Op 20 november 1850 liep een blinde vrouw van dertig in New York alleen naar voren. Het was een avond van de opwekkingsdiensten in de Thirtieth Street Methodist Church, een methodistenkerk aan de Dertigste Straat. Ze was die herfst al twee keer eerder naar het altaar gegaan. Beide keren was ze teruggekomen zonder de vrede die ze zocht. Deze avond had ze het gevoel dat het nu moest gebeuren, of nooit.
Er werd gebeden. Daarna zong de gemeente een oud lied van overgave. Bij een regel uit het vierde couplet gebeurde er iets, zo vertelde ze het zelf ruim vijftig jaar later. Ze schreef: “mijn ziel werd overspoeld met hemels licht” (vrij vertaald). Ze sprong op en riep halleluja. Ze begreep ineens dat ze geprobeerd had de wereld in de ene hand te houden en de Heer in de andere.
Die vrouw heette Fanny Crosby. Ze zou de bekendste schrijfster van evangelisatieliederen van de negentiende eeuw worden. Haar liederen werden gezongen in de campagnes van Dwight L. Moody en Ira Sankey, in zondagsscholen, in missieposten voor daklozen en in kerken over de hele wereld. Ook in Nederland zongen gelovigen haar liederen in vertaling, zoals Veilig in Jezus’ armen. Hoeveel liederen ze schreef, weet niemand precies. Ze had nooit leesbaar leren schrijven. Alles wat ze maakte, bewaarde ze eerst in haar hoofd.
Het begon met een verkoudheid.
HETE OMSLAGEN OP DE OGEN VAN EEN BABY
Frances Jane Crosby werd geboren op 24 maart 1820 in Southeast, een plattelandsgemeente in Putnam County, in de staat New York. Haar ouders waren John en Mercy Crosby. Toen ze zes weken oud was, kreeg ze een lichte verkoudheid. Haar ogen raakten ontstoken. De vaste dokter van het gezin was niet thuis, en er werd een vreemde man bij gehaald. Hij raadde hete omslagen op haar ogen aan. Die omslagen vernietigden haar zicht, schreef ze later in haar herinneringen.
Latere schrijvers maakten van die man een kwakzalver die zich voor dokter uitgaf. Haar eigen tekst zegt alleen dat hij een vreemde was. Fanny was het enige kind van John en Mercy. Volgens het archief van Wheaton College, dat veel van haar nalatenschap bewaart, stierf haar vader een paar maanden later. Dat detail heb ik in haar eigen geschriften niet teruggevonden.
Wat ze over die man zei, is opvallend. Meer dan vijfentachtig jaar lang had ze geen greintje wrok tegen hem gevoeld, schreef ze op haar zesentachtigste. In haar eerdere autobiografie uit 1903 gaat ze nog verder. Als ze hem ooit zou ontmoeten, zou ze hem bedanken. “Dank u, dank u,” zou ze tegen hem zeggen (vrij vertaald). Ze zag in wat er gebeurd was de hand van God, die haar zo had klaargemaakt voor haar werk.
Ken je dat, iemand die je kwaad heeft gedaan en die je toch niets kwalijk wilt nemen? Bij Fanny Crosby was het geen pose van later. Het is een lijn die door al haar geschriften loopt.
In april 1825, kort na haar vijfde verjaardag, ging haar moeder met haar naar New York. Ze wilde dat Dr. Valentine Mott naar haar ogen keek. Volgens haar latere verslag keken Mott en een collega, Dr. Delafield, en zeiden ze dat er geen hoop was. Het meisje bleef blind.
In die jaren had een blind kind in Amerika weinig vooruitzichten. De Verenigde Staten waren een jong land van boeren en kleine steden. Vrouwen mochten niet stemmen en konden bijna nergens studeren. Voor blinde kinderen bestonden nauwelijks scholen. Fanny wist dat. Haar grootste zorg als kind was dat ze nooit onderwijs zou krijgen, schreef ze later.
Haar grootmoeder leerde haar bidden. Ze was een vrouw die vast geloofde in gebed, zo herinnerde Fanny zich. Rond haar achtste verhuisde het gezin naar Ridgefield, in de staat Connecticut. Daar schreef ze haar eerste versjes. Een van die vroege gedichtjes ging over een blind meisje dat besloot tevreden te zijn. Ze was toen acht of negen.
VIJF HOOFDSTUKKEN PER WEEK
In Ridgefield woonde het gezin in het huis van een vrouw die Mrs. Hawley heette. Volgens Fanny’s eigen verslag gaf Mrs. Hawley haar Bijbelhoofdstukken om uit het hoofd te leren, soms wel vijf per week. Na een jaar kon ze de eerste vier boeken van het Oude Testament opzeggen, en de vier evangeliën.
Het verhaal komt van haarzelf, en het is het enige dat we erover hebben. Maar het past bij wat volgde. Een vrouw die niet kon lezen, droeg de Bijbel in haar geheugen mee. Later zou ze op dezelfde manier haar liederen dragen.
Op haar twaalfde ging ze in Ridgefield naar een methodistische dienst. Het methodisme was een beweging die in de achttiende eeuw in Engeland was begonnen bij John en Charles Wesley. In Amerika groeide het snel, met warme diensten, veel zang en de nadruk op een persoonlijke bekering. Fanny was presbyteriaans opgevoed, in een kerk met een calvinistische traditie. Het methodisme zou later haar thuis worden.
ZATERDAGOCHTEND 7 MAART 1835
Op zaterdagochtend 7 maart 1835 reed Fanny Crosby met een rijtuig naar de New York Institution for the Blind, aan Ninth Avenue in Manhattan. Ze was bijna vijftien. Ze had er naar eigen zeggen naar verlangd. Het ging haar niet om zien. Ze wilde leren.
Ze bleef er drieëntwintig jaar. Eerst als leerling, daarna als lerares. De bronnen verschillen over het jaar waarin ze begon met lesgeven, ergens in de jaren veertig. Een overzicht uit 1914 noemt de vakken: Engelse grammatica, retorica en de geschiedenis van Rome en Amerika. Ze speelde ook piano, harp, orgel en gitaar.
Het instituut gebruikte haar talent. Ze moest gedichten voordragen voor bezoekers. Toen president John Tyler het instituut bezocht, sprak ze hem toe. In 1844 verscheen haar eerste dichtbundel, The Blind Girl and Other Poems.
EEN BLINDE VROUW VOOR HET CONGRES
In januari 1844 reisde Fanny met een groep van het instituut naar Washington, zo schrijft ze in haar herinneringen van 1906. Het doel was het Congres, het Amerikaanse parlement, te overtuigen om onderwijs voor blinden te steunen. Ze droeg een gedicht voor in een gezamenlijke zitting van beide huizen. Het was het meest indrukwekkende gezelschap dat ze ooit had gezien, schreef ze. In het boek van 1915, dat op haar eigen vertellingen berust, noemt ze dat eerste bezoek de herfst van 1843. Daar vertelt ze ook hoe graag ze in Washington luisterde naar John Quincy Adams, de oud-president die toen lid van het Huis van Afgevaardigden was. In april 1847 was ze er opnieuw. Ze droeg toen een eregedicht voor op een overleden minister, Hugh Legaré. Volgens haar eigen verslag huilden veel senatoren. President James Polk, die het instituut in 1845 had bezocht, nodigde de groep uit in het Witte Huis.
Haar vrienden zeiden later dat ze de enige vrouw was die ooit voor een gezamenlijke zitting van het Congres had gesproken. Een overzicht uit 1914, dat de liedendatabank Hymnary.org nog altijd overneemt, noemt haar de eerste vrouw van wie de stem in het openbaar in de Senaatszaal klonk. De Methodistenkerk van de Verenigde Staten zegt het voorzichtiger: ze was dat naar verluidt. De jaartallen lopen intussen uiteen, zelfs in haar eigen boeken: 1843, 1844, 1846, 1847. Ik kan het niet vaststellen. Dat ze er stond, staat vast. Of ze de eerste was, weet ik niet.
Wat wel opvalt: een vrouw die het woord voerde in Washington was in die tijd zeldzaam. Fanny zelf maakte er geen strijdpunt van. Ze was er voor het instituut, en voor andere blinde kinderen.
CHOLERA, EN EEN DROOM
In 1849 trok de cholera door New York. Leerlingen werden naar huis gestuurd. Fanny bleef in het instituut. Volgens haar eigen verslag voelde ze op een dag zelf de eerste tekenen van de ziekte. Ze zei niets, liep rond en nam een flinke hoeveelheid choleratabletten. Ze was bang dat toegeven aan de ziekte de dood zou betekenen. De volgende ochtend was ze weer gezond. Op 1 augustus werd ze naar het platteland gestuurd. Een later artikel vertelt dat ze in die zomer hielp met het maken van pillen en bij zieken waakte. Dat staat niet zo in de passage die ik van haarzelf las.
Al sinds 1839 werden er in het instituut klasmeetings gehouden van de Eighteenth Street Methodist Church. Een klasmeeting was een kleine methodistische groep waarin leden elkaar vertelden hoe het met hun geloof ging. Fanny ging erheen op één voorwaarde: ze hoefde zelf niets te zeggen. Een vriend, Theodore Camp, leidde de groep. Ze vertelde later over een droom waarin Camp haar vroeg of ze hem in de hemel zou ontmoeten. Na die droom besloot ze hulp bij God te zoeken.
Dat bracht haar, in de herfst van 1850, naar de opwekkingsdiensten aan de Dertigste Straat.
Het lied van die avond, 20 november 1850, noemt ze in haar herinneringen een oud lied van overgave. Latere schrijvers zeggen dat het Alas! and did my Saviour bleed van Isaac Watts was, een lied over het kruis. Zelf noemt ze de titel op die plek niet. Of het werkelijk dat lied was, kan ik dus niet met zekerheid zeggen.
Er is ook een kleiner verschil. Een korte levensschets van het Christian History Institute spreekt van een kampmeeting op haar dertigste. Haar eigen verslag noemt de kerk aan de Dertigste Straat. Ik volg hier haar eigen woorden.
Wat na die avond kwam, beschrijft ze eerlijk. Haar groei ging langzaam. Ze gaf een keer een openbaar getuigenis en schaamde zich achteraf, omdat ze vond dat trots haar had gedreven. Ze raakte ontmoedigd, tot een vriendin haar aanmoedigde. Daarna begon ze in diensten hardop te bidden en te spreken. De vrouw die in de klasmeeting had bedongen dat ze niets hoefde te zeggen, zou later voor zalen vol mannen staan.
In 1851 werd ze lid van de methodistische kerk aan de Dertigste Straat. Ze raakte bevriend met Phoebe Palmer, een bekende methodistische vrouw uit New York.
EEN HUWELIJK IN MAART 1858
Op 1 maart 1858 stopte Fanny met haar werk aan het instituut. Vier dagen later, op 5 maart, trouwde ze met Alexander Van Alstyne. Hij was ook blind, een oud-leerling van het instituut en een begaafd musicus. Ze kenden elkaar al bijna vijftien jaar. Hij schreef later muziek bij een aantal van haar liederen. Fanny hield na het huwelijk haar eigen naam als schrijfster.
Ze waren vele jaren gelukkig samen, schreef ze in 1906. Maar het huwelijk was ongewoon. Volgens haar moderne biografe, de historica Edith Blumhofer, woonde het echtpaar lange tijd apart en leidden ze grotendeels gescheiden levens. Blumhofer schreef haar biografie Her Heart Can See (2005) op basis van duizenden ongepubliceerde manuscripten van Fanny. De Methodistenkerk en de Encyclopaedia Britannica noemen 1880 als het jaar vanaf wanneer ze apart woonden. Getrouwd bleven ze. Fanny zelf schreef daar niet over. Alexander stierf op 18 juli 1902.
Over een kind is het nog stiller. Volgens de Britannica en de Methodistenkerk kregen ze in 1859 één kind, een dochtertje, dat kort na de geboorte stierf. Het boek van 1915 laat Fanny er één zin over zeggen: God gaf hun een teer kindje, maar de engelen haalden het naar Hem toe. Een later artikel zegt dat het meisje in haar slaap overleed. Meer is er niet, en ik ga er niets bij verzinnen. Ze schreef er bijna nooit over. Misschien is dat zelf ook een antwoord.
“WAAROM GA JE NIET NAAR MR. BRADBURY?”
In december 1863 vroeg Peter Stryker, predikant van een gereformeerde kerk van Nederlandse oorsprong aan Twenty-third Street in New York, haar om een kort gedicht voor de oudejaarsdienst. Kort daarna stelde hij haar voor aan William B. Bradbury, een bekende uitgever van zondagsschoolliederen. Op 2 februari 1864 stond ze in zijn kantoor aan Broome Street 425. Bradbury dankte God dat ze elkaar eindelijk ontmoetten, zo vertelde ze het. Binnen drie dagen kwam ze terug met verzen. Het werd haar eerste gepubliceerde hymne. Een overzicht uit 1914 noemt 5 februari 1864 als de dag waarop ze die eerste hymne voor hem schreef.
Ze was vierenveertig. Vanaf dat moment werd het schrijven van liederen haar werk. Ze bleef ruim veertig jaar verbonden aan de firma van Bradbury en de opvolger daarvan, Biglow & Main. Volgens Christianity Today had ze een contract voor drie liederen per week, en kreeg ze er een of twee dollar per stuk voor.
Ze schreef in haar hoofd. Een recensie van Blumhofers biografie vertelt dat ze nooit leesbaar had leren schrijven. Ze dichtte een heel lied in gedachten en dicteerde het daarna aan iemand anders.
De meeste van haar bekende liederen ontstonden samen met componisten. Volgens het boek van 1915 speelde de componist William H. Doane haar eens een melodie voor. Ze hoorde het onderwerp er meteen in: veilig in de armen van Jezus. Binnen ongeveer een half uur had ze de woorden. Safe in the Arms of Jesus werd volgens Christianity Today een vast lied in de campagnes van Moody en Sankey.
In 1873 speelde een vriendin, mevrouw Joseph F. Knapp, haar een melodie voor en vroeg wat die zei. Fanny gaf de woorden. Zo ontstond Blessed Assurance, zo vertelde ze het zelf. Het jaartal noemen ook andere bronnen.
Dit zijn mooie verhalen, en ze komen allemaal van haar. Een recensent van Blumhofers boek merkt op dat Fanny geen dagboek bijhield. Haar herinneringen dicteerde ze toen ze in de tachtig was, met een selectief geheugen, en veel van wat we weten komt uit de onkritische verhalen van anderen. Dat maakt ze niet onwaar. Het betekent wel dat ik ze als haar getuigenis vertel.
EEN JONGEN VAN ACHTTIEN
Een deel van haar liederen ontstond na avonden in de missieposten van New York. Dat waren zalen in arme buurten van Manhattan, waar mensen die aan de rand leefden een preek en hulp konden krijgen.
Op een warme zomeravond sprak ze daar voor een grote groep arbeiders. Ze vroeg of er een jongen was die van het geloof van zijn moeder was afgedwaald, en die naar voren wilde komen. Een jongen van achttien kwam. “Bedoelde u mij?” vroeg hij, volgens het boek van 1915 (vrij vertaald). Ze bad met hem. Doane had haar al een onderwerp gestuurd, en die nacht schreef ze Rescue the Perishing, een lied over het redden van mensen die verloren raken. In 1903 sprak ze in Lynn, in de staat Massachusetts, voor de YMCA, de christelijke jongemannenvereniging. Daar kwam een man naar haar toe die zei dat hij die jongen was geweest. Ook dit verhaal kennen we alleen van haar.
Ze had een vaste regel voor dit werk. Mensen die verkeerd waren gegaan nooit de les lezen, schreef ze, omdat harde woorden harten hard maken.
Haar missiewerk zelf is goed bevestigd. Ze kende Jerry McAuley, volgens haar een van de bekendste mannen van New York, en ze bezocht zijn missiepost aan Water Street. Ze sprak op zestien jaarfeesten van de Bowery Mission en schreef voor elk daarvan een lied. Vanaf ongeveer 1880 werkte ze ook onder spoorwegmannen, via de YMCA. Blumhofer noemt de Bowery Mission en de YMCA als plaatsen waar ze veel tijd aan gaf.
Ze woonde volgens een artikel uit 2015 jarenlang in een gehuurde kamer in een arme buurt van Manhattan. Volgens een tentoonstelling van de Bridwell Library schonk ze haar verdiensten meestal weg aan zendingswerk.
Weerstand omdat ze een vrouw was, beschrijft ze zelf nauwelijks. Ze werkte binnen de ruimte die vrouwen in de kerken van haar tijd kregen: zending, armenzorg, onthouding van alcohol en het lied. In East Northfield, in Massachusetts, gaf ze een korte toespraak, maar pas nadat er bij haar was aangedrongen. Een recensent van Blumhofer oppert dat het gebruik van schuilnamen misschien ook met haar vrouw-zijn te maken had. Het belangrijkste motief was volgens hem dat de uitgever niet wilde dat haar naam elke bundel vulde. Blumhofer zelf tekent haar als een zelfstandige vrouw die volop meedeed in de wereld van het lied, en die daar ook geld mee verdiende.
BIJNA TWEEHONDERD NAMEN
Hoeveel liederen schreef ze? Een overzicht uit 1914 spreekt van ongeveer achtduizend gedichten, waarvan meer dan vierduizend voor Biglow & Main. Het boek van 1915 noemt vijfduizendnegenhonderd liederen voor die uitgever, geteld in haar drieënnegentigste levensjaar. Christianity Today spreekt van meer dan negenduizend. De Encyclopaedia Britannica houdt het op vijfenhalfduizend tot negenduizend. Deze getallen komen uit haar eigen kring en van haar uitgever. Een recensent van Blumhofers boek schrijft eerlijk dat hij betwijfelt of we het ooit zullen weten.
Wat wel te tellen is: het archief van het Billy Graham Center aan Wheaton College in Illinois bewaart bijna 2.400 originele manuscripten van haar liederen en gedichten, uit de jaren 1862 tot 1915. De meeste zijn genummerd en gedateerd. De liedendatabank Hymnary.org vermeldt ruim 3.600 teksten van haar hand.
Een deel van de verwarring komt door de schuilnamen. In de bundels stonden haar liederen onder bijna tweehonderd verschillende namen. Blumhofer neemt in haar biografie een lijst op die ze zelf gedeeltelijk noemt. Hymnary.org somt er ruim zestig op, van Grace J. Frances tot Lizzie Edwards.
Ik vind dat een mooi gegeven. Een vrouw die zoveel schreef, en van wie de naam zo vaak niet onder haar eigen werk stond.
HET EERSTE GEZICHT
Iemand zei eens tegen haar dat het jammer was dat God haar geen zicht had gegeven. Volgens Christianity Today antwoordde ze dat ze, als ze bij haar geboorte één gebed had mogen doen, zou hebben gevraagd om blind geboren te worden. Dan zou het eerste gezicht dat ze ooit zag, het gezicht van haar Verlosser zijn. Het is een uitspraak die vaak wordt aangehaald, in veel varianten. Een precieze bron met datum heb ik niet gevonden.
Hoe ga jij om met wat je mist? Fanny Crosby deed er niet luchtig over. Haar moeder was soms verdrietig om haar blindheid, schreef ze. Zelf besloot ze als kind om er niet om te huilen. Wat ze later schreef, laat zien dat ze bij die keuze bleef.
Rond 1900 verhuisde ze naar Bridgeport, in Connecticut, waar familie woonde. Volgens een artikel uit 2015 was dat wegens hartklachten. De Methodistenkerk noemt 1907 en zegt dat ze er voor een zieke vriendin ging zorgen. Ze bleef er wonen en reisde nog jaren om te spreken. In 1903 verscheen haar autobiografie Fanny Crosby’s Life-Story, in 1906 Memories of Eighty Years. In 1905 vierde ze haar vijfentachtigste verjaardag, dankbaar, zo schreef ze.
Ze stierf op 12 februari 1915 in Bridgeport, zes weken voor haar vijfennegentigste verjaardag, na een hersenbloeding. In haar testament liet ze geld na voor een tehuis in die stad. Met hulp van kerkvrouwen groeide dat later uit tot het Fanny Crosby Memorial Home for the Aged, een tehuis voor ouderen dat bestond van 1925 tot 1966. Ze werd begraven op Mountain Grove Cemetery in die stad. Op haar eerste grafsteen staat, in het Engels: “Tante Fanny: zij heeft gedaan wat zij kon.”
Die woorden komen uit het verhaal van de vrouw die Jezus zalfde met kostbare olie. Toen anderen mopperden over de verspilling, nam Jezus het voor haar op: Zij heeft gedaan wat zij kon; zij heeft van tevoren Mijn lichaam gezalfd voor de begrafenis. (Markus 14:8).
Op 1 mei 1955 werd er een tweede gedenksteen geplaatst, met het eerste couplet van Blessed Assurance erop.
Op die eerste steen staat geen regel van haarzelf. De vrouw die duizenden liederen in haar hoofd droeg, kreeg een paar woorden uit het evangelie mee, gekozen door mensen die haar tante Fanny noemden.
Wat vaststaat en wat verteld wordt
Vaststaat (meerdere onafhankelijke bronnen): geboorte op 24 maart 1820 in Southeast, Putnam County (New York); blind geworden als zuigeling na een behandeling van ontstoken ogen; leerling en daarna lerares aan de New York Institution for the Blind vanaf 1835; optreden voor het Congres in de jaren veertig; eerste dichtbundel 1844; huwelijk met Alexander Van Alstyne in maart 1858; één kind, geboren in 1859 en als zuigeling gestorven; apart wonen van het echtpaar vanaf ongeveer 1880, zonder scheiding; begin als liedschrijfster voor William B. Bradbury in 1864 en lange samenwerking met Biglow & Main; Blessed Assurance in 1873 met Phoebe Knapp; gebruik van haar liederen door Moody en Sankey; werk in de Bowery Mission en de YMCA; gebruik van zeer veel schuilnamen; bijna 2.400 bewaarde manuscripten (1862 tot 1915) in het archief van Wheaton College; overlijden op 12 februari 1915 en begrafenis in Bridgeport; het Fanny Crosby Memorial Home (1925 tot 1966) uit haar nalatenschap.
Alleen uit eigen getuigenis of latere overlevering: de vreemde man met de hete omslagen en haar vergeving; het bezoek aan Dr. Mott in 1825; het uit het hoofd leren van Bijbelboeken in Ridgefield; de choleraweken van 1849; de droom over Theodore Camp; de bekering op 20 november 1850 en het lied dat toen gezongen werd; het ontstaan van Safe in the Arms of Jesus en Rescue the Perishing en de man in Lynn in 1903; de uitspraak over het eerste gezicht dat ze zou zien; de datum van de eerste ontmoeting met Bradbury (2 of 5 februari 1864); dat het dochtertje in haar slaap stierf; het luisteren naar John Quincy Adams in Washington.
Onbevestigd: dat ze de eerste of enige vrouw was die de Senaat of het Congres toesprak (jaartallen verschillen per bron, ook tussen haar eigen boeken: herfst 1843 of januari 1844); het jaar en de reden van de verhuizing naar Bridgeport (1900 of 1907); de vroege dood van haar vader (Wheaton College en een artikel uit 2015, niet in haar eigen boeken); dat de man met de omslagen zich als dokter voordeed; welk lied precies gezongen werd bij haar bekering; de precieze aantallen liederen (vijfenhalfduizend tot negenduizend), die uit haar eigen kring en van haar uitgever komen. Een bron over een Fanny Crosby Society heb ik niet gevonden.
Duiding: wat Fanny Crosby op 20 november 1850 beleefde, kennen we alleen uit haar eigen woorden, opgeschreven ruim vijftig jaar later. Haar moderne biografe waarschuwt dat haar herinneringen selectief zijn. Haar liederen en haar werk in de missies zijn wel in hun eigen tijd en door anderen vastgelegd.
Bronnen bij dit hoofdstuk
- Fanny J. Crosby, Memories of Eighty Years (1906), volledige tekst bij het Disability History Museum
- Fanny J. Crosby, Fanny Crosby’s Life-Story, by Herself (1903), archive.org
- S. Trevena Jackson, Fanny Crosby’s Story of Ninety-Four Years (1915), archive.org
- Hymnology Archive, “Fanny Crosby” (met J.H. Hall, 1914)
- Christianity Today, Christian History, “Fanny Crosby”
- Christian History Institute, “Blind Fanny Crosby wrote hymns we treasure”
- Bridwell Library (SMU), Fifty Women: Fanny J. Crosby
- The Alabama Baptist, “Heroes of the Faith” (2015)
- The Aquila Report, “Facing death, finding life: Fanny Crosby”
- The Christian Century, recensie van Her Heart Can See (2005)
- Fred Sanders, Scriptorium Daily, over Her Heart Can See
- Publishers Weekly, recensie van Her Heart Can See
- Safe in the arms of Jesus, Kerkliedwiki
- Hymnary.org, Fanny Crosby (met J.H. Hall, 1914, en lijst van schuilnamen)
- Encyclopaedia Britannica, “Fanny Crosby”
- The United Methodist Church, “Fanny Crosby (1820-1915)”
- Boston University, History of Missiology, “Crosby, Fanny (1820-1915)”
- Wheaton College Archives, “This is My Story, This is My Song”: Celebrating Two Centuries of Fanny Crosby (2020)
- Eerdmans via Press Warehouse, Edith L. Blumhofer, Her Heart Can See (uitgeversbeschrijving)