Vrouwenvan God

Deel 2 · Vrouwen van God · Hoofdstuk 4

Lilias Trotter

de schilderes die haar penseel aan God gaf

1853-1928Algiers, Algerije

In oktober 1876 logeerde een Engelse weduwe met haar dochter in een hotel in Venetië. In hetzelfde hotel verbleef John Ruskin, de bekendste kunstcriticus van Engeland. De moeder liet hem de aquarellen van haar dochter zien. Ruskin was zevenenvijftig. Zijn bezoekster was drieëntwintig.

Hij keek, en hij schreef later wat hij gezien had. Het was, vrij vertaald, “zeer zuiver en zorgvuldig werk, bijna helemaal zonder kennis”. Een compliment met een rand eraan. Maar hij vroeg haar om met hem te gaan tekenen in de stad. Ze leerde alles, zo noteerde hij, op het moment dat hij het haar liet zien.

Ze heette Lilias Trotter. Ruskin zou haar jaren later willen opleiden tot een van de grote schilders van haar tijd. Ze zei nee. Ze vertrok met twee vriendinnen naar Algiers, zonder zendingsgenootschap achter zich en zonder een woord Arabisch. Ze zou er veertig jaar blijven en er sterven, in een oud Turks huis boven de stad.

Ze bleef wel schilderen. Alleen voor iemand anders.

EEN SCHETSBOEK OP JE VIJFDE

Isabella Lilias Trotter werd geboren op 14 juli 1853 in Londen, in de rijke West End. Haar ouders heetten Alexander en Isabella Trotter. Het was een groot gezin. Haar vader had uit een eerste huwelijk al zes kinderen, en Lilias was het zevende kind van negen. Haar halfbroers werden geleerde, bankier, officier en predikant. Geld was er genoeg.

In 1858, toen ze vijf was, kreeg ze van haar ouders een schetsboek. Het gezin reisde naar Zwitserland en Italië. Het was het leven van een meisje uit de Victoriaanse hogere klasse, met een goede opvoeding en weinig zorgen.

Toen kwam de eerste breuk. Haar vader werd ziek en stierf na twee jaar ziekte. Lilias was twaalf. Over het jaartal verschillen de bronnen: de tijdlijn van het tijdschrift Christian History noemt 1865, haar eerste biografe Blanche Pigott schrijft 1866.

BROADLANDS EN DE MEISJES VAN VICTORIA STATION

In haar vroege twintigerjaren werd het geloof van Lilias persoonlijk. In 1874 ging ze met haar moeder naar een bijeenkomst op het landgoed Broadlands. Daar kwamen christenen samen van wat toen de Higher Life-beweging heette, een stroming die opriep tot een leven van volledige overgave aan Christus. Uit die beweging groeide de Keswick Convention, een jaarlijkse conferentie die Lilias haar hele leven trouw bleef.

Een jaar later, in 1875, hield de Amerikaanse evangelist Dwight L. Moody grote campagnes in Londen. Lilias werd een van de vrijwilligers die met zoekende mensen spraken na afloop van de diensten.

Ze bleef niet bij de zaal. Ze werkte voor de jonge YWCA, de christelijke vereniging voor jonge vrouwen, in het Welbeck Street Institute, een tehuis voor werkende meisjes. Ze hielp mee om het eerste betaalbare restaurant voor vrouwen in Londen te openen. En ze ging naar Victoria Station, waar vrouwen in de prostitutie werkten, om met hen te praten.

“IK KAN MIJ NIET AAN HET SCHILDEREN GEVEN”

Na Venetië bleef Ruskin haar volgen. Ze bezocht met haar broer, soms ook met haar zus, zijn huis Brantwood bij het meer van Coniston in het Engelse Lake District. In augustus 1879 schreef hij haar een brief met een uitnodiging. Die brief ligt nu in de Armstrong Browning Library in Texas. Zijn bewondering was groot. Een schetsboek dat ze in 1876 in Noorwegen maakte, schonk hij aan de universiteit van Oxford. Het ligt in het Ashmolean Museum.

Ruskin wilde dat ze stopte met haar werk onder de armen en zich alleen aan de kunst gaf. Volgens wat haar latere biografe Miriam Rockness uit de brieven haalde, beloofde hij haar dat ze dan de grootste levende schilder kon worden.

Lilias worstelde. In een brief beschreef ze die tijd als een bijna voortdurende staat van verstikking en bedwelming. Ze hield van tekenen. Ze hield van wat Ruskin haar leerde. Maar ze zag ook dat ze niet tegelijk haar leven aan de kunst en aan het Koninkrijk van God kon geven.

In mei 1879 viel het besluit. Ze schreef, vrij vertaald: “Ik kan mij niet aan het schilderen geven op de manier die hij bedoelt.” Ze ging terug naar Londen, naar de YWCA, naar Bijbelklassen en bijeenkomsten voor werkende vrouwen, ook in Oxford.

Heb jij ooit iets moeten laten liggen waar je goed in was, en waar anderen je om prezen? Lilias legde haar penseel niet weg. Ze bleef haar leven lang tekenen en schilderen. Ze weigerde alleen dat de kunst haar meester werd.

Ruskin bleef hopen. In een lezing in Oxford in 1883 gaf hij iets toe. Hij had in zijn eigen leerboeken altijd gezegd dat vrouwen niet konden tekenen of schilderen. Haar werk deed hem daaraan twijfelen. Uit de mond van de machtigste kunstcriticus van Engeland was dat geen kleinigheid. Het was ook een venster op de wereld waarin ze opgroeide: een vrouw moest eerst bewijzen dat ze meer kon dan aardig tekenen.

EEN HART DAT NIET STERK GENOEG WAS

In 1884 onderging Lilias een operatie. Daarna was haar hart aangetast. Volgens Pigott leefde ze een tijd als een halve invalide. Ze schreef dat ze het gevoel had stil te staan.

Pigott schrijft dat ze in haar gebed steeds weer de woorden “Noord-Afrika” hoorde. In mei 1887 zat ze in een zendingsbijeenkomst. Iemand vroeg of er mensen in de zaal waren die God naar Noord-Afrika riep. Lilias stond op en zei dat Hij haar riep. Zo staat het in haar vroegste biografieën, die op haar eigen brieven en dagboeken leunen.

Op 14 juli 1887, haar vierendertigste verjaardag, meldde ze zich bij de North Africa Mission. Dat zendingsgenootschap werkte al in het gebied. Ze werd afgekeurd. Bij de medische keuring bleek haar hart te zwak voor een heet klimaat. De afwijzing had dus met haar gezondheid te maken, niet met het feit dat ze een vrouw was. Omdat ze zichzelf kon onderhouden, mocht ze wel naast de North Africa Mission werken, zonder er lid van te zijn.

Ze besloot op eigen kosten te gaan.

RIJ BOVEN RIJ

Om te begrijpen waar ze heen ging, moet je iets weten van Algerije in die jaren. In 1830 had Frankrijk de stad Algiers veroverd, het huidige Alger, in het Arabisch El Djazaïr. Daarna volgde een lange oorlog. De verzetsleider Abd-el-Kader bestuurde tot 1847 een groot deel van het land, tot de Franse legers hem versloegen. In 1888 was Algerije een Franse kolonie. Er woonden Franse kolonisten in nieuwe wijken.

De rooms-katholieke kerk was er al. In 1868 had kardinaal Lavigerie in Algiers de Witte Paters gesticht, een orde voor zending in Afrika. Algerijnse vrouwen leefden voor een groot deel binnenshuis, in de afgesloten wereld van familie en huishouden. Een man van buiten kwam daar niet binnen. Een vrouw wel, soms.

Op 5 maart 1888 vertrok Lilias van station Waterloo in Londen. Lucy Lewis reisde met haar mee, en in Southampton stapte Blanche Haworth aan boord. Pigott noemt nog een vierde vrouw, Katie Stuart. De meeste latere bronnen spreken van drie vrouwen. Alle drie waren ongetrouwd, goed opgeleid en hadden eigen geld. Lilias was vierendertig. Ze kende in Algiers niemand.

Het eerste beeld dat ze in haar dagboek van de oude stad gaf, was dat van huizen die rij boven rij tegen de helling oprezen.

SPELDENKUSSENTJES

De drie vrouwen gingen eerst in een pension wonen en vonden in mei 1888 een appartement in de Rue Dupuche, in de Franse wijk. Elke dag leerden ze Arabisch. Ze leerden ook zelf het huishouden te doen.

De deur naar de vrouwen ging open via de kinderen. Wie de kinderen vriendelijk bejegende, mocht soms mee naar binnen. En dan waren er de kleine cadeautjes. In een brief schreef Lilias, vrij vertaald: “O, die kostbare speldenkussentjes, ze openen het ene huis na het andere voor ons!”

Het was geen snel werk. Later beschreef ze de eerste jaren, volgens de biografie van Rockness, als met hun hoofd tegen stenen muren lopen. Een jonge man die Ahmed heette, kwam tot geloof en werd door andere Arabieren geslagen. Bij hun bijeenkomsten verschenen soms groepen jongens die onrustig waren. Pas later gaf de Franse prefect hun een vaste vergunning om samen te komen.

Ik vind dit een van de eerlijkste kanten van haar verhaal. Ze kwam niet aan met een plan dat werkte. Ze kwam aan met een stapel kaartjes met Bijbelteksten, een paar speldenkussentjes en een moeilijke taal die ze nog moest leren.

EEN HUIS IN DE CASBAH

In 1893 kochten ze een Arabisch huis in de Rue du Croissant, in de Casbah, de oude Arabische stad. In oktober van dat jaar trokken ze erin. Nu woonden ze tussen de mensen voor wie ze gekomen waren. Er kwamen zondagsklassen voor waterdragers.

Datzelfde jaar begonnen ze aan reizen naar het binnenland. Ze gingen naar Biskra en El Kantara, aan de rand van de Sahara. In 1894 trok Lilias verder naar Touggourt en naar de oases van El Oued. In 1895 reisde ze met Blanche Haworth per kameel door bergdorpen. In haar dagboek beschreef ze hoe ze een marabout ontmoetten, een plaatselijke islamitische heilige man, die uit het Nieuwe Testament dat ze hem gegeven hadden voorlas aan een groep mannen. Ze werden allebei ziek van de griep. Lilias verloor haar stem.

Over de vrouwen in de dorpen bij Biskra schreef ze vol warmte. Ze zag in hen mensen die God zouden kunnen kennen. In de dagboekfragmenten die ik las, gaat het om mensen, om hun huizen en hun kinderen.

In 1896 ontstond er spanning tussen Frankrijk en Groot-Brittannië. Voor Engelse zendelingen in een Franse kolonie had dat direct gevolgen. Hun reizen werden beperkt. Ze mochten alleen nog in Algiers zelf werken. Algerijnen trokken zich terug, bang om met Engelsen gezien te worden.

Volgens Rockness, die de dagboeken grondig las, kocht de plaatselijke overheid een huis aan de overkant van de straat en hield daar drie jaar lang klassen om mensen bij de zendelingen weg te trekken. Spionnen en gendarmes zouden de vrouwen in de woestijn gevolgd hebben. Deze details ken ik alleen via haar biografie. Andere bronnen spreken in algemenere woorden van tegenwerking.

Op 13 maart 1896 schreef Lilias in haar dagboek dat God zulke tijden gebruikt om de menselijke kracht uit ons weg te laten lopen, zodat er ruimte komt voor de kracht van de Geest. In het voorjaar daarna tekende ze bloemen die ze in drie jaar niet had gezien. En ze beschreef hoe twee of drie dagen sirocco, de hete woestijnwind, alles bruin maakte, vrij vertaald “als met de adem van een oven”.

In die jaren maakte ze ook boeken. In Parables of the Cross gebruikte ze haar tekeningen van planten om iets over het geestelijk leven te zeggen: knoppen die opengaan als de oude schil afvalt, bloemen die verwelken zodat er zaad kan komen. Het boek draait om de gedachte dat sterven de weg naar leven is. Ze verwees naar de woorden van Jezus over de tarwekorrel: Als de tarwekorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft hij alleen, maar als hij sterft, draagt hij veel vrucht. (Johannes 12:24). Wanneer het boek precies verscheen, daarover verschillen de bronnen: rond 1890 of rond 1895. In 1899 volgde Parables of the Christ-life.

HET HUIS VAN GENADE

In 1906 verbeterde de verhouding tussen Engeland en Frankrijk, en kwam er meer vrijheid. Dat jaar kocht Lilias Dar Naama, wat Huis van Genade betekent. Het was een oud Turks paleis in El Biar, een wijk hoog boven Algiers. Het werd het hoofdkwartier van het werk. Er kwamen conferenties, kampen voor jongeren, vergaderingen over de Bijbelvertaling, en soms woonden er tijdelijk Arabische gezinnen.

In 1907 kreeg de groep een naam: de Algiers Mission Band. Dat jaar kwamen er vijf nieuwe werkers bij. Lilias werd de leider. Volgens wie haar leven beschreven, zocht ze die rol niet, maar ze ontliep hem ook niet. Ze wierf en trainde werkers en opende posten langs de kust en later in het binnenland, onder meer in Blida en Bou Saâda.

Het begon als werk van vrouwen onder vrouwen en kinderen. Toen er later mannen bij de Band kwamen, gingen ze ook onder jongens en mannen werken. Een ongetrouwde vrouw die leiding gaf aan een zendingsorganisatie met mannen en vrouwen was in die tijd zeldzaam. Hoe anderen daarop reageerden, heb ik in de bronnen niet gevonden. Ik laat het daarom bij dit feit.

Ze had ideeën die haar tijd vooruit waren. Ze wilde een koffiehuis op christelijke basis, Bijbellezingen in een ritmische voordracht met een trommel, zoals mensen in Algerije gewend waren teksten te horen, en een borduurhuis voor meisjes. Haar team vertaalde vanaf ongeveer 1904 Bijbelgedeelten in het gesproken Algerijns Arabisch, en ze drukten teksten met de hand. De Amerikaanse zendeling Samuel Zwemer, die ze in 1908 ontmoette, noemde haar een pionier van christelijke lectuur voor Noord-Afrika. In 1915 werkte ze een jaar bij de Nile Mission Press in Caïro, een christelijke uitgeverij.

KIJK NAAR JEZUS

In 1901 schreef Lilias een dagboekaantekening die later als klein boekje verscheen onder de titel Focussed. De kern was dat je je blik op Jezus moet richten, zodat de rest vanzelf op zijn plaats valt.

In 1918 las de Amerikaanse Helen Lemmel dat boekje. Een zin over het richten van je zielsblik op Jezus raakte haar. Ze schreef een lied, dat later bekend werd onder zijn refrein: “Turn your eyes upon Jesus”. Het werd in de jaren twintig gezongen op de Keswick Convention, de conferentie die Lilias zelf zo vaak bezocht had. Over de precieze jaren verschillen de bronnen. Veel mensen die dat lied vandaag zingen, weten niet dat het begon in een dagboek in Algiers.

In 1918 stierf Blanche Haworth, die dertig jaar met haar had gewerkt. Lilias ging door. In 1920 had de Band volgens latere bronnen dertig vaste werkers en vijftien posten. Er waren reizen naar Tunesië, en in 1924 een conferentie in Jeruzalem.

DE ZEVEN GEHEIMEN

Lilias zag dat veel Algerijnen in het zuiden diep verbonden waren met het soefisme, de mystieke stroming binnen de islam. Soefi’s leven in broederschappen en zoeken langs een weg van stappen naar eenheid met God. Ze nam dat verlangen serieus.

Voor hen schreef ze, in het Arabisch en het Engels, The Way of the Sevenfold Secret. Het boek is gebouwd op de zeven “Ik ben”-uitspraken van Jezus in het Evangelie naar Johannes. Ze zette die naast de zeven stappen die leden van soefi-orden traditioneel gaan. Ze wilde laten zien dat het verlangen naar God waar zij zich op richtten, in Jezus een antwoord vond. Het boek verscheen later bij de Nile Mission Press. Een wetenschappelijke heruitgave verscheen in een reeks over Europese kijk op de islam.

Ik vind het opvallend hoe ze schreef. Ze sloot aan bij wat ze kende van haar buren, bij hun woorden en hun zoeken. Je kunt van mening verschillen over de vraag of zo’n brug verstandig is. Maar ze bouwde hem met respect.

EEN KAMER ALS COMMANDOPOST

In 1925 werd ze bedlegerig. De laatste drie jaar van haar leven lag ze in Dar Naama. Haar kamer werd, zoals Christian History het noemt, de controlepost van de zending. Boven haar bed hing een kaart van Algerije en Tunesië. Vanuit bed leidde ze een groot deel van het werk, schreef ze, tekende ze en bad ze.

In 1924 was Belle Patrick haar secretaresse geworden. In die laatste jaren verscheen haar laatste boek, Between the Desert and the Sea, met zestien aquarellen van de woestijn, de oases en de kust. In het voorwoord staat een zin die bij haar hele leven past. Vrij vertaald: “Veel dingen beginnen met zien in deze wereld van ons.”

Haar gebed om een plaatselijke Algerijnse kerk werd tijdens haar leven niet verhoord. Er kwamen mensen tot geloof, vooral vrouwen. Maar een gemeente van Algerijnse christenen zag ze niet.

EEN WAGEN MET ZES PAARDEN

Op 27 augustus 1928 stierf Lilias Trotter in Dar Naama, vijfenzeventig jaar oud. Om haar heen stonden haar Arabische vrienden en haar medewerkers. Ze werd begraven in Algiers.

Over haar laatste uren vertellen haar biografen een verhaal. De mensen bij haar bed zongen een lied dat ze graag had. Ze zei dat ze een wagen met zes paarden zag. Iemand vroeg of ze veel mooie dingen zag. Ze antwoordde, vrij vertaald: “Ja, heel veel mooie dingen.” Dit verhaal komt van de mensen die erbij waren, via haar levensbeschrijvingen. Het is niet op een andere manier te controleren.

Bij haar dood telde de Band volgens de bronnen ruim dertig werkers en tussen de twaalf en vijftien posten. In 1962 of 1964 ging de Algiers Mission Band op in de North Africa Mission, het genootschap dat haar ooit had afgekeurd. Haar aquarellen liggen in het Ashmolean Museum in Oxford en bij Wheaton College in de Verenigde Staten. Haar dagboeken en schetsboeken worden daar nog steeds gelezen.

Ruskin had gelijk gehad over haar talent. Hij zag een jonge vrouw die alles leerde op het moment dat hij het haar liet zien. Hij zag niet dat ze ook iets anders had leren zien.

In een van haar journaals uit Algerije staat een aquarel van een klein bootje op een meer, onder een smalle maansikkel.

Dossier

Wat vaststaat en wat verteld wordt

Vaststaat (meerdere onafhankelijke bronnen): geboorte op 14 juli 1853 in Londen; ontmoeting met Ruskin in Venetië in 1876 en zijn lof voor haar werk; haar keuze in 1879 om haar leven niet aan de kunst te geven; werk voor de YWCA en onder vrouwen bij Victoria Station; afwijzing door de North Africa Mission om medische redenen in 1887; vertrek naar Algiers in maart 1888 met Lucy Lewis en Blanche Haworth; het huis in de Casbah (1893); reisbeperkingen na 1896; aankoop van Dar Naama (1906) en de naam Algiers Mission Band (1907); werk bij de Nile Mission Press (1915); bedlegerig vanaf 1925; overlijden op 27 augustus 1928 in Dar Naama, El Biar.

Alleen uit eigen getuigenis of latere overlevering: het horen van “Noord-Afrika” in gebed en het opstaan in de bijeenkomst van mei 1887; Ruskins belofte dat ze de grootste levende schilder kon worden; het huis aan de overkant en de spionnen en gendarmes (alleen via Rockness); de wagen met zes paarden en haar laatste woorden.

Onbevestigd: het sterfjaar van haar vader (1865 of 1866); de aanwezigheid van een vierde vrouw, Katie Stuart, bij het vertrek in 1888; het verschijningsjaar van Parables of the Cross en Between the Desert and the Sea; de jaren waarin Lemmels lied geschreven en op Keswick gezongen werd; het aantal posten bij haar dood; het jaar van de fusie met de North Africa Mission (1962 of 1964).

Duiding: de afwijzing door de North Africa Mission gold haar gezondheid. Over weerstand tegen haar leiderschap als vrouw zwijgen de bronnen die ik las; de enige expliciete vooringenomenheid is die van Ruskin, die hij zelf in 1883 bijstelde.

Bronnen bij dit hoofdstuk

  1. Miriam Huffman Rockness, “A key in the Master’s hand”, Christian History 148
  2. Christian History Timeline: Lilias Trotter
  3. Christian History 148, volledig nummer (pdf)
  4. Jocelyn Murray, “Trotter, Isabelle Lilias”, Dictionary of African Christian Biography
  5. SOAS Special Collections, archief Algiers Mission Band
  6. Wheaton Archives, “Introducing the Lilias Trotter Papers” (2026)
  7. Armstrong Browning Library, “Seeing Many Beautiful Things: John Ruskin and Lilias Trotter”
  8. Blanche A. F. Pigott, I. Lilias Trotter, Founder of the Algiers Mission Band (1930)
  9. Christianity Today, “I Cannot Give Myself to Painting” (2015)
  10. Ross Paterson, “Lilias Trotter: a remarkable missionary”, Field Partner (2022)
  11. Desiring God, “Lilias Trotter: Following God’s Call”
  12. Wheaton Special Collections, “Turn Your Eyes Upon Jesus”
  13. Gorgias Press, The Way of the Sevenfold Secret
  14. missiology.org.uk, Between the Desert and the Sea
  15. Lilias Trotter, Parables of the Cross (Project Gutenberg)
  16. Wikipedia, Lilias Trotter (startpunt)
Liever het hele boek?PDF downloadenE-book (EPUB)Over dit deel