Vrouwenvan God

Deel 1 · Vrouwen van God · Hoofdstuk 8

Johanna Veenstra

de typiste die naar Lupwe ging

1894-1933Lupwe, Nigeria

Op 2 oktober 1919 lag de Mauretania in de haven van New York. Aan boord stond een jonge vrouw van vijfentwintig uit Paterson, New Jersey. Op de kade stonden vrienden. Toen het schip losmaakte, begonnen ze te zingen. Het waren geestelijke liederen.

Een medepassagier luisterde mee en draaide zich naar haar om. Zo schreef ze het later zelf op. Hij zei, vrij vertaald: “Ik geloof echt dat ze voor jou zingen.”

Dat deden ze. Johanna Veenstra was op weg naar Afrika, naar een gebied dat de Engelsen toen de Sudan noemden. Ze had geen kerk die haar uitzond, want haar eigen kerk had nog geen buitenlandse zending. Ze reisde onder een Britse zendingsorganisatie, en ze reisde grotendeels alleen. Ruim dertien jaar later zou ze in Nigeria begraven worden. Haar kerk zou pas daarna volgen, en tegenwoordig noemen christenen van het Kuteb-volk haar hun geestelijke moeder.

Ze begon als een meisje dat van de zondagsschool werd gestuurd.

EEN NEDERLANDSE KERK IN EEN AMERIKAANSE STAD

Paterson ligt vlak bij New York. In het midden van de negentiende eeuw kwamen er Nederlandse immigranten naartoe. Ze vonden er werk en een gemeenschap waar ze hun eigen taal konden spreken. Al vroeg stichtten ze een gemeente, de eerste Nederlandse immigrantengemeente in New Jersey. Ze hechtten aan de leer van de Synode van Dordrecht, de grote gereformeerde synode van 1618 en 1619. Na een paar wisselingen sloot de gemeente zich aan bij een kerk die in het Engels toen de True Dutch Reformed Church heette, de Ware Nederlandse Gereformeerde Kerk. Tegenwoordig heet die de Christian Reformed Church, de Christelijk Gereformeerde Kerk in Noord-Amerika, kortweg CRC.

Voor een Nederlandse lezer voelt die wereld vertrouwd. Catechisatie, belijdenis doen, een dominee die huisbezoek aflegt. In de kerk waar Johanna opgroeide, gingen de diensten in het Nederlands. Dat schrijft ze zelf in haar boek.

Ze werd geboren op 19 april 1894 in Paterson. Haar vader was William Veenstra, predikant in de CRC. Haar moeder heette Cornelia Anna de Hoop, volgens een overzicht dat ik niet uit een tweede bron kon bevestigen. Uit welk deel van Nederland de familie kwam, heb ik niet kunnen vinden. Heritage Hall, het archief van Calvin University in Grand Rapids, bewaart een collectie over Johanna met een familiegeschiedenis erin, maar die is niet online te lezen. Een geboorteakte of emigratiegegeven heb ik niet gezien. Dat laat ik dus open.

Wat wel vaststaat: haar vader stierf in 1902. Hij was nog geen vijfendertig. Johanna was toen hooguit acht.

VAN DE ZONDAGSSCHOOL GESTUURD

Over de jaren daarna is ze in haar eigen boek eerlijk. Ze noemt zichzelf als kind erg ondeugend. Op haar dertiende werd ze van de zondagsschool gestuurd, na een grap waarbij ze deed alsof ze flauwviel bij een catechisatieleraar. Op de gewone school moest ze voor haar veertiende drie keer naar het hoofd van de school.

Het Christian History Institute schrijft dat ze na de dood van haar vader boos en opstandig werd. Hoe ze dat zelf zag, staat in haar boek minder als verklaring en meer als feit: zo was het.

Rond haar veertiende slaagde ze voor een examen stenografie. Ze kreeg een baan op een kantoor in New York en reisde elke dag heen en weer vanuit Paterson. Ze verdiende goed. Volgens het Christian History Institute ging veel van dat geld op aan jurken en sieraden.

Kun jij je herinneren wanneer je voor het eerst merkte dat God iets van je vroeg? Bij Johanna kwam dat langzaam, en het duurde een jaar.

EEN JAAR LANG ONRUST

Haar predikant, ds. K. Van Goor, nodigde haar uit bij hem thuis. Hij sprak met haar over haar ziel. Later sprak hij haar nog eens, samen met een vriendin, na de catechisatie. Volgens haar eigen verslag volgde een periode van bijna een jaar waarin ze zich schuldig voelde en geen rust vond.

Ze beschrijft het verschil scherp. Geloven wilde ze wel. Wat ze niet wilde, was haar hele leven aan God geven. Eén keer ging ze naar een dansles. Ze ging niet meer terug, omdat ze dat ervoer als een waarschuwing van de Heilige Geest.

Toen ze zich uiteindelijk overgaf, schrijft ze, kwam er vrede. Haar dominee vroeg haar bij het avondmaal wanneer zij mee zou gaan aan de tafel van de Heer. Ze ging naar de belijdeniscatechisatie. Een paar maanden later deed ze openbare belijdenis, samen met vijfenveertig anderen. Ze was de jongste van de groep. Een jaartal noemt ze niet.

Ik vind het iets moois dat dit gewoon in een gereformeerde gemeente in Paterson gebeurde. Een dominee die doorvraagt. Een catechisatieklas. Een meisje dat een jaar worstelt en dan ja zegt. Er was geen opwekkingsbijeenkomst voor nodig.

Na haar belijdenis ging ze aan het werk bij de Star of Hope Mission in Paterson. Ze ging mee naar diensten in de gevangenis, naar bijeenkomsten op straathoeken en in een zendingszaal. In september 1913, ze was negentien, begon ze aan een driejarige opleiding bij het Union Missionary Training Institute in Brooklyn, een opleiding voor zendingswerkers. De eerste weken twijfelde ze, schrijft ze. In haar derde jaar ging ze drie keer per maand naar een opvanghuis in New York voor meisjes die uit de gevangenis kwamen.

Ze dacht in die jaren nog niet aan Afrika. Dat veranderde in één zomer.

DRIE DAGEN IN WISCONSIN

In de zomer van 1915 was Johanna afgevaardigde op een zendingsconferentie van tien dagen bij Lake Geneva, in Wisconsin. Een van de sprekers was dr. Karl Kumm, de man achter de Sudan United Mission. Dat was een Britse zendingsorganisatie die werkte in de brede strook ten zuiden van de Sahara, in die tijd de Sudan genoemd. Het ging dus om veel meer dan het land dat nu Soedan heet.

Kumm sprak meer dan een uur. Het raakte haar diep. Volgens haar eigen verslag trok ze zich daarna terug en bad ze drie dagen. Op de derde dag gaf ze toe. Ze beschreef het later als een roep van over de zee, zoals Paulus in een nachtgezicht een roep uit Macedonië kreeg.

Er was een probleem. Haar eigen kerk, de CRC, had geen zending in het buitenland. Wie uit die kerk naar Afrika wilde, moest dat via een andere organisatie doen. Ze meldde zich daarom aan bij de Sudan United Mission. Daar kwam het tweede probleem: de zending stuurde niemand naar Afrika die jonger was dan vijfentwintig, vanwege het klimaat. Johanna moest ongeveer drie jaar wachten.

DRIE JAAR WACHTEN

Ze gebruikte die tijd. Een jaar lang deed ze stadszending vanuit de Eastern Avenue Christian Reformed Church, waar ds. J. Groen predikant was. Ze volgde lessen gereformeerde leer aan Calvin College in Grand Rapids. Ze werd er het eerste vrouwelijke lid van de Student Volunteer Band, een groep studenten die zich wilden geven voor de zending.

Vier maanden reisde ze langs kerken om over zending te spreken. Per kerk kreeg ze vijf dollar. Aan het eind had ze honderdvijftig dollar over. Die zette ze op de bank voor de reis naar Afrika. Op aanraden van de zending haalde ze in een kraamkliniek in New York haar diploma als vroedvrouw. Ook werkte ze zes tot acht maanden bij een zending onder Joden in Paterson.

Al deze details komen uit haar eigen boek. Ze laten een vrouw zien die niet stilzat terwijl ze wachtte.

Wat vond haar familie van haar plan? Ze schrijft er niets over. Ze zegt alleen dat ze in die tijd geen vrienden in de buurt had met wie ze het kon bespreken. In haar boek staat een tekst die ze haar lijfspreuk noemt: Heb Ik het u niet geboden? Wees sterk en moedig, schrik niet en wees niet ontsteld, want de HEERE, uw God, is met u, overal waar u heen gaat. (Jozua 1:9).

ALLEEN OVER DE BENUE

In 1919 werd ze lid van de Sudan United Mission. Op 2 oktober vertrok ze met de Mauretania. Op 10 oktober kwam ze aan in Londen. Er stond niemand om haar op te halen, schrijft ze, en het kantoor van de zending kon nog geen overtocht regelen. Ze wachtte ruim twee maanden. Op 22 december kwam een telegram: op 31 december kon ze vanuit Liverpool naar Lagos.

In januari 1920 kwam ze aan in Nigeria. Nigeria was toen een Britse kolonie. Het noorden, waar zij heen ging, kende veel volken en talen. Het Hausa was de handelstaal. Daar begon iedere zendeling mee, schrijft ze, en het Nieuwe Testament bestond er al in het Latijnse alfabet.

De reis van Lagos naar het binnenland beschrijft ze stap voor stap. Met de trein naar Minna en Baro. Met een stoomboot naar Lokoja. Dan ongeveer twee weken met een aak over de Benue tot Ibi. Van Ibi fietste ze naar Wukari en daarna naar Donga. Ze merkt daarbij op dat voor zover zij wist nog geen blanke vrouw die tocht alleen had gemaakt. In Donga, waar de zending al sinds ongeveer 1907 een post had, bleef ze zeven maanden.

1 FEBRUARI 1921

Op 1 februari 1921 kwam ze aan in Lupwe, dicht bij Takum, in wat nu de deelstaat Taraba heet. Volgens haar boek was het de laatste dertig mijl een hete rit. Haar bagage moest van Donga naar Lupwe worden gedragen, op de hoofden van dragers, in lasten van hooguit zestig pond. Ze kwam samen met de zendeling C.L. Whitman.

Lupwe was een jonge post. William Bristow had er in 1919 een station gebouwd. Nog eerder, in 1916, was Filibus Ashu Angyu in Takum begonnen. Volgens de geschiedenis van de Christian Reformed Church of Nigeria was hij de eerste Nigeriaanse zendeling in dat gebied. Johanna was dus niet de eerste die daar over Jezus sprak. Die eer heeft in de geschiedenis van de Nigeriaanse kerk een Afrikaan.

De mensen rond Lupwe waren de Kuteb. Johanna noemt ze in haar boek de Dzompere, en ze schrijft over hen als een stam van menseneters. Zo schreven westerse zendelingen in die jaren vaak over volken die ze nog nauwelijks kenden. Ik neem die woorden niet over als feit. Het boek laat vooral zien hoe een jonge Amerikaanse vrouw in 1926 naar een vreemde wereld keek, en hoe ze haar lezers thuis probeerde te bewegen.

EEN VROUW AAN HET HOOFD

Al snel stond Johanna er voor een groot deel alleen. Volgens het Christian History Institute waren er geen mannelijke zendelingen beschikbaar, en daarom leidde zij het werk. Een overzicht noemt 1923 als het jaar waarin ze de leiding kreeg. Kerkelijke bronnen in Amerika en Nigeria noemen haar later de leider of directeur van de post in Lupwe.

Dat was in die tijd opvallend. In Lupwe gaf ze onderwijs uit de Bijbel, preekte ze in het Hausa en leidde ze een zendingspost. Haar bronnen laten niet zien dat iemand haar daarom openlijk tegenwerkte. Ze laten wel zien dat het zo gegaan is omdat er niemand anders was. Over de vraag wat vrouwen in de kerk mogen, gaat dit boek niet. Wat Johanna deed, deed ze op een plek waar het werk anders was blijven liggen.

Ze werkte vooral op twee manieren. Ze had een polikliniek, waar ze zieken behandelde. Haar diploma als vroedvrouw kwam van pas. En ze begon een school met internaat, om leerlingen op te leiden die later voorganger en leider konden worden in hun eigen kerk. Volgens een overzicht deed ze dit samen met een collega, Miss Haigh. Meer dan haar naam weet ik niet van haar.

In haar boek staan hoofdstukken met titels als De polikliniek van Lupwe, Het internaat van Lupwe, Eerste vruchten en De eerste bekeerling onder de Dzompere. Die latere hoofdstukken heb ik niet kunnen lezen: de tekst op archive.org houdt op bij het achtste hoofdstuk, en een volledige scan was voor mij niet te openen. Hoeveel patiënten en leerlingen ze had, en wie die eerste bekeerling was, laat ik daarom liggen. Vast staat dat veel Kuteb in haar tijd christen werden. Dat zeggen de Amerikaanse en de Nigeriaanse kerk allebei.

EEN BOEK DAT ZE NIET WILDE SCHRIJVEN

In 1926 was Johanna voor de tweede keer met verlof in Amerika. Ze kreeg veel uitnodigingen om in kerken in de Verenigde Staten en Canada te spreken. Ze kon ze niet allemaal aannemen. Haar stembanden waren overbelast.

Dr. Henry Beets, die in de CRC over de zending ging, stelde voor dat ze een boek schreef. Ze deed het. In het voorwoord schrijft ze dat ze nooit van plan was geweest een boek te schrijven, en dat ze zichzelf er ook niet toe in staat achtte. Het werd Pioneering for Christ in the Sudan, honderdnegentig bladzijden, uitgegeven in Londen en Edinburgh en ook in Grand Rapids. Het laatste hoofdstuk heet Is it Nothing to You?, een vraag aan haar lezers.

Die vraag stelde ze ook aan haar eigen kerk. Ze vroeg de CRC om zelf zending te beginnen in Nigeria. Volgens het Christian History Institute zeiden de synodes, de landelijke vergaderingen van de kerk, steeds nee. Ik heb de besluiten zelf niet kunnen lezen, dus ik weet niet welke redenen ze gaven.

Beets kende haar goed. Hij reisde met haar en sprak op bijeenkomsten van de Women’s Missionary Union, de zendingsbond van vrouwen in de kerk. Haar artikelen verschenen geregeld in het Missionary Monthly, een blad dat hij mee redigeerde. Na haar dood hield hij herdenkingstoespraken. Die wekten zoveel belangstelling dat hij in 1937 een boek over haar uitgaf, Johanna of Nigeria, met veel van haar eigen stukken erin.

Een collega beschreef haar later als groot, heel nederig en heel menselijk. Zo staat het in het verslag van het Christian History Institute. Het is een korte typering, en de enige die ik van een collega heb gevonden.

PALMZONDAG IN VOM

In maart 1933 werd Johanna ziek. Ze ging naar het ziekenhuis van de Sudan United Mission in Vom, op het plateau bij Jos, in de huidige deelstaat Plateau. Ze werd geopereerd aan haar blindedarm. Eerst leek de operatie goed te gaan. Daarna ging ze achteruit.

Ze stierf op 9 april 1933. Het was Palmzondag. Tien dagen later zou ze negenendertig zijn geworden. Ze werd in Vom begraven.

Volgens het Christian History Institute zei ze aan het eind, vrij vertaald: “Het spijt me niet. Het is allemaal in Gods wil.” Waar die woorden vandaan komen, vermeldt de bron niet. Ze passen bij wat ze schreef, maar ik kan ze niet verder controleren.

ZEVEN JAAR LATER

Johanna had de overdracht nog voorbereid. Volgens de Nigeriaanse kerk legde zij de basis voor de overname van het werk door de CRC. Vanaf 1937 kwam dat op gang. In 1939 besloot de synode dat de post Lupwe Takum moest worden overgenomen. In 1940 nam de Christian Reformed Church in Noord-Amerika het zendingsveld officieel over. Zeven jaar na haar dood deed haar kerk wat ze had gevraagd.

In de Amerikaanse kerk geldt ze nu als de eerste CRC-zendeling in Nigeria, ook al ging ze onder een Britse vlag. Uit dat zendingsveld groeide een Nigeriaanse kerk. In 1951 werd het een zelfstandige kerk. Sinds 1967 heet die de Christian Reformed Church of Nigeria. In 2008 sprak de Amerikaanse CRC van meer dan vijfenzeventigduizend leden in honderd gemeenten. Latere cijfers van de kerk zelf liggen hoger. Ook de Reformed Church of Christ in Nigeria, met haar hoofdkantoor in Takum, heeft volgens overzichten wortels in haar werk.

In Donga, waar Johanna zeven maanden woonde voordat ze naar Lupwe ging, staat nu het Veenstra Seminary, de theologische school van de kerk. Ook een gebouw van Calvin University in Grand Rapids draagt haar naam. Haar brieven, foto’s en een familiegeschiedenis liggen in Heritage Hall, het archief van die universiteit.

EEN NIEUWE PLAQUETTE

Haar graf in Vom raakte in de vergetelheid. De plaquette was er al minstens drieëntwintig jaar niet meer. In november 2008, vijfenzeventig jaar na haar dood, gingen vier Kuteb-studenten van het Theological College of Northern Nigeria naar het graf. Hun docent, de Amerikaanse zendeling Timothy Palmer, ging mee. Ze namen cement, water en gereedschap mee. Ze maakten het graf schoon en legden een nieuwe gedenkplaat.

Palmer vertelde daarna aan zijn kerk dat hij altijd had gedacht dat Johanna een van hen was, een Amerikaanse uit de CRC. Hij zei, vrij vertaald: “Maar de Kuteb vonden haar een van hén.”

Hoe zou het zijn als vreemden jouw graf komen schoonmaken, vijfenzeventig jaar nadat je stierf, omdat jij ooit naar hen toe kwam?

Johanna Veenstra kwam uit een Nederlandse kerk in een Amerikaanse stad. Ze leerde het geloof in een catechisatieklas, van een dominee die bij haar thuis kwam. Ze ging naar een volk waarvan ze de taal nog niet sprak, onder een zending die niet van haar eigen kerk was. Ze werd achtendertig.

In Vom, op het plateau, staat een plaat van cement die door haar geestelijke kinderen werd gemaakt.

Dossier

Wat vaststaat en wat verteld wordt

Vaststaat (meerdere onafhankelijke bronnen): geboren in 1894 in Paterson, New Jersey; dochter van ds. William Veenstra (1868-1902), predikant in de Christian Reformed Church; de Nederlandse wortels van die kerk in Paterson; de ontmoeting met Karl Kumm in 1915; aansluiting bij de Sudan United Mission in 1919 omdat de CRC geen eigen buitenlandse zending had; aankomst in Nigeria in januari 1920 en in Lupwe in februari 1921; leiding over het werk in Lupwe; medisch werk, een school en prediking; veel Kuteb die christen werden; het boek Pioneering for Christ in the Sudan (1926); Henry Beets, die haar tot dat boek aanzette en later over haar schreef (Johanna of Nigeria, 1937); haar plaats als eerste CRC-zendeling in Nigeria; overlijden op Palmzondag 9 april 1933 na een blindedarmoperatie, begraven in Vom; overname van het veld door de CRC in 1940; Veenstra Seminary in Donga; het herstel van haar graf door Kuteb-studenten in 2008.

Alleen uit eigen getuigenis of latere overlevering: de scène op de kade in New York; haar jeugd, de zondagsschool en de baan in New York; het jaar van worsteling en de gesprekken met ds. Van Goor; de drie dagen gebed na de conferentie; de leeftijdsgrens van vijfentwintig en wat ze in de wachttijd deed; de reisroute naar Lupwe en haar opmerking dat geen blanke vrouw die tocht alleen had gemaakt; haar beschrijving van de Kuteb als mensenetende stam; haar laatste woorden (alleen via het Christian History Institute, zonder herkomst); het oordeel van een collega.

Onbevestigd: de naam van haar moeder, haar geboortedag en de straat (één overzichtsbron); het jaartal 1923 voor haar leiderschap; de collega Miss Haigh; waar in Nederland de familie vandaan kwam (niet gevonden; de familiegeschiedenis in de Johanna Veenstra Collection van Heritage Hall, COLL-306, is niet online); de inhoud van de hoofdstukken over Lupwe in haar eigen boek en van Beets’ Johanna of Nigeria (beide als pdf online, maar voor mij niet te openen); een artikel over haar in het Dictionary of African Christian Biography heb ik niet gevonden; de redenen waarom de synodes haar verzoek afwezen; aantallen patiënten, leerlingen en dopelingen. Een artikel in The Banner uit 2011 plaatst het herstel van het graf in het najaar van 2010; het CRC-bericht van december 2008 en het Christian History Institute noemen 2008. Hetzelfde Banner-artikel laat haar in 1921 in Nigeria aankomen; volgens haar eigen boek was dat januari 1920 en kwam ze in 1921 in Lupwe.

Duiding: dat Johanna als vrouw een zendingspost leidde omdat er geen mannelijke zendelingen waren, staat in de bronnen. Dat ze daarom werd tegengewerkt, heb ik nergens gevonden. Ledentallen van de Nigeriaanse kerk komen van de kerken zelf.

Bronnen bij dit hoofdstuk

  1. Johanna Veenstra, Pioneering for Christ in the Sudan (1926), tekst op archive.org
  2. Missiology.org.uk, Pioneering for Christ in the Sudan, Johanna Veenstra
  3. Christian History Institute, Johanna Veenstra blessed Nigeria with a clinic and a school
  4. Calvin University Heritage Hall, Veenstra, Johanna
  5. Calvin University Heritage Hall, Veenstra, William
  6. Christian Reformed Church, Nigerians honor Johanna Veenstra (15 december 2008)
  7. The Banner, Nigerians Honor Spiritual Mother (18 januari 2011)
  8. Christian Reformed Church, Women’s Leadership, Our Legacy
  9. Christian Reformed Church of Nigeria, Our History
  10. Christian Reformed Church of Nigeria, CRC-N History (pdf)
  11. Calvin University Origins, Unity and Division in Paterson, NJ
  12. Bethany Global University, Missionary involvement in Nigeria
  13. Cántaro Institute, Henry Beets, Johanna of Nigeria (1937, heruitgave 2023)
  14. Missiology (gospelstudies), Pioneering for Christ in the Sudan, inhoudsopgave en pdf
  15. Calvin University Heritage Hall, Johanna Veenstra Collection (COLL-306)
  16. The Banner, Timothy Palmer, Nigeria CRC Celebrates 100th Birthday
  17. Wikipedia, Johanna Veenstra (startpunt)
  18. Wikipedia, Christian Reformed Church of Nigeria (startpunt)
Liever het hele boek?PDF downloadenE-book (EPUB)Over dit deel