwaar werk. Het hielp hem, schreef hij, om zijn onrustige gedachten te temmen.
Zo kwam Hiëronymus, half per ongeluk, bij de taal van het Oude Testament uit.
In 379 keerde hij terug naar Antiochië. De kerk daar was verdeeld. Er waren meerdere mannen die zich bisschop noemden, en Hiëronymus koos de kant van Paulinus. Die wijdde hem tot priester. Hiëronymus stelde wel een voorwaarde: hij wilde geen gewone priestertaken doen, en bleef monnik en geleerde.
Daarna ging hij naar Constantinopel, het huidige Istanbul in Turkije, de nieuwe hoofdstad van het rijk. Daar leerde hij Gregorius van Nazianze kennen, een van de grote Griekse theologen. Hij vertaalde in die jaren de wereldkroniek van de kerkhistoricus Eusebius uit het Grieks in het Latijn.
“DAMASUS SPRAK GEEN WOORDEN DAN DE MIJNE”
In 382 reisde hij mee naar Rome, naar een kerkvergadering van paus Damasus. Hij bleef er drie jaar en werd een vertrouweling van de paus.
Vaak wordt gezegd dat hij de secretaris van Damasus was. Hiëronymus schreef in 409 zelf dat hij Damasus had geholpen met zijn kerkelijke briefwisseling. Een officiële titel is daarvoor niet overgeleverd, en de negentiende-eeuwse uitgevers van zijn werk vonden er geen grond voor. Wel staat vast dat Damasus hem Bijbelvragen voorlegde en hem een opdracht gaf. De Latijnse evangeliën die in omloop waren, liepen sterk uiteen. Hiëronymus moest ze vergelijken met de beste Griekse handschriften en een betrouwbare tekst maken. Rond 384 was hij daarmee klaar.
Het was ook de tijd van zijn grootste invloed. Toen hij Rome had moeten verlaten, schreef hij aan een vriendin dat Damasus “geen woorden sprak dan de mijne” (vrij vertaald). Velen vonden hem toen geschikt om bisschop te worden, schreef hij er in dezelfde brief bij. Zo zag hij het zelf. Het laat ook zien hoe groot hij zichzelf toen zag.
MARCELLA VROEG DOOR
In Rome vroeg een groep vrouwen uit de hoogste kringen hem om Bijbelonderwijs. Marcella was een weduwe die met een vriendin een teruggetrokken leven van gebed leidde. Ze liet hem niet zomaar praten. Ze vroeg door, verzette zich tegen zijn uitleg en wilde de sterkste tegenwerpingen horen, zo herinnerde hij zich na haar dood. Paula, eveneens weduwe, kwam met haar dochters Blaesilla en Eustochium.
Hiëronymus nam zijn leerlingen serieus. Hij was ook streng. Hij zette zijn ideaal van vasten, maagdelijkheid en armoede zo hoog dat het gewone christendom erbij afstak, en in zijn brieven spotte hij met geestelijken die volgens hem werelds leefden. Dat maakte vijanden.
Toen ging Blaesilla dood. Ze was jong, pas weduwe geworden en had een streng ascetisch leven gekozen. Volgens latere geschiedschrijvers verzwakte ze en stierf ze binnen enkele maanden. Op haar begrafenis kwam de woede los. Hiëronymus vertelde zelf in een brief aan Paula wat er in de menigte werd gefluisterd over de monniken: “Waarom stenigen we hen niet, of gooien we hen niet in de Tiber?” (vrij vertaald).
Het is moeilijk om dit verhaal te lezen zonder aan de moeder te denken. Hiëronymus schreef haar dat ze niet te lang moest rouwen. In Rome namen velen hem dat kwalijk.
AAN BOORD IN OSTIA
In december 384 stierf Damasus. Hiëronymus verloor zijn beschermer. Er werd een onderzoek gestart naar zijn omgang met Paula, en er werden geruchten verspreid. Hij besloot weg te gaan.
In augustus 385 stond hij in Ostia, de haven van Rome, op het punt aan boord te gaan. Daar schreef hij een brief aan Asella, een van de vrouwen uit de kring. Hij had Paula en Eustochium de Bijbel geleerd, schreef hij, en nu werd hij een bedrieger genoemd. Iemand die tegen hem had gelogen, had zijn beschuldiging ingetrokken. Mensen geloofden de leugen liever.
Wat er waar was van de beschuldigingen, kunnen we niet meer nagaan. Er is geen enkele bron die laat zien dat er iets onzedelijks gebeurde. Wel blijkt uit zijn eigen brief hoe diep hij gekwetst was, en hoe weinig hij zich afvroeg of zijn eigen scherpte iets met de vijandschap te maken had.
Paula vertrok kort na hem. Ook dat moment beschreef hij later zelf. Haar jonge zoon Toxotius stak op de kade zijn handen naar haar uit. Haar dochter Rufina smeekte haar te wachten tot ze getrouwd was. Paula hield zich groot en ging. Een moeder die haar kinderen achterlaat: hij prees het als liefde voor God. Een hedendaagse lezer slikt daarbij, en dat mag.
Via Cyprus en Antiochië reisden Paula, Eustochium en Hiëronymus door Palestina en Egypte, langs de heilige plaatsen en de kloosters van de woestijn. In 386 vestigden ze zich in Bethlehem, het dorp waar Jezus geboren was, in wat nu de Westelijke Jordaanoever is.
Paula betaalde alles. Drie jaar lang woonde ze in een armoedige herberg, terwijl er cellen, kloosters en een gastenverblijf voor pelgrims werden gebouwd. Er kwam een klooster voor mannen, dat Hiëronymus leidde, en een klooster voor vrouwen in drie groepen, onder leiding van Paula. Ze werkten gescheiden en kwamen samen om de Psalmen te zingen en te bidden.
Hier, in een dorp aan de rand van het rijk, deed Hiëronymus het werk waarvoor hij bekend werd.
BIJ NACHT, ZOALS NIKODEMUS
Eerst vertaalde hij nog vanuit de Griekse vertaling van het Oude Testament, de Septuagint. Die vertaling was eeuwen eerder door joden in Alexandrië gemaakt, en de meeste christenen beschouwden haar als door God ingegeven. De apostelen hadden haar ook gebruikt.
Rond 390 koos Hiëronymus een andere weg. Hij wilde terug naar de bron, naar de Hebreeuwse tekst zelf. Hij noemde dat de hebraica veritas, de Hebreeuwse waarheid. Om die tekst goed te leren lezen, nam hij in Bethlehem les bij een joodse geleerde, Baraninas. In een brief uit 400 vertelde hij hoeveel moeite en geld dat kostte. De lessen waren ’s nachts, omdat Baraninas bang was voor zijn eigen volksgenoten. Hiëronymus vergeleek hem met Nikodemus, die ook in het donker naar Jezus kwam.
Tussen ongeveer 390 en 405 vertaalde hij zo bijna het hele Oude Testament uit het Hebreeuws. Na zijn dood groeide zijn werk uit tot de Latijnse Bijbel van het Westen. De naam Vulgaat, de gewone Bijbel, kreeg zijn vertaling pas veel later, vanaf de dertiende eeuw. Ook is niet alles in die Bijbel van zijn hand: de rest van het Nieuwe Testament, van Handelingen tot Openbaring, werd waarschijnlijk door een ander herzien. In 1546 verklaarde het Concilie van Trente zijn vertaling tot de officiële tekst voor de rooms-katholieke kerk.
Hij liet ook een uitspraak na die nu in de Catechismus van de Katholieke Kerk staat, en die evangelische christenen evengoed zouden kunnen ondertekenen. Hij schreef haar in de inleiding van zijn commentaar op Jesaja. “Wie de Bijbel niet kent, kent Christus niet” (vrij vertaald).
DE KALEBAS VAN JONA
De nieuwe vertaling maakte niet iedereen blij. Augustinus, de jonge bisschop van Hippo in het huidige Algerije, vroeg in zijn brieven of Hiëronymus niet beter vanuit het Grieks kon vertalen. Kerken zouden in verwarring raken als hun Latijnse Bijbel ging verschillen van de Griekse die iedereen kende. Het voorval in Oea was voor hem het bewijs.
Hiëronymus antwoordde in 404. Hij legde uit dat het Hebreeuwse woord een struik aanduidde die in het Latijn geen naam had. Hij had gekozen voor klimop, net als een oudere Griekse vertaler. En als de joden in Oea iets anders hadden gezegd, wisten ze volgens hem niet beter of wilden ze niet eerlijk zijn. Hij noemde zichzelf in die brief een oude man, een soldaat die al lang met pensioen was, en Augustinus een jonge man. Uit elke regel spreekt dat hij zich niet door een jongere liet terechtwijzen.
Ze bleven het oneens over de Septuagint. Ze bleven ook schrijven.
TWEE VRIENDEN EN EEN DODE THEOLOOG
Pijnlijker was de breuk met Rufinus. De twee vrienden uit Aquileia waren allebei naar het Heilige Land gegaan. Rufinus leidde een klooster op de Olijfberg bij Jeruzalem, betaald door een andere rijke Romeinse vrouw, Melania. Zo woonden de oude vrienden weer dicht bij elkaar.
De ruzie ging over Origenes, een Griekse theoloog uit Alexandrië die anderhalve eeuw eerder had geleefd. Hij had de Bijbel grondig uitgelegd, maar sommige van zijn ideeën werden later verworpen. Hiëronymus had Origenes vertaald en bewonderd. Toen in 394 bisschop Epifanius van Salamis Origenes openlijk aanviel, koos Hiëronymus de kant van Epifanius. Rufinus bleef Origenes verdedigen.
In 397 verzoenden ze zich. Het duurde niet lang. Rufinus vertaalde in Rome een hoofdwerk van Origenes en schreef in zijn voorwoord dat Hiëronymus een bewonderaar van Origenes was. Hiëronymus voelde zich verraden. In een brief uit 400 schreef hij: “Ik heb Origenes gelezen, als dat een misdaad is, beken ik schuld” (vrij vertaald). Een aanhanger van zijn dwalingen was hij nooit geweest, voegde hij eraan toe.
Daarna schreven de twee vrienden boeken tegen elkaar. Rufinus wreef hem zelfs de droom van vroeger in: Hiëronymus citeerde nog steeds Vergilius en Cicero, dus hij had zijn eed gebroken. Hiëronymus antwoordde in 401 of 402 dat zijn belofte voor de toekomst gold en zijn geheugen niet kon uitwissen. Wat hij als jongen geleerd had, zat er gewoon in.
Augustinus las het met verdriet. In 404 schreef hij Hiëronymus dat niets hem zo had doen beven als de breuk tussen twee mannen die eens zulke goede vrienden waren geweest. Hij zou zich graag aan hun voeten werpen, schreef hij, om hen te smeken op te houden. Het hielp niet. Rufinus stierf in 411 op Sicilië. Een verzoening is niet overgeleverd.
Ik wil hierover niet oordelen alsof ik het beter zou doen. Wie zelf ooit een vriendschap heeft zien stuklopen op gelijk willen krijgen, weet hoe dat gaat. Het staat wel in de bronnen, van beide kanten, en daarom hoort het hier.
“DE STAD DIE DE HELE WERELD HAD INGENOMEN”
Paula stierf in 404 in Bethlehem. Ze had haar fortuin aan de kloosters en aan de armen gegeven. Volgens Hiëronymus liet ze haar dochter Eustochium zoveel schulden na dat die ze nooit zelf zou kunnen afbetalen. Hij schreef een lange gedenkbrief over haar leven, die we nog hebben.
In 410 gebeurde wat niemand voor mogelijk had gehouden. De Gotische koning Alarik nam Rome in en liet de stad plunderen. Soldaten drongen het huis van Marcella binnen en eisten goud. Ze liet hun haar eenvoudige kleren zien, maar ze geloofden haar niet en sloegen haar. Een paar dagen later stierf ze. Hiëronymus schreef in 412: “De Stad die de hele wereld had ingenomen, werd zelf ingenomen” (vrij vertaald). Vluchtelingen uit het Westen kwamen naar Bethlehem. Hij werkte intussen verder aan zijn commentaren op de profeten.
Ook Bethlehem bleef niet veilig. Hiëronymus schreef in zijn laatste jaren tegen de leer van Pelagius, een monnik die leerde dat een mens uit eigen kracht het goede kan kiezen. In 416 of 417 werden de kloosters in Bethlehem aangevallen, geplunderd en deels in brand gestoken. Paus Innocentius schreef dat hij wist wat er vernietigd was en door wie. In de kring rond Hiëronymus werden aanhangers van Pelagius als daders gezien. Wie het precies waren, staat in de bewaarde brief niet.
Eustochium stierf in 418 of 419. Hiëronymus was oud en zag slecht. Zijn commentaar op Jeremia bleef onvoltooid.
EEN LEEUW DIE ER NOOIT WAS
Hiëronymus stierf in 420 in Bethlehem. De kerk herdenkt hem op 30 september. Hij werd begraven bij Paula en Eustochium, vlak bij de grot waar volgens de traditie Jezus geboren werd. Later werd verteld dat zijn gebeente naar de kerk Santa Maria Maggiore in Rome was overgebracht. Dat berust op overlevering, niet op een bron uit zijn tijd.
Op bijna elk schilderij ligt naast hem een leeuw. Dat verhaal komt niet uit zijn eigen tijd. Het staat in volle vorm in de Legenda Aurea, een verzameling heiligenlevens die Jacobus de Voragine rond 1275 samenstelde, achthonderd jaar na zijn dood. Een leeuw met een doorn in zijn poot kwam het klooster binnen, Hiëronymus genas hem, en de leeuw bleef. Vrijwel hetzelfde verhaal werd verteld over Gerasimus, een monnik aan de Jordaan uit de vijfde eeuw. In het latere Latijn heette Hiëronymus Geronimus, en mogelijk zijn de twee namen door elkaar gehaald. Hiëronymus zelf schreef nooit over een leeuw.
De rooms-katholieke kerk eert hem als kerkleraar, de anglicaanse kerk herdenkt hem op dezelfde dag, en in de orthodoxe kerk wordt hij op 15 juni herdacht. Protestanten die het Oude Testament uit het Hebreeuws vertalen, doen wat hij in Bethlehem begon.
Wie het echte beeld zoekt, moet de leeuw wegdenken. Dan blijft er een man over die als zieke jongen beloofde de boeken van God te lezen, die in de woestijn harde Hebreeuwse klanken leerde uitspreken en bij nacht les nam. Ergens in Libië stond om één woord van hem een kerk op zijn kop. Het ging over een plant die schaduw gaf aan een profeet.
Wat vaststaat en wat verteld wordt
Vaststaat (meerdere onafhankelijke bronnen): geboorte in Stridon (plaats onbekend); studie in Rome bij Donatus en doop in Rome; verblijf in Trier, Aquileia, Antiochië en de woestijn van Chalcis; priesterwijding door Paulinus in 379; verblijf in Constantinopel; werk voor paus Damasus in Rome (382 tot 385) en de herziening van de Latijnse evangeliën; vertrek uit Rome in augustus 385; vestiging in Bethlehem met Paula en Eustochium in 386; vertaling van het Oude Testament uit het Hebreeuws (ongeveer 390 tot 405); het tumult in Oea (verteld door Augustinus in 403); de briefwisseling met Augustinus; de breuk met Rufinus en hun boeken tegen elkaar (401 tot 404); dood van Paula (404); plundering van Rome (410); aanval op de kloosters in Bethlehem (416 of 417); dood in Bethlehem in 420.
Alleen uit eigen getuigenis of latere overlevering: de droom van de Ciceroniaan, de geseling en de blauwe schouders (alleen uit zijn brief aan Eustochium, 384); zijn innerlijke strijd in de woestijn; het leren van Hebreeuws van een bekeerde jood en de nachtelijke lessen van Baraninas; de uitspraak dat Damasus “geen woorden sprak dan de mijne”; het gefluister op de begrafenis van Blaesilla; het afscheid van Paula van haar kinderen op de kade; de dood van Marcella; de overbrenging van zijn gebeente naar Rome.
Onbevestigd: zijn geboortejaar (schattingen van 331 tot 347); de exacte dag van zijn dood (30 september is de gangbare datum, een oude uitgave leest 20 september); de titel “secretaris” van Damasus (hij hielp met de briefwisseling, een officiële functie is niet bewezen); wie de kloosters in 416 of 417 aanvielen; de leeuw (een legende uit de dertiende eeuw, waarschijnlijk ontleend aan het verhaal van Gerasimus).
Duiding: of de droom een boodschap van God was, een koortsbeeld of beide, kan geen historicus vaststellen. Hiëronymus zelf zag er een keerpunt in, en zijn verdere leven laat zien dat hij de Bijbel vanaf toen boven alles stelde.
Bronnen bij dit hoofdstuk
- Hiëronymus, Brief 22 aan Eustochium (New Advent)
- Hiëronymus, Brief 22.30, Latijnse tekst (Early Church Texts)
- Sententiae Antiquae, “Read Cicero and go to hell” (vertaling brief 22.30)
- Hiëronymus, Brief 45 aan Asella (New Advent)
- Hiëronymus, Brief 123 aan Ageruchia (New Advent)
- Hiëronymus, Brief 39 aan Paula (New Advent)
- Hiëronymus, Brief 108 aan Eustochium over Paula (New Advent)
- Hiëronymus, Brief 125 aan Rusticus (New Advent)
- Hiëronymus, Brief 84 aan Pammachius en Oceanus (New Advent)
- Hiëronymus, Brief 127 aan Principia over Marcella (New Advent)
- Hiëronymus, Apologie tegen Rufinus, boek I (New Advent)
- Augustinus, Brief 71 aan Hiëronymus (New Advent)
- Hiëronymus, Brief 75 aan Augustinus (New Advent)
- Augustinus, Brief 73 aan Hiëronymus (New Advent)
- Paus Innocentius aan Aurelius, over de aanval op Bethlehem (Roman Letters)
- NPNF II/6, Prolegomena bij het leven van Hiëronymus (CCEL)
- NPNF II/6, Chronologische tabel (CCEL)
- Catholic Encyclopedia, “St. Jerome” (New Advent)
- Dictionary of Greek and Roman Biography, “Hieronymus” (Perseids)
- Catechismus van de Katholieke Kerk, 133 (Vaticaan)
- Legenda Aurea, het leven van Hiëronymus (Christian Iconography)
- St. Jerome and the Lion (University of Rochester)
- Wikipedia, “Jerome”
- Wikipedia, “Stridon”
- Wikipedia, “Vulgate”
- Wikipedia, “Tyrannius Rufinus”
- Wikipedia, “Paula of Rome”
- Wikipedia, “Gerasimus of the Jordan”