Vrouwenvan God

Deel 2 · Vrouwen van God · Hoofdstuk 8

Elisabeth Elliot

de weduwe die het dorp van de doders in ging

1926-2015Ecuador

Op de avond van donderdag 12 januari 1956 zaten in Shell Mera, een zendingspost aan de rand van het oerwoud in het oosten van Ecuador, vijf jonge vrouwen bij elkaar. Sinds zondag hadden ze niets meer van hun mannen gehoord. Die dag had een majoor van de Amerikaanse luchtmacht met een helikopter boven de rivier de Curaray gevlogen. Die avond vertelde hij de vrouwen dat er geen overlevenden waren.

Een van die vrouwen was Elisabeth Elliot. Ze was negenentwintig. Haar man Jim lag met vier andere zendelingen dood bij een zandbank in de rivier, gedood met speren door mannen van een volk dat in de buitenwereld de Auca’s heette. Hun dochtertje Valerie was nog geen jaar oud.

Bijna drie jaar later ging Elisabeth met dat dochtertje wonen bij de mensen van de mannen die het gedaan hadden. Ze bleef er, met tussenpozen, tot eind 1961. Daarna werd ze een van de bekendste christelijke schrijfsters van Amerika, met zo’n twintig boeken en een dagelijks radioprogramma. Wie haar naam hoort, denkt aan Jim. Maar dit hoofdstuk gaat over haar.

Het begon met een meisje dat Grieks wilde leren.

EEN GEBED VAN EEN MEISJE VAN TWAALF

Elisabeth Howard werd geboren op 21 december 1926 in Brussel. Haar ouders, Philip Howard en Katharine Gillingham Howard, waren Amerikaanse zendelingen in België. Thuis noemden ze haar Betty. Nog voor haar eerste verjaardag ging het gezin terug naar de Verenigde Staten. Ze groeide op in de buurt van Philadelphia, in Pennsylvania en New Jersey, als een van zes kinderen.

Haar vader werd redacteur van de Sunday School Times, een bekend evangelisch weekblad. Boeken en schrijven hoorden bij het gezin. Betty hield al jong dagboeken bij. Volgens haar biografe Lucy Austen, die die dagboeken heeft gelezen, schreef ze rond haar twaalfde een kort gebed op. Vrij vertaald: “Heer, ik wil dat U met mij doet wat U wilt.”

Ze ging naar een christelijke kostschool in Florida, de Hampden DuBose Academy. In 1944 begon ze aan Wheaton College bij Chicago, een evangelische universiteit. Ze koos Grieks als hoofdvak. Ze wilde de Bijbel vertalen in talen die nog nooit waren opgeschreven.

GRIEKS IN WHEATON

In de Griekse lessen zat ook een jongen die Jim Elliot heette. In haar laatste studiejaar kregen de twee iets met elkaar. Trouwen deden ze nog lang niet.

Na Wheaton volgde Elisabeth een jaar extra opleiding aan het Prairie Bible Institute in Alberta, in Canada. Ze kreeg taaltraining bij Wycliffe Bible Translators, de organisatie die talen vastlegt om er de Bijbel in te vertalen. Ze gaf les en werkte in Alberta, in Florida en in New York. Daar hielp ze bij een blad van de Plymouth Brethren, een protestantse beweging van zelfstandige gemeenten zonder predikanten.

EEN KOFFER VOL WOORDEN

In 1952 vertrokken Jim en Elisabeth naar Ecuador. Ze gingen apart. Ecuador ligt aan de westkant van Zuid-Amerika, op de evenaar. Het heeft een kust, een hoog Andesgebergte met de hoofdstad Quito, en in het oosten een groot regenwoud dat aansluit op de Amazone. Het land was overwegend rooms-katholiek. In het oerwoud woonden inheemse volken die nauwelijks contact hadden met de staat.

Jim ging naar de Quichua in het oosten. Elisabeth ging naar het westen, naar de Tsáchila, door buitenstaanders de Colorados genoemd, in San Miguel de los Colorados. Hun taal was nooit opgeschreven. Zij wilde dat doen.

Wat er dat eerste jaar gebeurde, kennen we vooral uit haar eigen boek These Strange Ashes, dat ze veel later schreef. Haar belangrijkste taalhelper werd vermoord. Na bijna een jaar werk liet ze haar aantekeningen achter in een koffer. Die koffer werd gestolen. Alles wat ze over de taal had verzameld, was weg.

Wat doe je als je zeker weet dat God je ergens heen stuurde, en het werk loopt op niets uit? Over die vraag schreef ze dat boek, jaren later, toen ze er met afstand naar kon kijken.

SHANDIA

In 1953 besloten Jim en Elisabeth te trouwen. Het huwelijk werd gesloten in Quito. Jims zendingspost Shandia, in het oosten, was kort daarvoor door een overstroming beschadigd. Een tijd werkten ze samen onder de Quichua in Puyupungu. In 1954 gingen ze terug naar Shandia.

Op 27 februari 1955 werd hun dochter Valerie geboren. Elisabeth leerde de Quichua-taal van het laagland en werkte mee in de zending. Ondertussen begon Jim met vier andere zendelingen plannen te maken voor een volk dat dieper in het oerwoud woonde.

EEN ZANDBANK DIE PALM BEACH HEETTE

Dat volk noemt zichzelf Waorani. Het woord betekent “mensen”. De Quichua, hun buren, noemden hen auca. Het is een scheldwoord: het betekent zoiets als wilde of barbaar. Het werd overgenomen door Spaanstaligen, door zendelingen en door kranten. De Waorani zelf willen die naam niet. In dit hoofdstuk gebruik ik hem alleen waar hij in titels of oude bronnen staat.

De Waorani hadden reden om bang te zijn voor buitenstaanders. Al sinds de jaren veertig drongen oliemaatschappijen hun gebied binnen, en er waren gewelddadige botsingen. In 1948 werden vier Waorani-vrouwen ontvoerd door arbeiders van een hacienda, een groot landgoed. Een van hen was een jonge vrouw die Dayuma heette. Ook binnen het volk zelf was er geweld, waarvoor sommigen naar buiten vluchtten.

Begin januari 1956 vloog zendingspiloot Nate Saint vier mannen naar een zandbank in de Curaray: Jim Elliot, Ed McCully, Roger Youderian en Pete Fleming. Ze noemden de plek Palm Beach. Op 6 januari kwamen er drie Waorani naar hen toe, een man en twee vrouwen. Nate Saint nam de man zelfs mee voor een vlucht boven zijn dorp. Op zondag 8 januari kwam er een groep van zes mannen en vier vrouwen. Jim en Pete liepen het water in om hen te begroeten. Alle vijf mannen werden gedood. Het horloge van Nate Saint bleef stilstaan op 3.12 uur in de middag.

Vier dagen later stond de majoor in Shell Mera voor de vijf vrouwen. Op 13 januari bereikte een zoekploeg van zendelingen, Quichua en Ecuadoraanse soldaten de zandbank. Ze begroeven vier lichamen. Het vijfde was door de rivier meegenomen. De volgende dag vlogen de weduwen over de plek en lieten kransen vallen op de graven.

Het tijdschrift Life bracht op 30 januari tien pagina’s over de dood van de vijf, met foto’s. Het verhaal ging de wereld over.

“GODS CATEGORIEËN ZIJN NIET ALTIJD DE ONZE”

Elisabeth bleef in Ecuador. Ze ging terug naar de Quichua en nam een deel van Jims werk over. Jaren later, in 1973, vertelde ze een zaal vol studenten hoe dat ging. Er was geen andere zendingsman die de Quichua-taal van de jungle sprak. Dus deed zij het. En toen de deur naar de Waorani openging, ging hij open voor twee vrouwen. “Maar Gods categorieën zijn niet altijd de onze,” zei ze, vrij vertaald.

Ze zei het zonder klacht en zonder strijdkreet. Ik lees het als een nuchtere vaststelling. Er was werk, en de mannen die het hadden willen doen, waren er niet meer.

De weduwen vroegen eerst een ander om het boek over de vijf mannen te schrijven. Dat lukte hem niet. In de herfst van 1956 nam Elisabeth het over. In mei 1957 verscheen Through Gates of Splendor. Het werd meteen een bestseller. Een jaar later volgde Shadow of the Almighty, over het leven van Jim. Christianity Today zette het eerste boek later op de lijst van boeken die de evangelische wereld het meest hebben gevormd.

Zo werd een jonge weduwe in het oerwoud de stem van een verhaal dat in heel Amerika gelezen werd. Haar eigen naam stond op de omslag. Het verhaal ging over haar man.

DE TANTES VAN DAYUMA

Dayuma, de vrouw die in 1948 was ontvoerd, woonde inmiddels buiten het oerwoud. Ze had zendelinge Rachel Saint leren kennen, de zus van piloot Nate Saint. Rachel leerde van haar de Wao-taal. Dayuma werd de eerste Waorani die christen werd.

In 1957 ontmoette Elisabeth twee tantes van Dayuma, die het geweld binnen hun stam waren ontvlucht. In 1958 werden zij met Dayuma herenigd. Die drie vrouwen maakten de weg vrij. In de herfst van 1958 nodigden Dayuma en haar familie Elisabeth, Valerie en Rachel uit om bij hen te komen wonen.

Valerie was drie. Elisabeth nam haar mee naar een groepje huizen in het regenwoud, waar ook de mannen woonden die haar vader hadden gedood.

Hoe beslis je zoiets als moeder? Ik weet het niet, en de bronnen vertellen niet wat er in haar omging. Wat ze wel vertellen, is wat ze deed. Ze bleef. Ze woonde er met tussenpozen tot 1961. Ze legde de eerste woordenlijst aan van de Wao-taal. Ze hielp met medische zorg en leerde van binnenuit hoe de Waorani leefden en geloofden.

Ze schreef er een boek over, The Savage My Kinsman: de wilde, mijn verwant. In de titel zit al een draai. In het boek nam ze het op voor de mannen die haar man hadden gedood. Ze schreef dat de Waorani hun eigen manier van leven en hun eigen vrijheid probeerden te bewaren. Ze stelde de vraag die een buitenstaander zou stellen: is dit het beste wat ze kunnen? Haar antwoord was dat ze het heel goed deden.

TWEE STERKE VROUWEN IN ÉÉN DORP

In de verhalen die in Amerika rondgingen, waren Elisabeth en Rachel twee heldinnen die samen het werk voortzetten. De werkelijkheid was lastiger. Historica Kathryn Long van Wheaton College heeft de archieven doorgewerkt voor haar boek God in the Rainforest (2019). Volgens haar botsten de twee vrouwen voortdurend: in karakter, in theologie en in hoe ze het werk wilden doen. De vastberadenheid die hen door alles heen hielp, maakte samenleven moeilijk. Rachel ging zelfs twijfelen of Elisabeth nog wel achter de kernpunten van het christelijk geloof stond.

Long wijst op nog iets. Rachel was officieel de taalkundige. Maar Elisabeth was degene met de gave voor talen.

In december 1961 verliet Elisabeth de nederzetting Tewæno. Ze ging zonder ophef naar een andere post. Waarom precies, zeggen de bronnen die ik heb kunnen lezen niet met zoveel woorden. Ze werkte nog ongeveer twee jaar onder de Quichua bij Shandia. In 1963 ging ze met Valerie terug naar de Verenigde Staten, naar Franconia in New Hampshire.

Ze was zesendertig. Ze sprak vier talen, had in drie culturen in het oerwoud gewoond, was getrouwd, moeder en weduwe geworden. In Amerika was ze een heldin. In Ecuador was haar werk vooral getekend door verlies.

Rachel Saint bleef tot haar dood in 1994 in Ecuador. Wat er daarna met dat volk gebeurde, is ook een deel van dit verhaal. In 1968 werd een groot deel van de Waorani in een beschermd gebied rond de zendingspost samengebracht. In 1969 stierven daar zestien mensen aan polio. Oliebedrijven kregen toegang tot hun land. Long beschrijft hoe de verhuizing de Waorani tegelijk beschermde en schade deed. In haar boek zijn er geen eenvoudige helden en geen eenvoudige schurken.

EEN ROMAN DIE NIEMAND VERWACHTTE

In 1966 publiceerde Elisabeth iets wat haar lezers niet van haar verwachtten: een roman. No Graven Image gaat over een jonge zendelinge, Margaret Sparhawk, die naar Zuid-Amerika gaat. Ze geeft een zieke man penicilline. Hij krijgt een reactie en sterft. Margaret moet onder ogen zien dat haar eigen ambitie een rol speelde in wat er misging.

Het boek prikte in het beeld van de zendeling als held. Het liet zien dat het werk ingewikkelder was dan de achterban thuis dacht. De New York Times was er lovend over. Een deel van de evangelische lezers was het niet. Volgens een artikel over het boek liepen de giften terug. Harold Lindsell, hoofdredacteur van Christianity Today, prees de stijl. Maar hij had moeite met een boek dat geen antwoorden gaf, en hij twijfelde hardop of de schrijfster nog wel evangelisch was.

Ze was een weduwe die een martelarenverhaal had geschreven, en nu stelde ze vragen bij dat verhaal. Ik vind dat moedig. Ze had kunnen blijven vertellen wat iedereen wilde horen.

WEDUWE VOOR DE TWEEDE KEER

In 1969 trouwde Elisabeth met Addison Leitch, een hoogleraar theologie aan Gordon-Conwell Theological Seminary in Massachusetts. Ze waren vier jaar getrouwd. In 1973 overleed hij aan kanker. Voor de tweede keer stond ze alleen.

Datzelfde jaar sprak ze op Urbana, een groot zendingscongres voor studenten. Haar broer was er directeur. Volgens de organisatie was ze de eerste vrouw die er een hoofdtoespraak hield, en geen getuigenis. Ze kwam er terug in 1976, 1979 en 1996. Vanaf de herfst van 1974 gaf ze les aan Gordon-Conwell, het seminarie waar haar man had gewerkt. In het midden van de jaren zeventig was ze adviseur voor de stijl van de New International Version, een nieuwe Engelse Bijbelvertaling.

In 1977 trouwde ze met Lars Gren, een ziekenhuispastor. Hij werd ook haar medewerker en zaakwaarnemer.

Ze schreef boek na boek. Een biografie van Amy Carmichael, de zendelinge in India. Passion and Purity (1984). En Let Me Be a Woman, over vrouw-zijn. Christianity Today vatte het later zo samen: ze moedigde vrouwen aan om tevreden te zijn met het vrouw-zijn zoals God het bedoeld had.

Dat geeft een opvallend beeld. De vrouw die als eerste vrouw een hoofdtoespraak hield op Urbana, en die in het oerwoud werk deed dat mannen hadden willen doen, schreef dat God man en vrouw verschillend heeft bedoeld. Ik laat het hier bij wat ze schreef en deed. Lezers uit verschillende kerken zullen er verschillend naar kijken.

Van 1988 tot 2001 sprak ze dagelijks op de radio in Gateway to Joy.

EEN VERHAAL DAT ZE MOEST BLIJVEN VERTELLEN

In januari 1996 schreef Elisabeth een nieuw nawoord bij Through Gates of Splendor. Ze vertelde daarin dat ze op 8 januari van dat jaar, precies veertig jaar na de dood van Jim, met haar familie bij de Waorani aan de Curaray was geweest. Twee van de mannen die de speren hadden gegooid, Minkayi en Kimo, waren christen geworden. Het Nieuwe Testament was in hun taal vertaald.

In hetzelfde nawoord vertelde ze een gesprek met een Nederlandse vrouw. Corrie ten Boom had haar aangemoedigd om haar eigen verhaal te blijven vertellen. Vrij vertaald: “Dit is het verhaal dat je gegeven is.” Voor een Nederlandse lezer is het een mooi beeld: de vrouw uit het Haarlemse horlogehuis die de weduwe uit het oerwoud zegt dat haar eigen leven het verhaal is.

Elisabeth schreef in dat nawoord ook dat het verhaal van de vijf zendelingen maar één gebeurtenis is in de grote geschiedenis. God werkt daarin door, schreef ze, in ons, door ons, en ondanks ons. Zelf vond ze alleen rust in Zijn wil.

Heb jij ooit iets meegemaakt dat je liever niet had gekregen? Elisabeth Elliot schreef erover zonder het mooier te maken. Ze liet ruimte voor vragen. En ze bleef God aanbidden.

HET LAATSTE DECENNIUM

De laatste tien jaar van haar leven had Elisabeth dementie. Ze overleed op maandag 15 juni 2015 in haar huis in Magnolia, Massachusetts. Ze was achtentachtig. Op 23 juni was er een herdenkingsdienst in de kapel van Gordon College, waar ze schrijver in residentie was geweest. Ze werd begraven op de begraafplaats van Hamilton.

Haar papieren liggen in het archief van Wheaton, de plek waar ze ooit Grieks kwam studeren om talen op te schrijven die nog niemand had opgeschreven. Een van de eerste woordenlijsten van het Wao begon zij, in een nederzetting in het regenwoud, met haar dochter bij zich. Veertig jaar na de speren stond ze weer aan de Curaray, bij het volk van de mannen die ze gegooid hadden. In hun taal lag nu het Nieuwe Testament.

Dossier

Wat vaststaat en wat verteld wordt

Vaststaat (meerdere onafhankelijke bronnen): geboorte op 21 december 1926 in Brussel uit zendingsouders; studie Grieks aan Wheaton vanaf 1944; vertrek naar Ecuador in 1952 en werk onder de Tsáchila; huwelijk met Jim Elliot in 1953 in Quito; geboorte van Valerie in 1955; de dood van de vijf zendelingen op 8 januari 1956 en het bericht aan de weduwen op 12 januari; Through Gates of Splendor (1957); het verblijf met Valerie en Rachel Saint bij de Waorani vanaf de herfst van 1958 tot december 1961; spanningen met Rachel Saint (volgens historica Kathryn Long); terugkeer naar de VS in 1963; No Graven Image (1966) en de kritiek erop; huwelijken met Addison Leitch (1969, overleden 1973) en Lars Gren (1977); lesgeven aan Gordon-Conwell vanaf 1974; Gateway to Joy (1988-2001); ongeveer tien jaar dementie; overlijden op 15 juni 2015 in Magnolia.

Alleen uit eigen getuigenis of latere overlevering: het gebed op haar twaalfde (uit haar dagboek, via haar biografe); de moord op haar taalhelper en de gestolen koffer met aantekeningen (uit haar eigen boek These Strange Ashes); haar uitspraak over Gods categorieën (Urbana 1973); het bezoek aan de Waorani in 1996 en de bekering van Minkayi en Kimo (uit haar eigen nawoord); het gesprek met Corrie ten Boom; dat ze de eerste vrouw met een hoofdtoespraak op Urbana was (volgens de organisatie zelf).

Onbevestigd: de precieze reden waarom ze in december 1961 Tewæno verliet; de exacte datum van haar huwelijk (niet in de geraadpleegde bronnen); het jaar van The Savage My Kinsman (1959 of 1961) en van Let Me Be a Woman (1976 of 1977), de bronnen verschillen; één bron noemt 14 juni 2015 als sterfdatum.

Duiding: of de dood van de vijf mannen en het verblijf van Elisabeth bij de Waorani goed waren voor dat volk, is onder historici een open vraag. De komst van zending en olie bracht de Waorani vrede tussen groepen, maar ook ziekte en verlies van land.

Bronnen bij dit hoofdstuk

  1. Wheaton College Archives, “Elisabeth Howard Elliot, 1926-2015”
  2. Wheaton College Archives, “Encounters on Palm Beach”
  3. Wheaton College Archives, “Aftermath”
  4. Billy Graham Center Archives, Ecuador 1956: Elisabeth Elliot
  5. Billy Graham Center Archives, Ecuador 1956: What’s In a Name?
  6. The Boston Globe, 19 juni 2015
  7. Christianity Today, 15 juni 2015
  8. Gordon College, aankondiging herdenkingsdienst (2015)
  9. Urbana, “Elisabeth Elliot”
  10. Lucy S. R. Austen, Elisabeth Elliot: A Life (Crossway 2023), fragment
  11. IMB, recensie van Kathryn Long, God in the Rainforest (2019)
  12. Christianity Today, recensie van God in the Rainforest
  13. First Things, “Narrating Martyrdom” (2019)
  14. The Anxious Bench (Patheos), “Elisabeth Elliot, Missionary Rebel”
  15. Elisabeth Elliot Foundation, “Epilogue II” (1996)
  16. CGN Media, “Young Elisabeth Elliot: A Calling Into the Unknown”, deel 2
  17. Mission Aviation Fellowship, “Jim and Elisabeth Elliot”
  18. Wikipedia, “Waorani people” (startpunt)
Liever het hele boek?PDF downloadenE-book (EPUB)Over dit deel