De eerstegetuigen

Deel 2 · De eerste getuigen · Hoofdstuk 7

Johannes Chrysostomus

de gouden mond die niet zweeg

ca. 347-407Antiochië en Constantinopel

Het was voorjaar in het jaar 387, in Antiochië. De grote stad lag stil. Kort daarvoor waren mensen in opstand gekomen tegen een nieuwe belasting. Ze hadden standbeelden van keizer Theodosius en van keizerin Placilla omvergehaald. In het Romeinse rijk was dat meer dan vandalisme. Wie het beeld van de keizer aanviel, viel de keizer zelf aan. De stad wachtte op zijn straf.

In de kerk stond een priester van rond de veertig op om te preken. Hij begon met een vraag. “Wat zal ik zeggen, of waarover zal ik spreken?” (vrij vertaald). Dit was een tijd voor tranen, zei hij, niet voor woorden. Hij beschreef wat iedereen kon zien. Het forum, het marktplein dat altijd vol was, lag bijna verlaten. Mensen bleven binnen met de deuren dicht. Zelfs midden op het forum werden burgers opgepakt en voor de rechter gesleept. Wie kon, vluchtte de stad uit, alsof hij uit een brandend huis rende. Over de stad lag een stilte vol angst.

We weten dit omdat die preek bewaard is gebleven, samen met ruim twintig andere die hij in die weken hield. Ook latere geschiedschrijvers, zoals Theodoretus rond 450, beschrijven het oproer. De priester heette Johannes. Pas anderhalve eeuw na zijn dood kreeg hij de bijnaam waaronder de hele kerk hem kent: Chrysostomus, Grieks voor gouden mond. Hij werd de beroemdste prediker van de oude kerk, en later aartsbisschop van de keizerlijke hoofdstad. Hij stierf als balling, uitgeput, langs een weg in het noorden van het huidige Turkije.

Het begon in dezelfde stad, ruim dertig jaar eerder.

EEN WEDUWE VAN TWINTIG

Antiochië, het huidige Antakya in het zuiden van Turkije, was een van de grootste steden van het Romeinse rijk. Er woonden heidenen, Joden en christenen naast elkaar. Hier werden de volgelingen van Jezus voor het eerst christenen genoemd, zoals het boek Handelingen vertelt. In de vierde eeuw was het christendom niet meer vervolgd. Keizer Constantijn had het vrijgegeven, en de meeste keizers na hem waren christen.

Wanneer Johannes precies geboren werd, weten we niet. De oude Catholic Encyclopedia noemt 347, de kerkhistoricus J.N.D. Kelly houdt het op 349, en andere geleerden noemen jaren vanaf 344. Zijn vriend en eerste biograaf Palladius, die rond 408 schreef, vertelt dat zijn vader een hoge militaire functie had in Syrië. Johannes had één oudere zus. Volgens latere bronnen heette zijn vader Secundus en zijn moeder Anthusa. In de teksten van hemzelf die ik las, noemt hij haar naam niet.

Zijn vader stierf kort na zijn geboorte. Zijn moeder hertrouwde niet. Johannes vertelt er later over in een brief aan een jonge weduwe. Zijn heidense leraar vroeg hem eens hoe oud zijn moeder was en hoe lang ze al weduwe was. Veertig, antwoordde Johannes, en twintig jaar zonder man. De leraar was verbaasd en riep tegen de mensen om hem heen: “Wat een vrouwen hebben de christenen!” (vrij vertaald).

Die leraar was waarschijnlijk Libanius, de beroemdste redenaar van Antiochië en een overtuigd heiden. Bij hem leerde Johannes spreken, zegt de kerkhistoricus Socrates rond 440. Sozomenus, een paar jaar later, vertelt een anekdote die je met enige voorzichtigheid moet lezen. Toen Libanius op sterven lag, vroegen vrienden wie zijn opvolger moest worden. Johannes, zou hij gezegd hebben, “als de christenen hem niet van ons hadden afgenomen” (vrij vertaald). Een andere bron voor die woorden heb ik niet gevonden.

VIER JAAR BIJ SYRUS, TWEE JAAR IN EEN GROT

Op zijn achttiende verliet Johannes de redenaarsscholen. Bisschop Meletius van Antiochië nam hem op, doopte hem en maakte hem lector, iemand die in de kerk voorleest uit de Bijbel. Het jaar van zijn doop ligt rond 368 of 372; de bronnen verschillen.

Johannes wilde meer. Hij wilde leven als monnik. In zijn boek Over het priesterschap beschrijft hij hoe zijn moeder hem tegenhield. Ze vertelde hem hoe zwaar het leven als weduwe was geweest. Ze vroeg hem één ding: “wacht mijn dood af” (vrij vertaald). Hij bleef, voorlopig.

In hetzelfde boek bekent hij iets wat weinig heiligen over zichzelf schrijven. Er ging een gerucht dat hij en zijn vriend Basilius bisschop zouden worden. Johannes liet zijn vriend geloven dat ze samen zouden opgaan. Zelf dook hij onder. Basilius werd gewijd, Johannes niet. Hij gaf toe dat hij zijn vriend had misleid, en hij probeerde dat in het boek ook nog te verdedigen. Wie het leest, ziet een jonge man met een groot verstand en een geweten dat het hem niet makkelijk maakte.

Later trok hij toch de bergen rond Antiochië in. Palladius vertelt dat hij vier jaar leefde bij een oude asceet, Syrus. Daarna woonde hij twee jaar alleen in een grot. Hij gunde zichzelf nauwelijks slaap. Zijn lichaam hield het niet vol. Zijn gezondheid raakte beschadigd, en hij keerde terug naar de stad.

TWAALF JAAR OP DE KANSEL VAN ANTIOCHIË

In 381 wijdde Meletius hem tot diaken. Vijf jaar later, in 386, wijdde bisschop Flavianus hem tot priester. Twaalf jaar lang zou hij in Antiochië preken, schrijft Palladius.

Hij preekte boek na boek door de Bijbel heen, vaak over de brieven van Paulus, die hij bewonderde. Zijn preken duurden soms een half uur, soms twee uur. Ongeveer zeshonderd preken en tweehonderd brieven zijn bewaard gebleven. Hij sprak over geld, over macht en over de armen. Mensen klapten als hij preekte, en dat ergerde hem. Ze klapten uit gewoonte, klaagde hij, en voor de wagenmenners in het circus klapten ze harder.

Wat was het geheim van zijn woorden? Als ik zijn preken vandaag lees, valt me op hoe goed hij zijn luisteraars kende.

ALS HET LOOFHUTTENFEEST NADERT

Uit diezelfde eerste jaren als priester, de herfst van 386 en het jaar 387, komen ook acht preken die ik niet kan overslaan. In het Latijn heten ze Adversus Judaeos, Tegen de Joden.

De aanleiding staat in de preken zelf. De Joodse herfstfeesten kwamen eraan: het Bazuinenfeest, de vasten, het Loofhuttenfeest. Een deel van zijn eigen gemeente vierde mee. Christenen, vooral ook vrouwen, bezochten op sabbat en feestdagen de synagoge, en sommigen hielden de sabbat. Johannes noemde dat een “judaïserende ziekte” onder een deel van zijn gemeente. Hij wilde haar uitroeien voor de feesten begonnen.

Hij deed dat met woorden die vandaag pijn doen om te lezen. Hij vergeleek de synagoge met een theater, met een bordeel, met een rovershol. “Er is geen verschil tussen het theater en de synagoge,” zei hij (vrij vertaald). Het ging verder dan dat. Hij zei dat demonen er woonden en dat hij de Joden haatte.

Hoe moet je daarmee omgaan? Geleerden zijn het niet eens. De kerkhistoricus Robert Wilken leest de preken als gericht tegen christenen in zijn eigen kerk. Andere kenners van de kerkvaders wijzen erop dat Johannes een vaste vorm van scheldrede gebruikte die redenaars toen leerden, de psogos, en vinden het woord antisemiet daarom niet passend voor zijn tijd. Anderen vinden dat te mild. De historicus James Parkes noemde de preken in 1934 de heftigste aanklachten tegen het jodendom die hij bij een christelijk theoloog kende. De theoloog Ian Birch, die zich daarbij beroept op de patristica-kenner Wendy Mayer, leest in de preken ook vijandschap tegen Joden als mensen. Volgens hem zijn ze vooral een waarschuwing voor iedereen die preekt.

Wat vaststaat: de preken hebben een lange schaduw geworpen. Ze droegen bij aan het idee dat Joden als volk schuldig waren aan de dood van Jezus. Tijdens de Tweede Wereldoorlog citeerden en herdrukten de nazi’s ze om christenen in Duitsland en Oostenrijk mee te krijgen. Na de oorlog hebben kerken dat gebruik veroordeeld.

Ik schrijf dit niet om Johannes af te rekenen. Ik schrijf het omdat het waar is, en omdat ook een groot prediker met zijn woorden schade kan doen die eeuwen doorwerkt. Dat geldt voor iedereen die spreekt. Voor mij ook.

DE STILTE VAN 387

Toen kwam het voorjaar van 387, waarmee dit hoofdstuk begon. Bisschop Flavianus reisde naar de keizer in Constantinopel om voor de stad te pleiten. Johannes bleef achter bij een bange gemeente.

Hij preekte de hele vastentijd door. Theodoretus vertelt hoe intussen de monnik Macedonius, een eenvoudige man zonder verstand van wereldse zaken, de keizerlijke commissarissen aansprak die de zaak moesten onderzoeken.

Rond Pasen kwam Flavianus terug. Johannes kon in zijn preek vertellen wat er aan het hof gebeurd was. De bisschop was zwijgend binnengekomen, met bedekt gezicht, huilend. Hij had erkend dat de stad schuldig was. En hij had de keizer herinnerd aan de woorden van Jezus aan het kruis, dat Hij vergeving vroeg voor wie niet wisten wat ze deden. Theodosius schonk de stad vergeving. Johannes begon zijn preek met de woorden: gezegend zij God.

EEN RIT NAAR PAGRAS

Tien jaar later, in het najaar van 397, stierf Nectarius, de bisschop van Constantinopel. Constantinopel, het huidige Istanbul, was de nieuwe hoofdstad van het oostelijke rijk. Wie daar bisschop werd, stond dicht bij de keizer.

De machtigste man aan het hof was Eutropius, een eunuch. Hij wilde de beroemde prediker uit Antiochië. Volgens Sozomenus hadden de inwoners van Antiochië in opstand kunnen komen om hem te houden. Hij vertelt hoe het werd opgelost. Generaal Asterius liet Johannes bij zich komen, zette hem in zijn wagen en reed met hem naar Pagras, een militaire post buiten de stad. Daar werd hij overgedragen aan keizerlijke ambtenaren. Toen Antiochië het hoorde, was hij al weg.

Op 26 februari 398 werd hij in Constantinopel tot bisschop gewijd. Theophilus, de machtige bisschop van Alexandrië in Egypte, had een eigen kandidaat gehad. Hij werkte alleen mee omdat Eutropius hem onder druk zette, schrijft Socrates. Palladius schrijft dat Theophilus vanaf het begin fel tegen hem was.

EEN BISSCHOP DIE ALLEEN AT

Johannes begon meteen met opruimen, bij het leven van zijn eigen geestelijken. Hij keek in de financiën van de kerk en in de zorg voor de weduwen. Het grote budget van de bisschoppelijke huishouding besteedde hij aan de armen en aan ziekenhuizen. Hij preekte openlijk tegen onrecht door de rijken en machtigen.

Het volk hield van hem. Een deel van zijn geestelijken en van het hof niet. De kerkhistoricus Socrates, die zelf in Constantinopel woonde, is eerlijk over zijn karakter. Johannes was streng en hard, schrijft hij, en een oude vriend zag in hem eerder een neiging tot prikkelbaarheid dan tot bescheidenheid. Hij wilde met niemand samen eten. Dat leverde hem verwijten op.

Hoe kan een man zoveel liefde oproepen en zoveel weerstand? Misschien omdat hij zei wat hij dacht, tegen wie dan ook.

In januari 399 viel Eutropius uit de gunst. De man die Johannes naar de hoofdstad had gehaald, vluchtte een kerk in. Johannes kwam voor hem op. Eutropius werd later toch verbannen en gedood.

EEN VILLA DIE DE EIK HEETTE

In 403 kwam alles samen. Een groep Egyptische monniken, de Lange Broers genoemd, was door Theophilus uit Egypte verdreven. Ze zochten hulp in Constantinopel. Theophilus werd naar de hoofdstad geroepen om zich te verantwoorden. Hij kwam, maar hij draaide de zaak om.

Buiten de stad lag een villa die De Eik heette. Daar kwam Theophilus samen met een groep bisschoppen. Ze riepen Johannes op om zich te verantwoorden. Hij weigerde voor een rechtbank van zijn tegenstanders te verschijnen. Daarop zetten ze hem af. Palladius, die de kant van Johannes koos en dat nooit verborg, beschrijft het als een samenzwering. Sozomenus, die meer afstand had, zegt dat ze hem afzetten omdat hij niet verscheen.

Johannes gaf zich over en vertrok in stilte, drie dagen na de uitspraak. Toen brak er onrust uit in de stad. Keizerin Eudoxia, de vrouw van keizer Arcadius, liet hem terugroepen. Een synode van ongeveer zestig bisschoppen verklaarde de besluiten van De Eik ongeldig. Johannes was terug.

“HERODIAS RAAST WEER”

De vrede duurde niet lang. Vlak bij de grote kerk werd een zilveren beeld van de keizerin opgericht, met spelen en feestgedruis. Het lawaai stoorde de diensten in de kerk. Johannes zei er openlijk iets van.

Volgens Socrates en Sozomenus begon hij daarop een preek met de woorden: Herodias raast weer, ze danst weer, ze wil weer het hoofd van Johannes op een schaal. De vergelijking met de keizerin lag voor de hand. Herodias was de vrouw die volgens de evangeliën de dood van Johannes de Doper wilde. Haar dochter vroeg koning Herodes: Geef mij hier op een schotel het hoofd van Johannes de Doper. (Mattheüs 14:8) Beide geschiedschrijvers schreven zo’n veertig jaar na dato. Of hij precies deze woorden sprak, kan niemand meer controleren. Dat de verhouding met de keizerin onherstelbaar beschadigd raakte, staat vast.

In de paasnacht van 404 gebeurde iets wat Johannes zelf beschreef in een brief aan Innocentius, de bisschop van Rome. Soldaten vielen de kerken binnen terwijl er gedoopt werd. Geestelijken werden weggeslagen. Vrouwen die zich hadden uitgekleed voor de doop, vluchtten naakt naar buiten. “De doopbaden liepen vol bloed” (vrij vertaald), schreef hij. Sozomenus bevestigt de aanval in de paasnacht.

In juni 404 werd Johannes voor de tweede keer verbannen. De bronnen noemen 20 of 24 juni. Kort daarna ging de grote kerk in vlammen op, en het senaatsgebouw ernaast. Zijn aanhangers kregen de schuld.

BRIEVEN UIT CUCUSUS

Zijn ballingsoord was Cucusus, een plaats aan de grens van Armenië, nu Göksun in het oosten van Turkije. Een deel van de tijd verbleef hij in Arabissus, het huidige Afşin, vlakbij.

Uit die jaren zijn zijn brieven bewaard aan Olympias, een vrouw uit Constantinopel die hem trouw bleef. Ze laten een man zien die ziek is en het koud heeft. De winter was strenger dan gewoonlijk, schreef hij. Twee maanden was hij er slechter aan toe dan een dode. Rovers uit Isaurië trokken plunderend door de streek. Maar hij troostte haar meer dan zij hem. Ze moest niet om hem treuren, schreef hij.

Palladius vertelt dat hij in Cucusus tijdens een hongersnood veel armen te eten gaf. Meer met woorden dan met graan, voegt hij eraan toe. Bisschop Innocentius van Rome bleef hem steunen. Hij stuurde vijf bisschoppen en twee priesters naar het hof om een eerlijk concilie te vragen. De gezanten werden gevangengezet.

WIT VOOR DE LAATSTE REIS

In 407 kwam het bevel. Johannes moest naar Pityus, het huidige Pitsoenda aan de Zwarte Zee in Abchazië. Een verlaten plek aan het eind van het rijk. Soldaten moesten hem erheen brengen, met een uiterste datum en een boete als ze te laat waren.

Palladius beschrijft de tocht in detail. Een van de twee bewakers was in het geheim vriendelijk. De ander wilde dat hij onderweg stierf. Hij liet hem vertrekken in zware regen, zodat het water over zijn hals en borst liep. Op hete dagen liet hij hem in de zon lopen, wetend dat zijn hoofd pijn deed. In steden met een badhuis mocht hij niet stoppen.

Ze trokken door Comana, een stad in Pontus, vlak bij het huidige Tokat in het noorden van Turkije. Ze staken de stad over zoals je een brug overgaat, schrijft Palladius, en overnachtten vijf of zes mijl verderop bij een kapel voor de martelaar Basiliscus. Die bisschop van Comana was rond 312 voor zijn geloof gestorven.

Die nacht, zo vertelt Palladius, verscheen Basiliscus aan Johannes. Hij zei hem goedsmoeds te zijn, want de volgende dag zouden ze samen zijn. Dit verhaal kennen we alleen van Palladius, en Sozomenus noemt het later ook. Of het een droom was, een visioen of een latere verfraaiing, kan ik niet zeggen. Johannes zelf zag het, volgens zijn vriend, als een teken.

De volgende ochtend vroeg hij of hij tot elf uur mocht blijven. De soldaten weigerden. Na ongeveer dertig stadiën, vijf à zes kilometer, werd hij zo ziek dat ze terug moesten naar de kapel.

Daar vroeg hij om witte kleren. Hij trok alles uit wat hij aanhad, tot zijn schoenen toe, en deelde zijn oude kleren uit aan de mensen om hem heen. Hij ontving het avondmaal. Daarna bad hij, in het bijzijn van wie er stond, zijn laatste gebed. Hij sloot het af met de woorden die hij altijd gebruikte: “Glorie aan God voor alles.” Bij het laatste amen maakte hij een kruisteken. Toen stierf hij.

Het was 14 september 407. Hij werd begraven in dezelfde kapel als de martelaar.

EEN KEIZER DIE VERGEVING VROEG

Dertig jaar later, op 27 januari 438, werd zijn stoffelijk overschot naar Constantinopel gebracht. Keizer Theodosius II, de zoon van Arcadius en Eudoxia, vroeg in het openbaar vergeving voor wat zijn ouders hadden gedaan. Pas in 553, in een stuk van paus Vigilius, duikt voor het eerst de bijnaam op die bleef: Chrysostomus.

In 1204 namen kruisvaarders uit het westen het grootste deel van zijn relieken mee. Op 27 november 2004 gaf paus Johannes Paulus II een deel ervan terug aan de kerk van Constantinopel. Hij sprak van een kans om gewonde herinneringen te zuiveren.

Vandaag eren orthodoxe, rooms-katholieke, anglicaanse en lutherse christenen hem. In orthodoxe kerken klinkt op de meeste zondagen de liturgie die zijn naam draagt, al weten geleerden niet hoeveel ervan echt van hem is. Wie in een evangelische of pinkstergemeente zit, kent misschien zijn naam niet. Maar wie ooit een preek hoorde die regel voor regel door een Bijbelboek ging en daarna zei wat dat betekent voor je portemonnee en je buren, hoorde iets van zijn manier van werken.

Hij was geen heilige zonder vlekken. Zijn eigen tijdgenoten vonden hem hard. Zijn woorden over de Joden hebben echte mensen pijn gedaan, eeuwen na hem. En toch is het laatste wat we van hem horen geen klacht en geen aanklacht.

Een zieke man in witte kleren, in een kapel langs de weg. Hij heeft zijn kleren weggegeven. Hij heeft niets meer. Hij zegt de woorden die hij al zijn hele leven zei.

Glorie aan God voor alles.

Dossier

Wat vaststaat en wat verteld wordt

Vaststaat (meerdere onafhankelijke bronnen): geboorte in Antiochië rond 344 tot 349; opleiding in de retorica; doop door Meletius; jaren als asceet buiten de stad; diaken in 381, priester in 386; het oproer om de standbeelden in 387 en zijn preken daarover; de acht preken tegen de Joden in 386-387 en hun inhoud; zijn keuze tot bisschop van Constantinopel en wijding op 26 februari 398; het verzet van Theophilus; de Synode bij De Eik in 403, de eerste verbanning en terugkeer; het conflict met keizerin Eudoxia over het zilveren beeld; het geweld in de paasnacht van 404; de tweede verbanning in juni 404 en de brand; ballingschap in Cucusus en Arabissus; de steun van Innocentius van Rome; de gedwongen tocht naar Pityus en zijn dood bij Comana op 14 september 407; de overbrenging naar Constantinopel in 438; de teruggave van relieken in 2004.

Alleen uit eigen getuigenis of latere overlevering: de uitroep van zijn leraar over christelijke vrouwen en het verzoek van zijn moeder (zijn eigen geschriften); de list tegenover Basilius (zijn eigen boek); de woorden van Libanius op zijn sterfbed (alleen Sozomenus, ca. 445); de namen Secundus en Anthusa (latere overlevering); de verschijning van Basiliscus, de witte kleren en zijn laatste woorden (alleen Palladius, een vriend en aanhanger, rond 408; Sozomenus noemt de verschijning ook); de wreedheid van de bewaker (Palladius).

Onbevestigd: de exacte woorden van de Herodias-preek (alleen Socrates en Sozomenus, ongeveer veertig jaar later); de precieze datum van de tweede verbanning (20 of 24 juni 404); zijn geboorte- en doopjaar; hoeveel van de liturgie met zijn naam echt van hem komt.

Duiding: of de preken tegen de Joden vooral gericht waren tegen judaïserende christenen in zijn gemeente of ook tegen Joden zelf, en of je ze antisemitisch mag noemen, is onder geleerden omstreden. Dat ze later gebruikt zijn om Jodenhaat te voeden, ook door de nazi’s, staat vast.

Bronnen bij dit hoofdstuk

  1. Johannes Chrysostomus, Preek 2 over de standbeelden (387)
  2. Johannes Chrysostomus, Preek 21 over de standbeelden (387)
  3. Johannes Chrysostomus, Brief aan een jonge weduwe
  4. Johannes Chrysostomus, Over het priesterschap, boek 1
  5. Johannes Chrysostomus, Eerste preek tegen de Joden (386)
  6. Johannes Chrysostomus, Brieven aan Olympias
  7. Johannes Chrysostomus, Briefwisseling met Innocentius I (404)
  8. Palladius, Dialoog over het leven van Johannes Chrysostomus, vertaling H. Moore 1921, hfst. I tot IX
  9. Palladius, Dialoog, inleiding van H. Moore
  10. Palladius, Dialoog, hfst. XI: ballingschap en dood
  11. Socrates, Kerkgeschiedenis boek 6
  12. Sozomenus, Kerkgeschiedenis boek 8
  13. Sozomenus, Kerkgeschiedenis boek 8, hfst. 28
  14. Theodoretus, Kerkgeschiedenis boek 5
  15. Catholic Encyclopedia (1910), St. John Chrysostom
  16. Dictionary of Christian Biography, Basiliscus
  17. Christianity Today, John Chrysostom
  18. Fordham Medieval Sourcebook, Chrysostom, Eight Homilies Against the Jews (met J. Parkes, 1934)
  19. Ian Birch, The Performative Preaching of John Chrysostom, Journal of European Baptist Studies 23:2 (2023)
  20. Johannes Paulus II, brief bij de teruggave van relieken, 27 november 2004
  21. Wikipedia, Adversus Judaeos
  22. Wikipedia, John Chrysostom
Liever het hele boek?PDF downloadenE-book (EPUB)Over dit deel