In Dublin, in de collectie van de Royal Irish Academy, ligt een oud psalmboek. Het is een beschadigd handschrift op perkament, met de Latijnse psalmen van Psalm 30 tot Psalm 105. Voor elke psalm staat een korte kop die uitlegt hoe je hem kunt lezen. Kenners dateren het op grond van het handschrift in de late zesde of vroege zevende eeuw. Het is een van de oudste Ierse boeken die er nog zijn.
Het boek heeft een vreemde naam: de Cathach, de Strijder. Tussen 1062 en 1098 kreeg het een schrijn om het perkament te beschermen. De Ierse familie O’Donnell gebruikte het later als een soort talisman. Ze droegen het drie keer rond een slagveld. Volgens de overlevering is het geschreven door de hand van Columba zelf.
Of dat waar is, weet niemand zeker. De Royal Irish Academy schrijft dat moderne geleerden eraan twijfelen, en dat er toch waarschijnlijk een historische kern in zit. Columba was in elk geval een man van boeken. Hij werd geboren als telg van een Ierse koningsfamilie. Hij werd monnik, werd rond zijn veertigste door een kerkvergadering in de ban gedaan, en verliet Ierland. Op een klein eiland voor de kust van Schotland stichtte hij een klooster waarvan de abten de belangrijkste leiders van de kerk in Schotland werden. Volgens zijn biograaf stierf hij daar terwijl hij de psalmen overschreef.
Hoe kwam een psalmboek aan de naam Strijder? Daarvoor moeten we terug naar Donegal.
EEN DUIF UIT DONEGAL
Columba werd rond 521 geboren in Gartan, bij een meer in wat nu County Donegal heet, in het noordwesten van Ierland. De Ierse traditie noemt 7 december als zijn geboortedag. Zijn vader heette Fedlimid, zijn moeder Eithne. Ze hoorden bij de Cenél Conaill, een tak van de machtige Uí Néill, de familie die in die eeuwen de koningen van Noord-Ierland leverde. Latere stambomen maken hem een achter-achterkleinzoon van Niall van de Negen Gijzelaars, de stamvader van de Uí Néill. Historici zien Niall zelf als half legende.
Zijn naam was Colum, naar het Latijnse woord voor duif: columba. In het Iers werd dat later Colum Cille, de duif van de kerk. Sommige Ierse bronnen zeggen dat hij eerst Crimthann heette, wat vos betekent. Zijn biograaf Adomnán dacht dat Colum zijn naam vanaf de geboorte was.
Over die biograaf moet ik je meteen iets vertellen, want hij komt in dit hoofdstuk steeds terug. Adomnán was de negende abt van het klooster dat Columba stichtte. Hij schreef het Leven van Columba tussen ongeveer 697 en 700, honderd jaar na Columba’s dood. Hij kon putten uit een ouder geschrift over Columba’s wonderen, van rond 640, toegeschreven aan een eerdere abt, Cumméne. Hij ordende zijn boek niet op tijd. Hij maakte drie delen: profetieën, wonderen en visioenen van engelen. Het is een heiligenleven, een hagiografie. Adomnán wilde de monniken een voorbeeld geven, geen jaartallen. De Royal Irish Academy noemt het om die reden een gebrekkige historische bron. Het blijft de belangrijkste tekst die we over hem hebben.
Adomnán begint al vóór de geboorte. Volgens hem kreeg Eithne in een droom bezoek van een engel. Hij bracht haar een kleed van grote schoonheid, met kleuren als bloemen. Daarna nam de engel het terug en liet het wegvliegen. Het kleed groeide tot het groter was dan vlakten, bergen en bossen. Een stem zei haar dat ze een zoon zou krijgen die veel mensen naar de hemel zou leiden. Het vertelt meer over wat de monniken van Iona in hem zagen dan over Gartan.
LEERLING BIJ TWEE FINNIANS
Ierland was in die tijd een land zonder steden. Het Romeinse leger had er nooit gestaan. Er waren veel kleine koninkrijken, met koningen uit grote families. Het christendom was er sinds ruim een eeuw. Patrick, over wie je in deel 1 leest, had in de vijfde eeuw in Ierland gepreekt en gedoopt. In de generaties na hem kwamen er kloosters met scholen, waar jonge monniken leerden lezen, schrijven en de psalmen kennen.
Columba ging naar zulke scholen. Hij leerde bij Finnian van Moville, in het huidige Noord-Ierland. Hij was ongeveer twintig en diaken toen hij daar wegging. Een tijd lang was hij leerling van een oude bard, een dichter, die Gemman heette. Daarna ging hij naar het klooster van Clonard, bij een tweede Finnian. Britannica noemt rond 551 als het jaar waarin hij priester werd. De details over zijn opleiding komen uit latere levensbeschrijvingen. Dat hij een geleerde monnik werd, staat buiten kijf.
Hij stichtte zelf ook kloosters. Adomnán noemt het klooster bij het eikenbos van Calgach, dat later de stad Derry werd, nu in Noord-Ierland. Beda, de Engelse monnik die rond 731 een kerkgeschiedenis schreef, noemt een tweede: Dearmach, het eikenveld, dat we nu kennen als Durrow in het midden van Ierland. Andere kloosters, zoals Kells en Swords, kregen pas later zijn naam opgeplakt. Of hij ze echt stichtte, is onzeker.
DRIEDUIZEND DODEN BIJ CÚL DREIMNE
Dan komt het jaar 561. In de Annalen van Ulster, een Iers jaarboek dat jaar na jaar korte berichten geeft, staat een korte regel. Bij Cúl Dreimne, bij Drumcliff in het huidige County Sligo, werd een slag geleverd. Drieduizend man vielen. Koning Diarmait mac Cerbaill, de hoge koning, verloor. Tegen hem vochten clans van de Uí Néill, Columba’s eigen verwanten.
Dat de slag plaatsvond, is zeker. Wat Columba ermee te maken had, is een veel lastiger vraag.
Adomnán gebruikt de slag vooral als ijkpunt. Columba vertrok, schrijft hij, in het tweede jaar na de slag bij Cúl Dreimne. Over een rol van Columba in de strijd zegt hij niets. Wel vertelt hij in een ander deel van zijn boek dat Columba ooit door een synode in de ban werd gedaan. Die vergadering, schrijft Adomnán, deed dat om vergeeflijke en zeer kleine redenen, en ten onrechte. Waarom hij het dan toch vertelt? Waarschijnlijk omdat iedereen het wist. Een heiligenleven zwijgt liever over zoiets.
“AAN ELKE KOE HAAR KALF”
Het bekendste verhaal over Columba gaat over dit conflict. Je vindt het in bijna elk boek over hem. Columba zou bij zijn leermeester Finnian in het geheim een psalmboek hebben overgeschreven. Finnian eiste de kopie op. De zaak kwam voor koning Diarmait. Die sprak een beroemd vonnis uit: “Aan elke koe hoort haar kalf, dus aan elk boek zijn kopie.” Columba verloor. Hij voelde zich vernederd, riep zijn verwanten op tot de strijd, en zo kwam het tot de slag bij Cúl Dreimne. Uit berouw zou hij Ierland verlaten hebben, met de opdracht evenveel zielen voor Christus te winnen als er doden waren gevallen. De kopie zou de Cathach zijn, het boek uit Dublin.
Het is een prachtig verhaal, en een laat verhaal. Het werd opgeschreven door Manus O’Donnell, in een Ierse levensbeschrijving uit 1532, bijna duizend jaar na de slag. De Royal Irish Academy schrijft dat het eerder iets zegt over de zestiende eeuw dan over de zesde. De vroegste berichten over de slag noemen geen boek. De historicus Richard Sharpe, die Adomnán vertaalde, waarschuwt ervoor het boek en de slag aan elkaar te koppelen. De annalen van Tigernach geven een andere aanleiding: Diarmait zou in 559 een jonge man hebben laten doden die onder Columba’s bescherming stond. Andere geleerden zien vooral een machtsstrijd tussen koningsfamilies.
Ik laat het verhaal hier staan, omdat het bij Columba hoort zoals de klaverbladen bij Patrick. Maar wie zeker wil weten waarom hij vertrok, moet het zonder dit verhaal doen.
EEN SYNODE IN TELTOWN
Adomnán vertelt wel hoe de ban afliep. De synode kwam bijeen in Teilte, nu Teltown in County Meath. Columba kwam er aan. Toen Brendan, de stichter van het klooster van Birr, hem zag naderen, stond hij op en kuste hem. Een paar oudere geestelijken namen hem dat kwalijk. Hoe kon hij een man in de ban zo eren?
Brendan antwoordde dat hij een visioen had gezien. Volgens Adomnán zag hij een stralende zuil van vuur voor Columba uit gaan, en heilige engelen die hem over de vlakte begeleidden. Hij durfde geen man te minachten die God had bestemd om een volk naar het leven te leiden. Daarop, schrijft Adomnán, behandelden ze Columba met groot respect.
Het visioen is hagiografie. Het onderliggende feit is vermoedelijk echt: er was een zaak tegen Columba, en hij had verdedigers. Wat de beschuldiging precies was, vertelt geen enkele vroege bron.
PELGRIM VOOR CHRISTUS
In 563 stak Columba de zee over. De Annalen van Ulster zeggen het zakelijk: de reis van Colum Cille naar het eiland Í, “in het tweeënveertigste jaar van zijn leven” (vrij vertaald). Adomnán noemt hetzelfde levensjaar. Hij schrijft dat Columba vertrok omdat hij pelgrim wilde zijn voor Christus.
Een pelgrim was hier iemand die zijn land en zijn familie achterliet om God te dienen. Voor een man uit een koningsfamilie was dat veel. Helemaal los kwam hij niet: later in dit hoofdstuk zie je hem terug in Ierland. Of Columba ging uit boete, uit roeping of uit beide, weten we niet. Latere bronnen spreken van ballingschap.
Volgens de traditie gingen er twaalf metgezellen mee, in een boot van vlechtwerk met leer bespannen. Het getal twaalf staat in latere bronnen. Het eiland waar ze uitkwamen, ligt aan de westkust van het huidige Schotland, in de Binnen-Hebriden. Wij noemen het Iona. Hij noemde het Í.
Schotland bestond toen nog niet als land. In het westen, rond het huidige Argyll, woonden Ierse kolonisten in het koninkrijk Dál Riata. Ze spraken dezelfde taal als Columba. In het noorden en oosten woonden de Picten, een volk met een eigen taal en eigen koningen, en grotendeels heidens. Wie gaf Columba het eiland? De Ierse overlevering noemt Conall mac Comgaill, koning van Dál Riata en een verre verwant. Beda schrijft dat de Picten het hem schonken. Beide bronnen hebben hun eigen belangen, en ze zijn het niet eens.
EEN POORT BIJ DE NESS
Beda geeft een ander jaartal dan de Ieren. Hij laat Columba in 565 komen, in het negende regeringsjaar van Bridius, de zoon van Meilochon, de machtige koning van de Picten. Beda schrijft dat Columba dit volk tot het geloof bracht “door zijn prediking en zijn voorbeeld” (vrij vertaald). In de Ierse annalen heet deze koning Bruide, zoon van Maelchú. Ze noteren zijn dood in 584.
Adomnán vertelt hoe Columba deze koning opzocht in zijn vesting, bij het huidige Inverness. De koning liet de poort dicht. Columba maakte met zijn hand het teken van het kruis op de deuren, klopte aan en legde zijn hand op de poort. Volgens Adomnán schoten de grendels terug en zwaaide de poort vanzelf open. De koning en zijn raadslieden schrokken. Bridei kwam naar buiten, sprak Columba vriendelijk toe, en eerde hem de rest van zijn leven.
Adomnán schrijft nergens dat Bridei zich liet dopen. Beda doet dat wel, maar Beda schreef verder weg en later. Waarschijnlijk is het bezoek zelf echt gebeurd. Het openspringen van de poort is het soort teken dat een heiligenleven graag vertelt.
HET BEEST IN DE RIVIER
Bij die reis hoort het verhaal waarom Columba nu wereldberoemd is, ook bij mensen die nooit van Iona hebben gehoord. Adomnán vertelt dat Columba bij de rivier de Ness kwam. Daar werd net een man begraven. Hij was bij het zwemmen gegrepen en gebeten door een waterbeest. Columba vroeg een van zijn metgezellen, Lugne Mocumin, om naar de overkant te zwemmen en een boot te halen. Lugne trok zijn kleren uit tot op zijn tuniek en sprong in het water. Het beest kwam op hem af. Columba hief zijn hand, maakte een kruisteken in de lucht, riep de naam van God aan en beval het dier te stoppen en terug te gaan. Het beest vluchtte. De heidenen die erbij stonden, zegt Adomnán, moesten de God van de christenen wel prijzen.
Sommigen hebben dit dier later gelijkgesteld aan het monster van Loch Ness. Zo werd Columba de eerste getuige van Nessie. Maar Adomnán schrijft over de rivier, niet over het meer. En hij vertelt het als een wonder, in een boek vol wonderen, honderd jaar na de feiten. Een dierkundig verslag is het niet.
Wat blijft er dan over? Dat Columba door het land van de Picten trok, langs Loch Ness en de rivier die eruit stroomt. Daar wijzen ook andere verhalen bij Adomnán op, die minder spectaculair zijn. Bij Airchartdan, nu Glen Urquhart, aan Loch Ness, hoorde volgens hem een oude man, Emchath, Columba preken. Hij geloofde en werd gedoopt, en zijn zoon Virolec met heel zijn huis. Op het eiland Skye brachten twee jonge mannen een oude heidense leider bij Columba, Artbranan. Columba onderwees hem, schrijft Adomnán, via een tolk. Die tolk is een klein en eerlijk detail. Columba sprak Iers. De Picten verstonden hem niet vanzelf.
Heb je ooit iets willen vertellen aan mensen die je taal niet spraken? Dan weet je hoe langzaam het gaat, zin voor zin.
EEN KONING EN EEN GLAZEN BOEK
Columba bleef verbonden met de koningen aan beide kanten van de zee. Adomnán vertelt een visioen dat hij had op Hinba, een eiland waarvan niemand meer zeker weet welk het was. Een engel liet hem een boek van glas zien, met daarin wie koning moest worden van Dál Riata: Áedán mac Gabráin. Columba gaf de voorkeur aan diens broer Iogenan. Volgens Adomnán sloeg de engel hem met een zweep, en droeg hij de striemen de rest van zijn leven. Na drie nachten gaf hij toe. Op Iona legde hij Áedán de hand op het hoofd en zegende hem als koning. De Orthodoxe Kerk in Amerika noemt 574 als jaar.
Het visioen is hagiografie. Dat de abt van Iona een rol speelde bij de keuze van koningen, past bij wat we verder weten. In 575 staat in de Annalen van Ulster de grote samenkomst van Druim Ceat, in Ierland, waar Colum Cille aanwezig was met de hoge koning Aed, zoon van Ainmire. Volgens Britannica reisde Columba er met Áedán heen. Er werd besloten hoe het koninkrijk Dál Riata zich verhield tot de koning van Ierland. De man die als pelgrim was vertrokken, zat een paar jaar later mee aan tafel bij de grote politiek van zijn land.
Dat schuurt een beetje. Ik vind het ook menselijk. Je kunt je land verlaten en toch je mensen blijven dragen.
GEEN UUR ZONDER WERK
Hoe leefde hij op Iona? Beda schrijft dat Columba priester en monnik was, geen bisschop. Wel had de abt van Iona volgens Beda gezag, zelfs over bisschoppen. Britannica schrijft dat de abten van Iona de belangrijkste leiders van de kerk in Schotland werden. Beda heeft ook kritiek. De monniken van Iona rekenden de datum van Pasen op hun eigen manier uit. Pas in 715, bijna honderdvijftig jaar later, gingen ze over op de telling van Rome. Beda vond dat een fout, maar hij prijst wel hun leven.
Adomnán beschrijft Columba’s dagen in zijn tweede voorwoord, in de Engelse vertaling van Richard Sharpe. Columba liet volgens hem geen uur voorbijgaan zonder te bidden, te lezen, te schrijven of ander werk te doen. Dag en nacht vastte en waakte hij. En hij was liefdevol tegen iedereen. Op zijn gezicht zag je een heilige vreugde, omdat zijn hart vol was van de blijdschap van de Heilige Geest.
Het is het portret van een latere abt over zijn grote voorganger. Er is één bron die dichter bij hem staat. Kort na zijn dood schreef een dichter een lofzang op hem, de Amra Coluim Chille, toegeschreven aan Dallán Forgaill. Het geldt als een van de oudste gedichten in een Europese volkstaal. De dichter prijst Columba om zijn studie. Hij schrijft dat hij de Psalmen “vastlegde” (vrij vertaald) en de uitleg erbij helder maakte. Zo zag een tijdgenoot hem: als een man van de tekst. Drie Latijnse hymnen worden met enige zekerheid aan hem toegeschreven. Een daarvan is de Altus Prosator, een lang gedicht waarin elke strofe met een volgende letter van het alfabet begint.
“WAT VOLGT, LAAT BAITHENE SCHRIJVEN”
Het einde vertelt Adomnán uitgebreid, en met veel liefde. Hier moet je weten wat je leest. Het zijn de bladzijden van een abt over de stichter van zijn eigen klooster, een eeuw later. Ze zijn mooi. Een verslag van een ooggetuige zijn ze niet.
Volgens Adomnán zei Columba ooit tegen twee monniken dat zijn dertig jaar in Brittannië voorbij waren. Hij had God gevraagd om dan te mogen sterven. Hij zag engelen komen, maar ze bleven staan op een rots aan de overkant van de zeestraat. Door de gebeden van veel kerken kreeg hij nog vier jaar. Dat maakt vierendertig jaar op Iona, en dat klopt met 563 en 597.
In zijn laatste week zegende hij een schuur vol gedorst graan. Tegen zijn dienaar Diarmait zei hij in vertrouwen dat hij die nacht zou sterven. Op de terugweg ging hij langs de weg zitten. Een wit lastpaard, dat de melkemmers naar het klooster droeg, kwam naar hem toe, legde zijn hoofd tegen zijn borst en huilde, schrijft Adomnán. Diarmait wilde het dier wegjagen. Columba liet het staan en zegende het.
Toen ging hij naar zijn hut en schreef verder aan het psalmboek dat hij aan het overschrijven was. Hij kwam bij Psalm 34, in de Latijnse telling Psalm 33. Bij het vers waar het blad eindigde, hield hij op. In de Nederlandse vertaling van dat vers staat: maar wie de HEERE zoeken, hebben geen gebrek aan enig goed. (Psalm 34:11) Hij legde de pen neer en zei, volgens Adomnán: “Wat volgt, laat Baithene schrijven” (vrij vertaald). Baithene was zijn leerling. Hij werd zijn opvolger als abt.
Aan de monniken gaf hij die avond nog een opdracht mee. Ze moesten in vrede leven, met oprechte liefde voor elkaar. Als ze dat deden, zou God hen helpen.
Rond middernacht, toen de zondag begon, liep hij voor de anderen uit naar de kerk. Hij knielde alleen bij het altaar. Diarmait kwam hem achterna in het donker en riep waar hij was. Hij vond hem liggend voor het altaar, tilde hem een stukje op en legde zijn hoofd tegen zijn borst. De monniken kwamen binnen met lichten. Columba deed zijn ogen nog één keer open en keek om zich heen, schrijft Adomnán, met grote vreugde. Diarmait tilde zijn rechterhand op, zodat hij de broeders kon zegenen. Toen stierf hij.
De Annalen van Ulster noemen de datum: de vijfde dag voor de Iden van juni, dat is 9 juni, in zijn zesenzeventigste levensjaar. Het jaar is volgens de gangbare telling 597. Beda geeft een leeftijd van zevenenzeventig. Een geleerde, Daniel McCarthy, houdt het op 593. Zo precies als Adomnán het sterfbed beschrijft, zo vaag zijn de cijfers eromheen.
EEN BOEK DAT NIET AF WAS
In 795 kwamen de eerste Vikingen naar Iona. Ze kwamen terug in 802, 806 en 825. In 849 werden Columba’s beenderen verdeeld en meegenomen, een deel naar Schotland en een deel naar Ierland. Het eiland raakte zijn leidende plaats kwijt. Zijn naam niet.
Hij wordt vereerd op 9 juni, in de Rooms-Katholieke Kerk, in de anglicaanse kerken, in lutherse en presbyteriaanse gemeenten. De Orthodoxe Kerk noemt hem de Verlichter van Schotland. Hij staat naast Patrick en Brigida als een van de drie beschermheiligen van Ierland. Christenen die het over veel dingen oneens zijn, kennen hem als iemand van henzelf.
Wat weten we nu echt van hem? Minder dan de verhalen doen vermoeden. Een monnik uit een koningsfamilie, een ban die werd opgeheven, een overtocht in zijn tweeënveertigste jaar. Een eiland, een koning van de Picten, een tolk.
En een psalmboek dat hij niet afmaakte. Volgens zijn biograaf legde hij de pen neer midden in de psalm, bij een vers over mensen die de HEERE zoeken. Het volgende vers liet hij voor een ander. In Dublin ligt nog altijd een psalmboek uit zijn tijd. Het begint bij Psalm 30, het houdt op bij Psalm 105, en de bladzijden ertussen zijn door veel handen gegaan.
Wat vaststaat en wat verteld wordt
Vaststaat (meerdere onafhankelijke bronnen): geboorte rond 521 in het noordwesten van Ierland, in de Cenél Conaill, met ouders Fedlimid en Eithne; opleiding tot monnik en priester; kloosters in Derry en Durrow (Adomnán en Beda); de slag bij Cúl Dreimne (560 of 561, Annalen van Ulster); de overtocht naar Iona in 563, in zijn 42e levensjaar (Annalen en Adomnán); bezoek aan de Pictische koning Bridei bij Inverness (Adomnán, Beda noemt dezelfde koning); de samenkomst van Druim Ceat in 575; dood op Iona op 9 juni, volgens de gangbare telling in 597; het lofdicht Amra Coluim Chille van kort na zijn dood; zijn verering in rooms-katholieke, orthodoxe, anglicaanse, lutherse en presbyteriaanse kerken.
Alleen uit eigen getuigenis of latere overlevering: de droom van zijn moeder; het visioen van Brendan op de synode van Teltown; de poort van Bridei die vanzelf openging; het waterbeest in de rivier de Ness; de doop van Emchath en Artbranan; het visioen van het glazen boek en de zweep van de engel; de vier extra levensjaren; het witte paard; de laatste woorden en het sterfbed in de kerk (alles uit Adomnán, rond 700, een heiligenleven); het portret van zijn levenswijze (Adomnán, tweede voorwoord); de twaalf metgezellen; de geboortedag 7 december.
Onbevestigd: de “slag om het boek” en het vonnis “aan elke koe haar kalf” (pas opgeschreven door Manus O’Donnell in 1532); dat hij de slag bij Cúl Dreimne uitlokte en uit boete vertrok; dat de Cathach door zijn hand geschreven is (traditie, door geleerden betwijfeld); wie hem Iona gaf (Ierse traditie: Conall mac Comgaill; Beda: de Picten); of koning Bridei zich bekeerde (alleen Beda); de reden van de ban; het precieze jaar van zijn aankomst (Beda: 565) en van zijn dood (McCarthy: 593).
Duiding: of de wonderen bij Adomnán echt gebeurd zijn, kan de geschiedenis niet beslissen. Ze laten vooral zien hoe het klooster van Iona een eeuw later naar zijn stichter keek.
Bronnen bij dit hoofdstuk
- Adomnán, Life of St. Columba (Engelse vertaling, CELT, University College Cork)
- Adomnán, Life of St. Columba, boek I, Artbranan (CELT)
- Adomnán, Life of St. Columba, boek II, het waterbeest (CELT)
- Adomnán, Life of St. Columba, boek II, koning Brude (CELT)
- Adomnán, Life of St. Columba, boek III, de droom van zijn moeder (CELT)
- Adomnán, Life of St. Columba, boek III, de synode van Teilte (CELT)
- Adomnán, Life of St. Columba, boek III, Áedán en het glazen boek (CELT)
- Adomnán, Life of St. Columba, boek III, Emchath (CELT)
- Adomnán, Life of St. Columba, boek III, zijn sterven (CELT)
- Adomnán, Life of St. Columba, boek III, hoofdstuk 23 en 24 (IntraText)
- Beda, Kerkgeschiedenis, boek III, hoofdstuk 4 (sacred-texts.com)
- Annalen van Ulster, Engelse vertaling (CELT)
- Royal Irish Academy, The Cathach / The Psalter of St Columba
- Royal Irish Academy, The feast of St Colum Cille (Columba)
- Encyclopaedia Britannica, Saint Columba
- Orthodox Church in America, Saint Columba of Iona, Enlightener of Scotland
- Loch Ness Project, Columba and Loch Ness (Adomnán in de vertaling van Anderson)
- Wikipedia, Columba
- Wikipedia, Life of Columba
- Wikipedia, Battle of Cúl Dreimhne
- Sage across seas: St Columba of Iona (met citaat uit Adomnáns tweede voorwoord, vertaling Sharpe)