Op een avond in maart 1901 liep een meisje van zeven een tempelhuis uit. Ze woonde bij vrouwen die haar voor de tempel opleidden, in een dorp in het uiterste zuiden van India. Een keer eerder was ze al weggelopen, twee dagen lopen naar haar moeder in Tuticorin, het huidige Thoothukudi. Haar moeder had haar teruggebracht. Nu ging ze opnieuw. Ze liep de dorpsstraat door, “langs de tempelmuren, en niemand hield haar tegen” (vrij vertaald). In een dorp verderop vond een vrouw haar en nam haar mee.
Zo vertelde Amy Carmichael het dertig jaar later in haar boek Gold Cord. Ze noemde het meisje Pearleyes; in andere boeken heet ze Preena. Andere bronnen zeggen dat de vrouw die haar vond een christen was, en dat het meisje zelf naar “de Amma” vroeg, de buitenlandse vrouw die in de omgeving rondtrok. De datum die Amy geeft is 6 maart. Later vertelde Preena zelf: “Vanaf die dag werd ze mijn moeder” (vrij vertaald).
Dat werd ze. Voor dit meisje, en daarna voor honderden anderen. De gemeenschap die rond haar groeide, de Dohnavur Fellowship, zou volgens de beweging zelf en haar biografen aan meer dan duizend kinderen een thuis geven. Amy Carmichael trouwde nooit en kreeg geen eigen kinderen. De kinderen noemden haar wel hun leven lang Amma: moeder, in het Tamil.
Ze was toen vierendertig. Ze kwam van ver.
EEN MOLENAARSDOCHTER UIT MILLISLE
Amy Beatrice Carmichael werd geboren op 16 december 1867 in Millisle, een dorp aan de kust van County Down. Het hele eiland Ierland hoorde toen bij het Verenigd Koninkrijk; Millisle ligt nu in Noord-Ierland. Ze was de oudste van zeven kinderen. Haar vader David had een maalderij, haar moeder heette Catherine. Het was een presbyteriaans gezin, van Schotse afkomst, met de Bijbel op tafel.
Er is een verhaal over haar ogen dat ze later vaak vertelde. Als klein meisje bad ze om blauwe ogen. Het gebed werd niet verhoord. Jaren later, in India, was ze daar blij om. Bruine ogen vielen tussen Tamilvrouwen niet op. Het verhaal komt van haarzelf. Niemand anders kan het bevestigen, en dat hoeft ook niet. Het zegt vooral hoe zij haar eigen leven terugkeek: als iets waar God al vroeg mee bezig was.
Ze ging naar een methodistische meisjeskostschool in Harrogate, in het Engelse Yorkshire. Daar kwam ze, volgens haar biografen, tot een persoonlijk geloof. Toen de familie in geldnood kwam, haalden haar ouders haar naar huis.
MEISJES MET EEN OMSLAGDOEK
Rond 1883 verhuisde het gezin naar Belfast. Twee jaar later stierf haar vader, volgens een recente biografische schets aan een longontsteking. Amy was toen achttien en de oudste. Ze droeg mee aan de zorg voor haar broers en zussen.
Belfast was een stad van spinnerijen en linnenmolens. De meisjes die daar werkten, droegen een omslagdoek over hun hoofd, omdat ze geen hoed konden betalen. Ze heetten daarom “shawlies”. In nette kerken waren ze niet altijd welkom. Amy begon voor hen een zondagsklas in een zaal van de presbyteriaanse kerk aan Rosemary Street. De groep groeide tot honderden.
Er moest een eigen gebouw komen. In 1887 gaf een vrouw, Kate Mitchell, vijfhonderd pond, en een molenaar schonk een stuk grond. Zo verrees de Welcome Hall. Uit dit werk groeide later de Welcome Evangelical Church, die er nog steeds is.
Een negentienjarige vrouw die geld inzamelt, een zaal laat bouwen en honderden fabrieksmeisjes onderwijst. Dat was in het Belfast van de jaren tachtig niet gewoon. De bronnen zeggen weinig over hoe kerkleiders daarop reageerden. Wel staat vast dat zij het deed, en dat het bleef staan.
EEN STEM IN KESWICK
In 1887 ging Amy naar de Keswick Convention, een jaarlijkse zomerconferentie in het Engelse Lake District. Daar kwamen christenen uit allerlei kerken samen om te spreken over een heilig leven, een leven dat helemaal aan God is overgegeven. In Keswick hoorde ze Hudson Taylor spreken, de stichter van de China Inland Mission. Vanaf dat moment trok het buitenland aan haar.
Via Keswick leerde ze Robert Wilson kennen, de voorzitter van de conventie. Amy ging bij zijn gezin in Engeland wonen. Officieel adopteerde hij haar nooit. Wel schreef ze nog tot 1912 onder de naam Amy Wilson-Carmichael.
Ze meldde zich bij de China Inland Mission. In 1892 werd ze afgewezen. Haar gezondheid was te zwak, oordeelde de zending. Ze had last van neuralgie, zenuwpijn die ze haar leven lang zou houden.
Heb je ooit een deur dicht zien gaan waarvan je zeker wist dat God je erdoorheen stuurde? Voor Amy was dit zo’n deur. Ze ging niet naar China. Ze ging een jaar later toch.
BONTHANDSCHOENEN IN JAPAN
In 1893 vertrok ze naar Japan, als eerste zendeling die de Keswick-beweging zelf uitzond. Ze sloot zich aan bij het werk van Barclay Buxton. Haar brieven van daar werden haar eerste boek, From Sunrise Land.
Uit Japan stamt een verhaal dat ze zelf vertelde. Ze sprak met een oude vrouw over Christus. De vrouw keek steeds naar haar handen. Amy droeg bonthandschoenen, en die leidden de vrouw volledig af. Ze deed ze uit, en vanaf toen droeg ze Japanse kleding. Ze volgde daarin het voorbeeld van Hudson Taylor.
Lang bleef ze niet. Ze had last van hoofdpijn en zenuwpijn, en Robert Wilson kreeg een beroerte. Ze ging naar Ceylon, het huidige Sri Lanka, en voor het einde van 1894 was ze terug in Engeland. Een mislukte start, zou je zeggen.
EEN VROUW VOOR DE VROUWENVERTREKKEN
In 1895 werd ze aangenomen door de Church of England Zenana Missionary Society. Een zenana was het vertrek in een Indiaas huis waar de vrouwen leefden. Mannen van buiten kwamen daar niet binnen, dus een mannelijke zendeling ook niet. Alleen vrouwen konden er de Bijbel lezen en bidden. Zo kwam er in de zending ruimte voor ongetrouwde vrouwen als Amy.
In november 1895 kwam ze aan in India. Ze zou het land nooit meer verlaten. Eerst was ze in Bangalore, voor haar gezondheid, en leerde ze Tamil. Daarna trok ze naar het zuiden, naar Tinnevelly, het huidige Tirunelveli. Daar werkte de anglicaanse zendeling Thomas Walker met zijn vrouw Catherine. Onder zijn leiding leerde ze Tamil en trok ze met Indiase christenvrouwen rond.
India was toen een Britse kolonie, en dat zou het blijven tot 1947. Zendelingen kwamen uit hetzelfde land als de bestuurders. Die spanning lag over al het zendingswerk uit die jaren, ook over dat van Amy.
DE STARRY CLUSTER
In 1897 vormde Amy een groep rondtrekkende evangelisten met Indiase christenvrouwen. Ze werden de Starry Cluster genoemd, een sterrenhoop. Ze trokken van dorp naar dorp, lazen de Bijbel voor aan vrouwen en baden met hen. Over een Indiase vrouw uit haar kring, Ponnammal, schreef Amy in 1918 een boek.
Elisabeth Elliot, haar bekendste biografe, vertelt dat iemand Amy aanraadde om roze wol mee te nemen. Dan konden de vrouwen breien terwijl ze luisterden. Amy weigerde. Volgens Elliot zag ze zo’n lokmiddel als ongeloof.
In 1909 schreef ze in Lotus Buds dat haar groep gewoon was om, zoals zij het zei, “in Indiase kleding” rond te lopen (vrij vertaald). Ze vielen dan in een menigte bij de tempel niet op. In Gold Cord legt ze uit waarom: wie buitenlands was in kleding, eten of gewoonten, deed volgens haar de enige deuren op slot naar het leven van de mensen.
Daar hoort het bekendste verhaal over haar bij. Ze zou haar huid met koffie donkerder hebben gemaakt en de kleding van Tamilvrouwen hebben gedragen, om bij de mensen te horen die ze hielp. Dit verhaal staat in bijna elke korte levensschets. Een artikel van de Church Mission Society uit 2009 geeft er een ander doel bij: zo kon ze hindoetempels binnengaan om te zien wat er met de kinderen gebeurde. Ik heb het in de stukken van haar eigen boeken die ik kon lezen niet gevonden. Het lijkt via haar biografen te zijn doorgegeven. Of het precies zo ging, en hoe vaak, kan ik niet vaststellen. Je kunt het ook anders lezen. Een witte vrouw die zich donkerder maakt, roept vandaag ongemakkelijke vragen op. Voor haar was het, als het gebeurde, een manier om niet op te vallen.
“THINGS AS THEY ARE”
Amy schreef over wat ze zag, en ze schreef het onverbloemd. In 1903 verscheen Things as They Are, over het zendingswerk in Zuid-India. Ze wilde laten zien hoe het werk werkelijk ging, ook waar het tegenzat. Eugene Stock van de Church Missionary Society schreef het voorwoord. Over sommige dingen die ze wist, zei hij: “Als ze het opschreef, kon het niet gedrukt worden” (vrij vertaald).
Niet iedereen geloofde haar. Volgens een latere uitgave twijfelden sommige lezers in Engeland. Een recensent noemde het boek pessimistisch. Later kwamen er verklaringen van andere zendelingen bij die bevestigden wat ze schreef.
Ook in India zelf werd ze eerst niet geloofd. In Gold Cord vertelt ze over F.R. Hemingway, een Britse ambtenaar van de Indian Civil Service. Hij was verontwaardigd over haar boek en dacht dat het niet klopte. Hij ging zelf op onderzoek uit, en kwam terug als vriend. Hij vroeg haar om droge, zakelijke aantekeningen en legde die voor aan de gouverneur van de provincie Madras. Daarna vroeg de regering meer dan eens om informatie, en Amy gaf die in stilte. Een jaartal noemt ze daarbij niet.
In de zendingswereld zelf zorgde ze ook voor wrijving. In haar vroege brieven was ze scherp over zendelingen die ze te gemakkelijk vond.
KINDEREN VOOR DE TEMPEL
Na Preena kwamen er meer kinderen. In 1901 vestigden Amy, de Walkers en hun Indiase medewerkers zich in Dohnavur, een dorp ongeveer vijftig kilometer van de zuidpunt van India. Het dorp was genoemd naar een Duitse graaf, Dohna, die begin negentiende eeuw Duitse zendelingen had gesteund. In 1904 woonden er meer dan dertig kinderen, in 1907 meer dan zeventig, in 1913 meer dan honderddertig. Die getallen komen uit christelijke levensschetsen van haar.
Waar kwamen die kinderen vandaan? Hier moet ik voorzichtig zijn. In sommige hindoetempels in Zuid-India woonden devadasi’s, letterlijk “dienaressen van de godheid”. Meisjes werden als kind aan de god van de tempel opgedragen. Christelijke bronnen over Amy spreken van tempelprostitutie, en ook de onderzoeker N.J. Cho schrijft dat de Fellowship kinderen wilde beschermen tegen seksuele uitbuiting.
In Lotus Buds beschrijft Amy hoe kinderen volgens haar bij de tempel terechtkwamen. Een weduwe gaf haar dochter, omdat een meisje dat aan de god was gegeven nooit weduwe kon worden. Grootmoeders en tantes droegen kinderen op. Oudere tempelvrouwen wilden een dochter die later voor hen zou zorgen. Soms noemt ze ontvoering. De kinderen in haar verhalen zijn soms baby’s, soms zes, acht of twaalf jaar oud.
Het is haar beeld, en het is het beeld van een buitenstaander. Wetenschappers lezen het vandaag kritisch. De literatuurwetenschapper Jo-Ann Wallace schreef in 1998 dat Amy in Lotus Buds koloniale beelden van Indiase danseressen gebruikte om haar werk te rechtvaardigen. Ze noemde het reddingswerk zelfs “de ontvoering van de jongen en kwetsbaren” (vrij vertaald). Cho, van de Nottingham Trent University, ziet het anders. Volgens Cho ging het om echte bescherming van kinderen, en zocht Amy in haar liederen naar Indiase beelden: het landschap, de dieren, de bloemen van Tamil Nadu.
De Indiase theoloog J. Baskar Jeyaraj uit Madurai, die zelf in kinderwerk staat, beschrijft haar werk als een missie aan kwetsbare kinderen. Hij vertelt ook iets wat in de meeste levensschetsen ontbreekt. Gedoopte bekeerlingen werden soms in de Fellowship opgenomen om hen te beschermen tegen hun hindoefamilie, en de Fellowship regelde huwelijken zodat ze christen konden blijven. Voor die families kan dat een verlies zijn geweest.
Er waren ook Indiase stemmen tegen het stelsel, en die waren niet van zendelingen. De arts Muthulakshmi Reddy, zelf dochter van een vrouw die devadasi was geweest, sprak met honderden devadasi’s en stelde rond 1930 in de wetgevende raad van Madras voor om het opdragen van meisjes te verbieden. Het duurde tot 1947 voordat die wet er kwam. In Gold Cord schrijft Amy alleen dat een vooraanstaande Indiase vrouw de strijd in Zuid-India leidde. Ze noemt geen naam. Zelf hield ze vast aan iets anders: wat de wet ook zei, het redden van kinderen moest in stilte doorgaan.
Ik kan die vragen niet voor je oplossen. Er waren kinderen die gevaar liepen, dat zeggen ook critici niet tegen. En er waren families die het anders zagen dan Amy. Beide horen in dit verhaal.
INKT OP DE TONG
Dohnavur werd een eigen wereld. Amy was er de moeder van allen. De kinderen kregen Indiase namen en droegen Indiase kleding. In 1916 vormde ze met ongetrouwde vrouwen de Sisters of the Common Life, een protestantse gemeenschap van vrouwen die zonder huwelijk voor het werk leefden. Velen van hen waren Indiase christenvrouwen.
In 1918 kwam het eerste jongetje. Er kwam een huis voor jongens, van wie velen kinderen waren van vrouwen uit de tempels. Rond die tijd kreeg Amy de Kaiser-i-Hind-medaille, een Britse onderscheiding voor dienst aan India. Het Dictionary of Ulster Biography noemt 1918, het Ierse vrouwenmuseum Herstory 1919. De officiële bekendmaking heb ik niet gevonden.
Ze vroeg niemand om geld. Net als George Müller, die in het Engelse Bristol weeshuizen leidde zonder om giften te vragen, bad ze voor wat nodig was: geld, een kinderkamer, een auto, een ziekenhuis.
Ze was ook streng. Een recent artikel in Christianity Today vertelt dat ze kinderen die logen inkt op de tong deed, of een bordje liet dragen met het woord LIE. Zij zag dat als liefde. Bijna niemand zou het nu zo zien. Met andere zendelingen botste ze geregeld. Ze toetste nieuwe medewerkers zo hard dat er wrijving ontstond. Na een conflict met de jonge Stephen Neill, uit een artsenfamilie, verliet de familie Neill het werk. Wat er precies speelde, is niet duidelijk.
Hoe hard mag liefde zijn? In haar boekje If schreef Amy dat wie geen medelijden heeft met zijn medeknecht, niets weet van de liefde van Golgotha.
LOS VAN DE GENOOTSCHAPPEN
In de jaren twintig kwam er een breuk. In 1925 maakte Amy zich los van de zendingsgenootschappen waar ze mee verbonden was. Volgens één bron wilde een van die organisaties het werk naar zich toe trekken. Volgens een andere bron vertrok ze uit de Zenana Missionary Society omdat die samenwerkte met mensen die de Bijbel niet meer als door God gegeven zagen. In 1926 stelde ze voor Dohnavur eigen beginselen op, en in 1927 werd de Dohnavur Fellowship een zelfstandig geregistreerde organisatie.
Er kwam een ziekenhuis, Parama Suha Saalai: de plaats van hemelse genezing. Over het jaar verschillen de bronnen. Een noemt 1912 als het moment dat er geld en mensen kwamen, het Dictionary of Ulster Biography noemt 1929. De Fellowship zelf schrijft dat het ziekenhuis sinds 1936 zorg verleent.
Vanaf nu stond er geen bisschop of zendingsbestuur meer boven haar werk. De bronnen die ik las zeggen weinig over tegenwerking omdat ze een vrouw was. Wel over hoe ze haar eigen weg ging, en wat dat kostte aan vriendschappen.
EEN KUIL IN DE GROND
In 1931 viel Amy. Volgens Christianity Today zakte ze in een kuil, ontwrichtte ze haar enkel en brak ze haar been. Ze had al artritis. Ze werd niet meer de oude. De laatste twintig jaar van haar leven lag ze grotendeels op bed.
Volgens de levensschetsen had ze die dag gebeden dat God alles mocht doen wat haar geschikter maakte om Hem en haar geliefden te dienen.
Vanuit dat bed schreef ze. In 1932 verscheen Gold Cord, het verhaal van de Fellowship. Daarna volgden boeken als Gold by Moonlight en Windows. In totaal schreef ze er ongeveer vijfendertig; de Church Times telt er achtendertig die tijdens haar leven verschenen. Voor elk boek stelde ze zichzelf, volgens Christian History, vijf vragen. Is het waar? Helpt het? Is het vriendelijk? Is het nodig? En draagt het iets van de eeuwigheid in zich?
Ik schrijf zelf boeken. Die laatste vraag neem ik mee.
Een uitspraak van haar gaat al tientallen jaren rond. Iemand vroeg haar hoe het leven van een zendeling was. Ze zou geantwoord hebben: “Het zendingsleven is gewoon een kans om te sterven” (vrij vertaald). Elisabeth Elliot gebruikte die woorden als titel van haar biografie. Of Amy het letterlijk zo zei, weet ik niet.
EEN VOGELBAD MET ÉÉN WOORD
India werd in 1947 onafhankelijk. Datzelfde jaar nam de provincie Madras de wet aan die het opdragen van meisjes aan tempels verbood en devadasi’s het recht gaf te trouwen. In 1948 viel Amy opnieuw, en daarna kon ze bijna niet meer bewegen.
Amy Carmichael stierf op 18 januari 1951 in Dohnavur. Ze was drieëntachtig. Vijfenvijftig jaar had ze in India gewoond, en ze was er nooit weggegaan.
Ze had gevraagd om geen steen op haar graf. De kinderen zetten er een vogelbad neer, met één woord erop: Amma.
De Fellowship bestaat nog. Ze wordt nu geleid door Indiërs en is verbonden met de Church of South India, een protestantse kerk waarin onder meer anglicanen, methodisten en presbyterianen samengingen. Er wonen en werken ongeveer vijfhonderd mensen, er is een ziekenhuis, er zijn scholen. Volgens de Fellowship zelf wordt het werk gedragen door haar “achterkleinkinderen”, kinderen van de kinderen van haar kinderen. Familie van bloed is het niet.
Een vogelbad is geen grafsteen. Er staat geen geboortejaar op en geen sterfdatum. Alleen de naam die de kinderen haar gaven.
Wat vaststaat en wat verteld wordt
Vaststaat (meerdere onafhankelijke bronnen): geboorte op 16 december 1867 in Millisle; presbyteriaans gezin; werk onder de shawlies in Belfast en de Welcome Hall (1887); Keswick en Hudson Taylor; afwijzing door de China Inland Mission (1892); Japan (1893) en terugkeer eind 1894; Church of England Zenana Missionary Society en aankomst in India in 1895; samenwerking met Thomas Walker in Tirunelveli; komst van Preena in 1901 en vestiging in Dohnavur; Sisters of the Common Life (1916); jongenswerk vanaf 1918; een Kaiser-i-Hind-medaille rond 1918 of 1919 (twee bronnen); registratie van de Fellowship (1927); het verbod op het opdragen van meisjes aan tempels in de provincie Madras in 1947, na een voorstel van Muthulakshmi Reddy rond 1930; val in 1931 en bedlegerigheid; overlijden op 18 januari 1951 in Dohnavur; ongeveer vijfendertig boeken; voortbestaan van de Fellowship onder Indiase leiding.
Alleen uit eigen getuigenis of latere overlevering: het gebed om blauwe ogen; de bonthandschoenen in Japan; de details van Preena’s vlucht (uit Gold Cord); hoe kinderen aan de tempel werden gegeven (haar eigen beschrijving in Lotus Buds); de roze wol (via Elisabeth Elliot); het gebed op de dag van de val (via levensschetsen); de uitspraak over “een kans om te sterven”; het verhaal over F.R. Hemingway en de gouverneur van Madras (alleen uit Gold Cord, zonder jaartal).
Onbevestigd: het kleuren van haar huid met koffie (alleen in latere levensschetsen, waaronder de Church Mission Society in 2009, niet gevonden in haar eigen boeken die ik kon lezen); het precieze jaar van de medaille (1918 of 1919; de officiële bekendmaking niet gevonden); het jaar van het ziekenhuis (1912, 1929 of, volgens de Fellowship zelf, 1936); de oorzaak van de breuk met de familie Neill; de precieze reden van de breuk met de genootschappen; het aantal van meer dan duizend kinderen (afkomstig uit de beweging en haar biografen); het opschrift bij haar graf (vogelbad met Amma, volgens één bron een steen met Ammai).
Duiding: over het devadasi-stelsel bestaan verschillende lezingen. Amy beschreef het als uitbuiting van kinderen; latere onderzoekers wijzen erop dat haar beeld gekleurd was door koloniale verhalen. Indiase hervormers als Muthulakshmi Reddy streden zelf tegen het opdragen van meisjes; een grondige Indiase historische studie van het stelsel, zoals die van Davesh Soneji (2012), heb ik niet kunnen inzien. De studie van Hans Kommers, Triumphant Love (AOSIS, 2017), is de uitgebreidste over haar werk en staat open access online (22 hoofdstukken), maar de volledige tekst was vanuit mijn werkomgeving niet te openen. Wie dit hoofdstuk verder controleert, kan daar het beste beginnen, vooral voor het jaar van het ziekenhuis, de medaille en de breuk van 1925.
Bronnen bij dit hoofdstuk
- Boston University, History of Missiology: Carmichael, Amy Beatrice
- Dictionary of Ulster Biography: Amy Beatrice Carmichael
- John Roxborogh, biografische schets (IBMR 1996)
- Christian History 128 (2018), “For the love of God’s Word”
- Christianity Today, Hunter Beless over Amy Carmichael (2023)
- Ligonier, Aaron Garriott, “Who Was Amy Carmichael?” (2023)
- University of Gloucestershire Chaplaincy, “Amy our Amma” (2024)
- Amy Carmichael, Gold Cord (1932), Internet Archive
- Amy Wilson-Carmichael, Lotus Buds (1909), Project Gutenberg
- Amy Wilson-Carmichael, Things as They Are (1903), Project Gutenberg
- Over Jo-Ann Wallace, “Lotus Buds: Amy Wilson Carmichael and the Nautch-Girls of South India” (1998)
- N.J. Cho, Modern Language Review (2009)
- J. Baskar Jeyaraj, Amy Carmichael of Dohnavur (IAMS 2016)
- Dohnavur Fellowship
- Dohnavur Fellowship, Healthcare (Parama Suha Saalai)
- Hans Kommers, Triumphant Love (AOSIS 2017), catalogus en inhoudsopgave
- Herstory Ireland, Amy ‘Amma’ Carmichael (2019)
- Church Times, “Madcap missionary who saw God provide” (2016)
- Church Mission Society, Missionary lives: Amy Carmichael (2009)
- Live History India, Dr Muthulakshmi Reddy: A Pioneering Feminist
- Wikipedia: Madras Devadasis (Prevention of Dedication) Act, 1947 (startpunt)
- Wikipedia: Amy Carmichael (startpunt)