In 1888 voer een kano de Calabar-rivier op. Het was een uitgeholde boomstam, ongeveer zes meter lang, uitgeleend door koning Eyo VII van Creek Town. Er zat een kleine Schotse vrouw van negenendertig in. Ze ging naar Okoyong, een gebied in het binnenland waar zendelingen tot dan toe niet welkom waren geweest.
Bij de aanlegplaats wachtte nog een tocht van ongeveer vier mijl door het bos. Het regende. Toen ze in het dorp Ekenge aankwam, was het er bijna leeg. De moeder van een chief was die ochtend gestorven en de meeste mensen waren naar de rouwplechtigheid. Ze liep zich de voeten zo kapot dat ze zes weken geen schoenen kon dragen. Zo staat het in een vroege levensbeschrijving, die zich baseert op haar eigen brieven.
Die vrouw heette Mary Slessor. Ze zou vijftien jaar in Okoyong wonen. Ze nam kinderen op die anders waren gedood, sprak de taal zo goed dat Afrikanen zeiden dat ze een Efik-mond had, en werd de eerste rechter die de Britten daar aanstelden. In Calabar staat vandaag een standbeeld van haar met twee baby’s in haar armen. In Schotland stond ze op een bankbiljet van tien pond.
Rond zo iemand groeien verhalen. In dit hoofdstuk probeer ik te laten zien wat we echt weten, en waar het verhaal groter is geworden dan de vrouw. Want de vrouw zelf is groot genoeg.
Ze begon in een jutefabriek in Dundee.
EEN SCHOENMAKER DIE DRONK
Mary Mitchell Slessor werd geboren op 2 december 1848 in Gilcomston, een wijk van Aberdeen in het noordoosten van Schotland. Ze was het tweede van zeven kinderen. Haar vader, Robert Slessor, was schoenmaker. Hij dronk, en hij verloor zijn werk. Haar moeder, ook Mary geheten, was een gelovige presbyteriaanse vrouw. Presbyterianen zijn protestanten in de lijn van Calvijn, met kerken die worden bestuurd door ouderlingen.
In 1859 trok het gezin naar Dundee, een industriestad aan de oostkust waar jute werd gesponnen en geweven. Haar vader werd daar ongeschoold arbeider in een fabriek. Mary was elf. Ze ging aan de slag bij Baxter Brothers als half-timer: een halve dag in de fabriek, een halve dag op de school die de fabriek zelf verzorgde. Rond haar veertiende was ze een geschoolde jutewerkster met dagen van zes uur ’s ochtends tot zes uur ’s avonds.
Haar eerste biograaf, W.P. Livingstone, beschrijft lange zaterdagavonden waarop moeder en dochter wachtten tot de vader thuiskwam, en hoe Mary spullen naar de lommerd bracht om rond te komen. Haar vader en haar beide broers stierven. Wat overbleef was een huishouden van vrouwen: Mary, haar moeder en twee zussen.
Ze las onderweg naar de fabriek en terug. Later las ze haar Bijbel zelfs aan het weefgetouw, zo vertelde een latere schrijver.
“ZIE JE DAT VUUR?”
Over haar bekering kennen we één verhaal, en dat komt uit Livingstones boek. Een oude weduwe in de buurt wees een groepje meisjes op een vuur en vroeg, vrij vertaald: “Zie je dat vuur?” Ze waarschuwde hen voor het eeuwige vuur. Mary schrok, zo staat het er, en ze bekeerde zich en geloofde.
Het is een hard verhaal, uit een tijd waarin over de hel anders werd gepreekt dan nu. Andere biografen noemen geen enkel bekeringsmoment. Jeanette Hardage, van wie de zendingshistoricus Andrew Walls zei dat ze de beste biografie tot nu toe schreef, zegt alleen dat Mary een serieuze Bijbellezer werd en overtuigd raakte dat ze God moest dienen.
Ze ging lesgeven bij een missiepost in Queen Street, tegenover Quarry Pend, en later in een ruimte onder de Wishart Church. In Dundee heette die kerk in de volksmond “Heaven and Hell”: de kerkzaal lag op de eerste verdieping, op de begane grond zat een kroeg. Ze had een zondagsschoolklas en een jeugdclub. Livingstone vertelt dat een bende haar daar wilde wegjagen. De leider zwaaide met een loodgewicht vlak bij haar hoofd. Ze verroerde zich niet. Daarna kwamen de jongens naar binnen. Dit verhaal komt uit de vroege missieliteratuur en is niet door een tweede getuige bevestigd. Het past wel bij alles wat we verder van haar weten.
EEN BRIEF UIT AFRIKA
Haar moeder las het Missionary Record, het zendingsblad van hun kerk. Die kerk was de United Presbyterian Church, een van de presbyteriaanse kerken van Schotland. Die kerk had zendelingen in Calabar, in het zuidoosten van het huidige Nigeria.
Toen in 1874 in Schotland bekend werd dat de ontdekkingsreiziger en zendeling David Livingstone in Afrika was gestorven, besloot Mary dat ze wilde gaan. Ze was vijfentwintig. In mei 1875 bood ze zich aan bij het zendingscomité van haar kerk. Ze kreeg een korte opleiding in Edinburgh en een salaris van zestig pond per jaar.
Hoe oud was jij toen je voor het eerst iets van God hoorde dat je hele leven omgooide? Mary had vijftien jaar fabriekswerk achter de rug. Ze had geen vervolgopleiding. Ze was klein en vaak ziek. Ze ging toch.
Op 5 augustus 1876 vertrok ze uit Liverpool op het stoomschip Ethiopia. Op 11 september voer het schip het estuarium van Calabar binnen.
Calabar was in die tijd geen kolonie. Het was een groep handelssteden aan de rivier: Duke Town, Creek Town en Old Town. De bewoners waren Efik, een volk van handelaren. De slavenhandel en de handel met Europeanen hadden de streek ontwricht. Vanuit Lagos, dat de Britten in 1861 in bezit namen, breidde die macht zich langzaam uit. Pas in 1891 werd het gebied officieel een Brits protectoraat. Europeanen noemden de kust het graf van de blanke man, vanwege malaria en andere koortsen.
Mary woonde eerst drie jaar in het zendingscomplex in Duke Town. Ze leerde Efik, en ze leerde het goed. In juni 1879 moest ze met malaria naar huis. In oktober 1880 kwam ze terug en kreeg ze de leiding over het werk in Old Town. Ze leefde daar eenvoudig, in het soort huis waarin de mensen om haar heen ook woonden.
Ze wilde verder het binnenland in. Een oudere zendeling, door iedereen “Daddy” Anderson genoemd, was daartegen.
TWEELINGEN IN HET BOS
In grote delen van het gebied rond Calabar gold de geboorte van een tweeling als een vloek. Volgens het geloof was een van de twee kinderen verwekt door een boze geest, en niemand wist welke. De baby’s werden gedood of in het bos achtergelaten. De moeder werd verstoten.
Zendelingen namen zulke kinderen op in het zendingshuis. Mary deed dat ook, en ze bleef het doen tot haar dood. Livingstone vertelt hoe een Schotse handelaar, Owen, haar een tweelingmeisje bracht dat in het bos was gevonden. Het broertje werd onder valse voorwendsels door familie meegenomen en gedood. Het meisje bleef leven. Mary noemde haar Janie, naar haar jongste zus.
In 1883 werd Mary opnieuw ziek. Ze nam de baby mee naar Schotland, en in de zondagsschool van de Wishart Church werd Janie gedoopt. Dat meisje bleef haar leven lang bij haar.
Die jaren in Schotland werden zwaar. Haar moeder en zus Janie waren ziek. Mary stelde begin 1885 voor om haar zus mee te nemen naar Creek Town en daar met haar in een lemen huis te wonen. Het comité weigerde. Op advies van een kennis uit Exeter verhuisde het gezin naar Topsham in Devon. Kort daarna stierf haar zus Susan.
Eind 1885 keerde Mary terug naar Calabar, nu naar Creek Town. Rond de jaarwisseling stierf haar moeder. Drie maanden later stierf ook haar zus Janie. Ze schreef, vrij vertaald: “De hemel is nu dichter bij me dan Brittannië.”
Er was niemand meer thuis. Ik denk dat dit verlies haar vrijer maakte om te gaan waar anderen niet heen wilden. Dat zeg ik voorzichtig, want zij zelf heeft het niet zo verwoord. Wel kreeg ze in 1886 toestemming om zich op Okoyong voor te bereiden.
EEN KANO VAN DE KONING
De Okoyong woonden in het bosgebied stroomopwaarts. Ze stonden in Calabar bekend als gevaarlijk, en eerdere bezoeken van zendelingen waren slecht ontvangen. Volgens Livingstone zeiden ze bij een eerste gesprek, vrij vertaald: “We willen geen zendeling, man of vrouw.”
Mary bleef onderhandelen. Ze ging een paar keer heen en weer. In juni 1888 leende koning Eyo VII haar zijn kano, en in augustus vestigde ze zich in Ekenge. Daar woonde chief Edem, die haar grond gaf voor een huis en een school. Zijn zus Eme Ete, in de bronnen ook Ma Eme genoemd, werd haar vriendin. Ma Eme werd nooit christen. Wel hielp ze Mary herhaaldelijk om vrouwen en slaven te redden die gedood dreigden te worden.
Het is goed om bij die vriendschap stil te staan. In de oude verhalen staat de zendelinge alleen tegenover het duister. In werkelijkheid had ze bondgenoten onder de mensen zelf, en zonder hen was ze nergens geweest.
In Okoyong maakte ze dingen mee die in de missieboeken uitgebreid worden beschreven. Bij de dood van een belangrijk man werden slaven en vrouwen gedood om hem te volgen. Mensen die van hekserij werden verdacht, moesten een ordeel ondergaan met gif of kokende olie. Mary ging naar de besprekingen en protesteerde. In een zendingsblad uit 1902 schreef een collega dat Okoyong sinds 1889 veranderd was en dat er geen tweelingen meer werden gedood. Het is de stem van de zending zelf, maar het is wel een stem van toen. In één geval dat een vroege biograaf beschrijft, bleef een slaaf die al ter dood was veroordeeld, daardoor in leven. Een vroege biograaf noemt precieze aantallen slachtoffers per jaar. Die getallen heb ik nergens anders gevonden, dus ik neem ze niet over.
Zelf beschreef ze haar leven als één lang verslag van verhoord gebed. En aan een vriendin vroeg ze om voor haar werk te bidden op een zakelijke manier: concreet en gericht.
EEN VERLOVING DIE NIET DOORGING
In 1890 herstelde Mary van ziekte in Duke Town. Daar ontmoette ze Charles Morrison, een jonge onderwijzer van de zending. Hij was achttien jaar jonger. Ze deelden een liefde voor boeken en poëzie. In 1891 verloofden ze zich, op voorwaarde dat het zendingsbestuur hem zou toestaan met haar mee te gaan naar Ekenge.
Het bestuur weigerde. Mary ging niet terug naar de kust. De verloving liep af. Ze heeft, voor zover bekend, nergens opgeschreven wat dat met haar deed.
Hier zie je iets van wat het betekende om in die tijd vrouw te zijn in de zending. Mary kreeg veel ruimte, meer dan de meeste vrouwen. Maar over haar huwelijk, haar woonplaats en het meenemen van haar zieke zus beslisten mannen in een comité in Edinburgh. Ze kreeg kritiek omdat ze blootsvoets liep, haar haar kort knipte en de lange Victoriaanse onderrokken liet liggen. Ze klom in bomen. Op bijeenkomsten in Schotland was ze juist zenuwachtig; spreken voor publiek vond ze een beproeving.
David Calhoun vertelt over de kantlijn van haar Bijbel. Bij de woorden van Paulus dat vrouwen hun man onderdanig moeten zijn, schreef ze een scherpe tegenwerping. Hoe ze die woorden verder las, weten we niet. Het laat zien dat ze met de Bijbel worstelde terwijl ze las.
VICEGECONSUL IN HET BOS
In 1891 werd het gebied het Niger Coast Protectorate, onder Brits gezag. Een jaar later, in 1892, stelde consul-generaal Claude MacDonald Mary aan als vicegeconsul voor Okoyong. In de praktijk betekende het dat zij de inheemse rechtbank leidde. Hardage schrijft dat dit vooral bevestigde wat ze al deed: ruzies beslechten, vonnissen vellen, slaven en vrouwen beschermen. Livingstone noemt haar in zijn tijdtabel regeringsagent. Een traktaat van de Schotse geheelonthoudersbond uit omstreeks 1914 maakt er Brits consul van, en een artikel uit 1913 in het blad van haar eigen kerk zegt dat hoge commissaris Ralph Moor haar vroeg de rechtbank van Okoyong te leiden. Over de precieze titel en wie haar aanstelde, zijn de bronnen het dus niet eens. Wat ze deed, staat wel vast.
De reisschrijfster Mary Kingsley, die haar bezocht, noemde haar een echte blanke chief. De Okoyong noemden haar Ma. Volgens Hardage haatten ze haar soms, en hielden ze vaker van haar.
Hier moet ik eerlijk zijn over iets wat de oude missieboeken nauwelijks zagen. Door Mary werd Brits gezag in Okoyong zichtbaar, met een vrouw die vonnis sprak namens een vreemde regering. De Schotse historicus William Knox laat zien hoe dubbel dat was. Ze werkte met koloniale ambtenaren, maar botste geregeld met hen. Ze vond dat het land van de Afrikanen was. Een van haar uitspraken die hij aanhaalt is, vrij vertaald: “houd Afrika voor de Afrikanen.”
Hij citeert ook een brief uit 1905 waarin ze de Ibibio met harde, minachtende woorden beschrijft. Ze noemde volwassen Afrikaanse mannen jongens. Ze was een vrouw van haar tijd, met de blik van haar tijd. Volgens Knox veranderde haar denken wel: ze ging Europese voorsprong zien als een kwestie van kennis van Christus, niet van ras.
ITU, USE EN EEN RECHTBANK ZONDER LOON
In 1901 trok een Britse strafexpeditie op tegen de Aro, bij Arochukwu. Over haar houding daartegenover verschillen de bronnen. Hardage schrijft dat Mary de militaire ingreep niet ter discussie stelde. Knox schrijft dat ze in het algemeen tegen militaire expedities was en vreedzame verandering wilde. Haar eigen kerkblad schreef in 1913 dat de mensen langs de Enyong-kreek haar na de expeditie zelf vroegen om te komen; dat blad dateert de expeditie op 1902. Uit haar brieven blijkt geen principieel verzet. Eind 1905, toen er bij haar nog geen rechtszaal stond, schreef ze aan een Britse ambtenaar dat hij maar beter een Maxim, een machinegeweer, kon meenemen. Of dat spot was of ernst, valt uit die ene zin niet op te maken. Ik kan het meningsverschil tussen Hardage en Knox dus niet beslissen.
Wel staat vast dat ze kort daarna verder trok. In 1903 begon ze werk in Itu, aan de Cross River, en in 1904 vestigde ze zich er. In mei 1905 werd ze vicevoorzitter van de inheemse rechtbank, met de bevoegdheid van een magistraat. Haar brieven uit die maanden komen uit Ikot Obong, waar ze zitting hield. Ze weigerde er geld voor. Knox en Hardage noemen haar de eerste vrouwelijke magistraat in het Britse rijk. Of dat klopt, heb ik niet onafhankelijk kunnen controleren.
In 1907 begon ze in Use een toevluchtsoord voor mishandelde vrouwen. In 1909 legde ze haar functie als rechter neer. Knox schrijft dat het botste over de rechten van Afrikaanse arbeiders bij de aanleg van wegen; Britse bedrijven hadden over haar geklaagd. Hardage spreekt van een conflict met een jonge districtscommissaris. Haar eigen brieven, bewaard in Dundee, laten een rommeliger verloop zien. In februari 1909 schreef ze dat ze een ambtenaar had laten weten dat ze voor het laatst had gezeten. Ze was, vrij vertaald, “zo uitgeput”. Een nieuwe districtscommissaris, kapitein Warrey, vroeg haar te blijven. In april wist ze nog niet wat haar plaats was en wat het “toezicht” op haar rechtbank inhield. Ruzies met ambtenaren waren er wel, vooral over een klerk die zonder bevoegdheid bevelen gaf, waarna een bode van de rechtbank werd gedood.
Een andere districtscommissaris, Charles Partridge, werd een van haar trouwste briefvrienden. Hij was agnost. Volgens Hardage zei hij dat zij de enige zendeling was die hij kon waarderen. Hij bewaarde haar brieven en gaf ze in 1950 aan de bibliotheek van Dundee.
Ondertussen groeide haar huishouden. Hardage telt zes meisjes en twee jongens die ze als haar eigen kinderen grootbracht. Andere bronnen spreken van acht of negen. Volgens Calhoun had ze vaak ongeveer twaalf baby’s tegelijk in haar hutten. Janie, het tweelingmeisje uit Old Town, bleef tot het eind bij haar. Haar geadopteerde zoon Dan ging in 1907 mee op haar laatste verlof naar Schotland.
Ze gaf de kinderen westerse, christelijke namen. Ook dat hoort bij het eerlijke verhaal. Ze nam hen op uit liefde, en ze voedde hen op als Schotse presbyteriaanse kinderen.
Ze bleef trekken. Vanaf 1910 werkte ze ook in Ikpe, ongeveer twintig mijl van Use, en in 1913 begon ze in Odoro Ikpe. Ze was toen vierenzestig en vaak ziek. Livingstone haalt haar uitspraak aan dat Christus nooit haast had. Ze reisde door zolang ze kon.
In 1913 werd ze, op voordracht van Frederick Lugard, opgenomen in de Orde van Sint Jan. Volgens een vroege biograaf vroeg ze zich hardop af wie zij was dat ze zoiets kreeg.
EEN EFIK-GEBED IN DE NACHT
In augustus 1914 begon haar laatste ziekte. Op 13 januari 1915, voor het licht werd, stierf ze in Use Ikot Oku, met haar meisjes bij haar bed. Ze was zesenzestig.
Haar laatste woorden waren volgens Hardage een gebed in het Efik: “O Abasi, sana mi yak.” Dat betekent: o God, laat mij gaan. Wie het hoorde en opschreef, vermeldt Hardage niet. Ik vind het veelzeggend dat ze in die laatste nacht bad in de taal van de mensen bij wie ze woonde.
Haar lichaam ging met een boot de rivier af naar Duke Town. De vlaggen hingen halfstok. De kist, onder een Britse vlag, werd in een stoet naar Mission Hill gedragen. Daar werd ze begraven. Gouverneur-generaal Frederick Lugard stuurde condoleances en schreef een lofrede.
In haar Bijbel had ze bij Paulus’ hoofdstuk over de opstanding geschreven, vrij vertaald: “Halleluja! Wat een hoogtepunt!” Het ging om de woorden: De dood is verslonden tot overwinning. (1 Korinthe 15:54).
EEN BEELD OP MARY SLESSOR AVENUE
Na haar dood werd Mary Slessor een legende. De eerste biografie verscheen in het jaar van haar dood, en vele volgden. Andrew Walls zei lang dat er geen volledig en verantwoord verslag van haar leven bestond. William Knox noemt de oude levensbeschrijvingen bijna heiligenlevens. Hardage schrijft dat de legende soms de werkelijkheid vervangt, ook vandaag.
In Nigeria is het beeld van Mary vooral verbonden met de tweelingen. Op scholen wordt geleerd dat zij een eind maakte aan het doden van tweelingen in Calabar. Aan Mary Slessor Avenue in Calabar staat een beeld van haar met twee baby’s.
De Nigeriaanse historicus David Imbua schreef daar een scherp artikel over, met de titel Robbing Others to Pay Mary Slessor. Hij noemt het een algemeen aangenomen veronderstelling waarvoor concreet bewijs ontbreekt; ze rust op basisteksten die steeds dezelfde verkeerde conclusies herhalen. Hij wijst op Europese zendelingen die al vóór haar komst tegen die praktijk streden. En hij wijst vooral op de Efik zelf, zoals koning Eyo Honesty II van Creek Town, die halverwege de negentiende eeuw door Europeanen werd geprezen om zijn steun aan de afschaffing. Eyo stierf in 1858, achttien jaar voordat Mary aankwam. Imbua haalt de Nigeriaanse historicus Emmanuel Ayandele aan, die schreef dat geen enkele andere chief in Nigeria in die tijd zo diep ingreep in de religieuze grondslag van zijn eigen samenleving. Het verhaal van één Schotse vrouw die een heel volk redde, maakt de Afrikanen die zelf kozen voor verandering onzichtbaar.
Ik vind dat een terechte correctie. Mary redde tweelingen, en dat staat vast. Maar ze was één schakel in een lange keten, en een deel van die keten droeg Efik-namen.
Andere stemmen zijn milder. De Nigeriaanse kerkhistoricus Ogbu Kalu schreef dat ze een nieuw soort mens was, die Afrikaans werd. Er waren ook Nigeriaanse historici die kritiek hadden op haar eenvoudige dorpsscholen zonder Engels, waar ambitieuze leerlingen op den duur wegbleven. In Calabar staat haar naam op een plaquette in het Millennium Park, tussen honderd mensen die de deelstaat Cross River wil eren.
Wat zie jij als je aan haar denkt? Een heldin die alleen het bos in ging? Of een vrouw die met haar zwakke lichaam, haar harde oordelen en haar grote hart tussen twee werelden in stond?
In Dundee hangt sinds 1923 een glas-in-loodraam over haar leven, nu in het café van het McManus-museum, en bij de Steeple Church werd in februari 2015 een granieten gedenksteen onthuld.
Ze ligt op Mission Hill in Calabar, naast twee Schotse vrienden uit de zending. Het is een begraafplaats waar vroeger de lichamen van slaven werden achtergelaten.
Wat vaststaat en wat verteld wordt
Vaststaat (meerdere onafhankelijke bronnen): geboorte op 2 december 1848 in Aberdeen; de verhuizing naar Dundee in 1859 en het werk als half-timer bij Baxter Brothers; een vader die dronk; vertrek op 5 augustus 1876 en aankomst in Calabar in september 1876; haar werk in Duke Town, Old Town en Creek Town; de dood van haar moeder en zussen in de jaren 1885 en 1886; vestiging in Ekenge in Okoyong in 1888 en de steun van chief Edem en zijn zus Eme Ete; de verloving met Charles Morrison in 1891 en de weigering van het bestuur; een aanstelling met rechterlijke taken in Okoyong in 1892 (door Claude MacDonald volgens Hardage en anderen); het werk in Itu, Use en Ikpe; de functie als rechter in de inheemse rechtbank vanaf 1905, met zittingen in Ikot Obong (haar eigen brieven aan Charles Partridge, Dundee); haar plan in februari 1909 om te stoppen wegens uitputting en het verzoek van kapitein Warrey om te blijven (eigen brieven); de Orde van Sint Jan in 1913 op voordracht van Lugard; het glas-in-loodraam (1923) en de gedenksteen (2015) in Dundee; overlijden op 13 januari 1915 en de begrafenis in Duke Town.
Alleen uit eigen getuigenis of latere overlevering: het bekeringsverhaal met de weduwe en het vuur; het bendeverhaal in Dundee; de details van haar aankomst in Ekenge (het lege dorp, de kapotte voeten); de uitspraak van de Okoyong dat ze geen zendeling wilden; de kantlijnnotities in haar Bijbel; haar laatste woorden in het Efik.
Onbevestigd: haar precieze titel in 1892 (vicegeconsul bij Hardage, regeringsagent bij Livingstone, Brits consul in een traktaat uit omstreeks 1914; een kerkblad uit 1913 noemt Ralph Moor als degene die haar vroeg); de aantallen mensen die volgens een vroege biograaf bij begrafenissen werden gedood; het idee dat zij alleen een eind maakte aan het doden van tweelingen (wetenschappelijk betwist door Imbua; van zijn artikel kon ik alleen het begin lezen, de rest zit achter een betaalmuur; het sterfjaar 1858 van Eyo Honesty II komt via Wikipedia uit oudere literatuur); of ze de eerste vrouwelijke magistraat in het Britse rijk was; haar houding tegenover de strafexpeditie van 1901 (Hardage en Knox spreken elkaar tegen; haar kerkblad dateert de expeditie op 1902; haar opmerking over een Maxim in 1905 is niet eenduidig); de precieze reden en datum van haar vertrek uit de rechtbank in 1909 (Knox: arbeidsrechten bij wegenbouw, Hardage: conflict met een districtscommissaris, eigen brieven: uitputting; de brieven na april 1909 kon ik niet openen); het precieze aantal kinderen dat ze grootbracht (zes tot negen); de verhalen dat ze mannen een oorvijg gaf (een recensent noemt ze ongecontroleerd maar waarschijnlijk).
Duiding: of Mary Slessor vooral een bevrijder of vooral een werktuig van het Britse rijk was, is een vraag waarop historici verschillend antwoorden. Volgens de meeste was ze allebei.
Bronnen bij dit hoofdstuk
- Jeanette Hardage, “Slessor, Mary Mitchell”, Dictionary of African Christian Biography
- Frederick Quinn, “Slessor, Mary”, Dictionary of African Christian Biography
- W.P. Livingstone, Mary Slessor of Calabar: Pioneer Missionary (1916), Project Gutenberg
- W.P. Livingstone, The White Queen of Okoyong (1916), Project Gutenberg
- William W.J. Knox, “Mary Mitchell Slessor: Serving God and Country”, in The Lives of Scottish Women
- Jeanette Hardage, Mary Slessor: Everybody’s Mother, inleiding (Lutterworth Press)
- Shirley Nelson, “Along Came Mary”, Books & Culture / Christianity Today, 2009
- David L. Imbua, “Robbing Others to Pay Mary Slessor”, African Economic History 41
- Imbua, samenvatting via ProQuest
- Cuthbert McEvoy, Mary Slessor (Carey Press)
- David B. Calhoun, “Mother of All the Peoples”, Knowing & Doing, 2010
- Michael Ruth, “Mary Slessor”, EBSCO Research Starters
- Undiscovered Scotland, “Mary Slessor”
- Wikipedia, “Mary Slessor”
- Wikipedia, “Killing of twins in Nigeria”
- Missiology.org.uk, bibliografie Mary Slessor
- Leisure & Culture Dundee, Local History Centre, “Mary Slessor” (collectie en gedenktekens)
- Leisure & Culture Dundee, brieven van Mary Slessor aan Charles Partridge 21 tot 30 (1905 tot 1906)
- Leisure & Culture Dundee, brieven 31 tot 40 (1907 tot 1908)
- Leisure & Culture Dundee, brieven 51 tot 60 (1908 tot 1909)
- Leisure & Culture Dundee, artikelen 1 tot 12 uit zendingsbladen (1902 tot 1915)
- Leisure & Culture Dundee, brieven en artikelen 13 tot 24 (o.a. Record 1913)
- Dundee Women’s Trail, “Mary Slessor”
- Wikipedia, “Eyo Honesty II”