Op 27 juli 1913 liep een man uit Cape Palmas, een havenstadje in het zuidoosten van Liberia, naar het oosten. Hij droeg geen schoenen. Hij had een wit gewaad aan met zwarte banden over de borst en een witte tulband op zijn hoofd. In zijn hand had hij een lange staf met een dwarshout, zodat het een kruis was. Verder had hij een Engelse Bijbel bij zich, een rammelaar van een kalebas en een schaal voor doopwater.
Twee vrouwen liepen met hem mee: Helen Valentine, een weduwe die had leren lezen en schrijven, en Mary Pioka. Ze zongen en sloegen de maat met kalebasrammelaars, en waar ze kwamen, liepen mensen te hoop. Het gezelschap stak de Cavally over, de grensrivier, en kwam in Ivoorkust, een kolonie van Frankrijk.
De man was rond de vijftig. Hij heette William Wadé Harris. Een paar jaar eerder had hij in een Liberiaanse gevangenis gezeten wegens verraad. Anderhalf jaar na deze tocht hadden volgens schattingen van Franse koloniale bestuurders zo’n honderdduizend tot honderdtwintigduizend mensen zich door hem laten dopen. Historica Elizabeth Isichei noemde hem in het blad Christian History “zonder twijfel de meest succesvolle zendeling in de geschiedenis van West-Afrika” (vrij vertaald). Hij was geen westerse zendeling. Hij was een Grebo uit Liberia, en hij stierf arm.
Om te begrijpen waarom hij op blote voeten liep, moeten we terug naar de kust waar hij opgroeide.
EEN GREBO-JONGEN BIJ DE DOMINEE
Liberia is een bijzonder land in de geschiedenis van Afrika. Vanaf 1822 kwamen er vrijgelaten zwarte Amerikanen aan land, met steun uit de Verenigde Staten. In 1847 riepen zij de onafhankelijkheid uit. Hun nakomelingen, de Amerikaans-Liberianen, vormden de bovenlaag van het land. Vanaf 1878 regeerde hun True Whig-partij, tot een militaire staatsgreep in 1980. De volken die er al woonden, zoals de Grebo en de Kru, werden verdreven en bestuurd door de nieuwkomers. In 1873 probeerden de Kru en Grebo nog een eigen christelijke staat te stichten, met het motto “In God We Trust”. Het lukte niet.
In die wereld werd Harris geboren, rond 1860, in het dorp Half-Graway bij Cape Palmas. Het precieze jaar weet niemand; de bronnen noemen iets tussen 1860 en 1865. Zijn Grebo-naam was Wadé. Zijn vader was geen christen en volgde de traditionele religie van de Grebo. Zijn moeder was methodist, volgens één bron. Harris zei later zelf dat hij “methodist geboren” was.
Toen hij ongeveer twaalf was, nam een oom hem mee, de methodistische predikant John Lowrie, naar Sinoe, verder langs de kust. Daar leerde de jongen lezen en schrijven, in het Engels en in het Grebo. Hij leerde ook metselen. Als jonge man voer hij een aantal keren mee op schepen langs de West-Afrikaanse kust, als werkman, tot in Nigeria.
Rond 1881 of 1882 kwam hij tot geloof in een methodistische dienst, onder de prediking van een Liberiaanse dominee die Thompson heette. Hij werd gedoopt en ging preken als leek. Een paar jaar later stapte hij over naar de Episcopaalse kerk, de Amerikaanse tak van de anglicaanse kerk. In 1888 werd hij bevestigd door bisschop Samuel Ferguson. Rond diezelfde tijd trouwde hij met Rose Farr, de dochter van een onderwijzer aan de Episcopaalse kostschool in Half-Graway. Over het jaar verschillen de bronnen. Ze kregen zes kinderen.
EEN ENGELSE VLAG OP PUDUKE BEACH
Vanaf 1892 werkte Harris voor de Episcopaalse zending als hulponderwijzer en catecheet, iemand die geloofsonderwijs geeft. Later leidde hij een school. Hij werd ook regeringstolk voor de Grebo. Hij las veel, ook de pamfletten van de Amerikaanse Bijbelleraar Charles Russell over het einde der tijden. De Liberiaanse denker Edward Blyden, die Afrikanen opriep om hun eigen weg te gaan, had invloed op hem, schrijft zendingshistoricus David Shank.
Harris zag zichzelf als woordvoerder van zijn volk. Dat bracht hem in conflict met de regering in Monrovia. Veel Grebo en Kru hoopten dat Groot-Brittannië hen onder bescherming zou nemen. In 1908 raakte Harris zijn baan als tolk en als onderwijzer kwijt.
In februari 1909 haalde hij op Puduke Beach de Liberiaanse vlag neer en hees hij de Britse Union Jack. Hij werd veroordeeld wegens verraad. Over de straf verschillen de bronnen: Shank noemt een boete van vijfhonderd dollar en twee jaar cel, een latere studie een voorwaardelijke straf. In januari 1910 brak er oorlog uit tussen de Grebo en de Liberiaanse regering. Harris zat weer vast. De opstand van de Grebo mislukte.
Hij was rond de vijftig. Hij had zijn werk verloren, zijn kerk had zijn vergunning als lekenprediker ingetrokken, en zijn volk had de strijd verloren. Wat moet je nog, als alles waar je voor gewerkt hebt, in een paar jaar ingestort is?
DRIE KEER WATER OP ZIJN HOOFD
In die gevangenis gebeurde het. Rond juni 1910, zo vertelde Harris het later, verscheen de engel Gabriël aan hem. Het gebeurde drie keer. De engel zei hem dat hij een profeet zou zijn, de profeet van de laatste tijd. De Geest kwam op hem, zei Harris, als water op zijn hoofd, en ook dat drie keer.
De opdrachten waren concreet. Hij moest zijn westerse kleren afleggen, tot en met zijn lakschoenen, en een wit gewaad dragen. Hij mocht geen alcohol meer drinken. Hij moest gaan om te preken en te dopen. Zijn rol zag hij later in het licht van Elia, de profeet die de afgoden van zijn tijd te lijf ging. Hij noemde zichzelf een zwarte Elia.
Wat er in die cel precies gebeurde, weten we alleen van Harris zelf. Hij schreef het niet op. Volgens Shank liet hij geen geschriften na, op een paar ondertekende brieven na. Zijn verhaal bereikte ons via mensen die met hem spraken, onder wie de Ghanese jurist Casely Hayford in 1914 en de methodistische zendeling Pierre Benoît in 1926. Historici kunnen het visioen niet controleren. Wel kunnen ze zien wat het met hem deed. De man die de gevangenis uitkwam, was een ander dan de man die erin ging.
Ik merk dat ik bij zo’n verhaal snel wil weten of het “echt” was. Harris zelf twijfelde daar nooit aan. Hij heeft er de rest van zijn leven op ingezet.
ZES SHILLING
Er hoorde een moeilijk deel bij het visioen. Volgens Shank kreeg Harris te horen dat zijn vrouw zou sterven, nadat ze hem zes shilling had gegeven voor zijn reis. Rose stierf. Wanneer precies, is onzeker. Eén studie noemt mei of juni 1910, het jaar van het visioen. Isichei schrijft dat Rose dacht dat haar man zijn verstand had verloren, en dat ze ziek werd en stierf.
Meer weten we niet over haar. Ze had zes kinderen met hem gekregen. Haar man kwam uit de gevangenis met een verhaal over een engel en wilde in een wit gewaad gaan preken. Het is niet moeilijk te begrijpen dat ze geschrokken was.
Rond 1912 was Harris vrij. Hij preekte eerst in Liberia, ook in de hoofdstad Monrovia, en kwam daar opnieuw kort in de cel. Groot werd het in Liberia niet. Op 27 juli 1913 ging hij de grens over.
OVER DE CAVALLY-RIVIER
Ivoorkust was in 1913 een Franse kolonie, en de Franse katholieke zending werkte er al sinds de jaren negentig. Veel had dat niet opgeleverd. In 1911 meldde de katholieke leider, monseigneur Jules Moury, dat er na meer dan vijftien jaar werk en acht grote zendingsposten zo’n tweeduizend gedoopten waren. De meeste mensen langs de kust leefden met hun traditionele religie, met beelden en voorwerpen die bescherming moesten geven. De Europeanen noemden die voorwerpen fetisjen.
Harris liep langs de kust en de lagunes, het gebied tussen Grand-Lahou en Bingerville. Hij sprak Engels en Grebo, geen Frans en niet de talen van de lagunevolken. Hij preekte via tolken, vaak klerken van Europese handelshuizen. De twee vrouwen zongen. Hij zette christelijke woorden op melodieën die de mensen kenden.
Zijn boodschap was kort. Er is één God. Verbrand je fetisjen. Houd de zondag als rustdag. Laat je dopen. Hij leerde mensen het Onzevader en de Tien Geboden. Wie zijn fetisjen opgaf, mocht direct gedoopt worden. Daarin verschilde hij van de zendingskerken, die maanden of jaren onderwijs vroegen voor iemand gedoopt werd. Harris doopte met water uit zijn schaal en legde de mensen de Bijbel op het hoofd.
In Grand-Bassam en Bingerville stroomden de mensen toe. Een van hen was een jonge koorzanger uit het volk van de Ebrié, Jonas Ahui. In 1914 liet hij zich in Bingerville samen met zijn vader dopen. We komen hem aan het eind van dit verhaal weer tegen.
“VERBRAND DE FETISJEN”
Volgens de mondelinge overlevering in Ivoorkust riep Harris in 1913 in het dorp Louzoua: “Brûlez les fétiches”, verbrand de fetisjen. Zo herinnerde een dorpeling het zich, en zo staat het in een studie van Gabriel Leonard Allen uit 2016. Isichei geeft een Engelse versie van dezelfde gedachte: God had hem gestuurd om de fetisjen te verbranden.
Hele dorpen deden het. Katholieke leider Moury schreef in 1914 over hele volken die hun fetisjen vernielden en om de doop vroegen. Rond de profeet ontstonden snel verhalen. Hij zou zieken genezen hebben en macht over de regen hebben gehad. Tegenstanders zouden gek geworden zijn. Verborgen beelden zouden vanzelf vlam hebben gevat. Een man die loog over een fetisj die hij verstopt had, zou binnen enkele uren dood zijn gegaan. Isichei brengt zulke verhalen uitdrukkelijk als legenden. Ze zijn nooit gecontroleerd, en ik geef ze ook zo door.
Harris zelf leek bang voor die verering. Hij brak soms zijn eigen staf, schrijft Isichei, omdat hij vreesde dat mensen die zouden gaan aanbidden. Toen iemand hem in Kraffy vroeg of hij de grote geest was, antwoordde hij volgens de overlevering dat hij een man was die kwam in de naam van God.
TWAALF APOSTELEN IN ELK DORP
Harris bleef nergens lang. Wat liet hij achter in de dorpen waar hij doorheen trok? Hij wees in elke nieuwe gemeente twaalf mannen aan als “apostelen”, die de groep moesten leiden. Hij liet huizen van gebed bouwen. Hij liet dorpshoofden de leiding houden, zodat de bestaande verbanden heel bleven. En hij zei de mensen dat er later christenen met Bijbels zouden komen om hen verder te onderwijzen.
Volgens de overlevering zei hij ook dat ze in hun eigen taal mochten bidden en zingen, omdat God hen zou verstaan.
Hij moedigde de mensen aan hun kinderen naar school te sturen. De Franse luitenant-gouverneur Gabriel Angoulvant schreef in 1915 over het enthousiasme waarmee kinderen in Jacqueville naar school gingen.
Over één punt botste hij later met westerse zendelingen. Harris accepteerde polygamie, het huwelijk met meer dan één vrouw, als een gegeven van het Afrikaanse leven. Hij veroordeelde het niet. Hij had zelf meer vrouwen, en een aantal reisde met hem mee. Mary Pioka kreeg een zoon van hem. In 1926 erkende hij tegenover een bezoeker dat hij zes vrouwen had. Methodistische zendelingen ondervroegen hem er scherp over.
EEN ADVOCAAT IN AXIM
In 1914 trok Harris de grens over naar de Goudkust, het huidige Ghana, een Britse kolonie. Hij preekte er ongeveer drie maanden, vooral in Apollonia, het kustgebied in het uiterste westen. Een methodistische predikant, Charles Armstrong, vond daar begin augustus 1914 zo’n achtduizend mensen die door Harris gedoopt waren.
In juli 1914 sprak de profeet in het stadje Axim langdurig met Joseph Casely Hayford. Hayford was jurist en een van de bekendste Afrikaanse nationalisten van de Goudkust. Hij was onder de indruk van de nederigheid en de geestelijke kracht van de man. In 1915 schreef hij het eerste boek over hem. Voor historici is dat boek waardevol: het is een verslag van iemand die Harris zelf sprak, midden in zijn grootste jaar.
Er is nog een naam uit die tijd. In Assinie sloot een vrouw zich bij hem aan die Grace Tani heette. Ze was een priesteres van de traditionele religie geweest. Ze zou later een van de leiders worden van de Kerk van de Twaalf Apostelen in Ghana. Zelf beschouwde ze zich als een van de vrouwen van Harris.
In het najaar van 1914 had Harris zijn uitvalsbasis in Kraffy, in Ivoorkust. Ondertussen was in Europa de Eerste Wereldoorlog begonnen.
DECEMBER 1914
De Franse koloniale overheid had de profeet eerst laten begaan. Hij riep op tot hard werken, en dat beviel. Hoe groter de beweging werd, hoe zenuwachtiger de Fransen werden. Een massabeweging onder Afrikanen, geleid door een man uit een Engelstalig land, terwijl Frankrijk in oorlog was: dat zag het bestuur als een gevaar.
In december 1914 werden Harris en de vrouwen die met hem reisden gearresteerd, op initiatief van luitenant-gouverneur Angoulvant. Ze werden opgesloten en zwaar geslagen. Helen Valentine, de jonge weduwe die anderhalf jaar eerder met hem uit Cape Palmas was vertrokken, stierf aan de gevolgen van die slagen. Zo schrijft Shank het.
In januari 1915 werd Harris het land uitgezet. Een andere studie noemt april 1915; ook hier verschillen de bronnen. Hij werd honderden kilometers naar de grens met Liberia gebracht en mocht niet meer terugkomen op Frans gebied. Volgens een oud verslag dat in een theologisch tijdschrift werd aangehaald, werd hij gearresteerd tijdens een doopdienst in Port-Bouët, bij het huidige Abidjan, en lieten de soldaat en de jongen die hem kwamen halen zich door hem dopen. Dat verhaal staat in maar één bron en is niet gecontroleerd.
De Franse overheid verbood daarna prediking in andere talen dan het Frans. Huizen van gebed die zijn volgelingen hadden gebouwd, werden afgebrand.
Hoe kijk je terug op zo’n winter? Harris had in achttien maanden meer mensen gedoopt dan de katholieke zending in meer dan vijftien jaar. Hij betaalde ervoor met zijn vrijheid, en een van de vrouwen die met hem zong, betaalde met haar leven.
ACHT KEER DE GRENS
Harris was terug in Liberia. Hij probeerde minstens acht keer Ivoorkust weer binnen te komen, schrijft Isichei. Elke keer werd hij bij de grens teruggestuurd.
Hij bleef preken. In 1917, 1919 en 1921 liep hij naar Sierra Leone. Rond 1921 trouwde hij in Freetown met Letitia Williams. Een grote beweging zoals in Ivoorkust kwam er in Liberia niet meer.
Intussen gebeurde er in Ivoorkust en de Goudkust iets wat hij zelf niet meer zag. Zijn bekeerlingen gingen naar de kerken die er al waren. Bij de katholieken steeg het aantal dopen van tachtig in 1914 naar zo’n 6.700 per jaar vanaf 1917. In 1923 telde de katholieke kerk in Ivoorkust 13.000 leden en meer dan tienduizend mensen in voorbereiding op de doop. In Apollonia, waar in 1914 nog geen enkele gedoopte katholiek was, waren er in 1920 duizenden leden.
Veel dorpen wachtten. Harris had gezegd dat er mensen met Bijbels zouden komen. Hij had zijn volgelingen aangeraden zich bij de methodisten aan te sluiten. In 1924 kwam de Engelse methodist William Platt in Ivoorkust aan, en hij vond dorpen die al tien jaar op hem wachtten. Binnen zestien maanden waren meer dan 160 kapellen bij de methodisten aangesloten, met ruim 32.000 namen in de registers. De methodistische kerk in Ivoorkust rekent haar begin tot 1914, het jaar van Harris.
Er was ook wrijving. De zendelingen vroegen een vaste bijdrage van tien procent, terwijl de dorpelingen arm waren en ook belasting aan de Fransen betaalden. En ze keurden het meervoudige huwelijk af, dat Harris had toegestaan. Niet iedereen bleef. Een deel van de mensen ging zijn eigen weg.
“BEGIN OPNIEUW”
In 1925 kreeg Harris een beroerte. Hij herstelde maar half. Een jaar later bezocht de methodistische zendeling Pierre Benoît hem. Harris was net terug van een tocht waarop hij meer dan vijfhonderd mensen had gedoopt. Benoît nam een “testament” mee terug, een verklaring van de oude profeet die volgens Shank sterk naar de methodisten neigde en die twijfelaars naar de methodistische kerk moest leiden. Benoît beschreef Harris volgens Isichei als een man die leefde in een bovennatuurlijke wereld die voor hem echter was dan de zichtbare.
Ik vind dat een ontroerend beeld van een zieke, oude man in een arm huis. Hij had niets meer, behalve de werkelijkheid waar hij in 1910 voor gekozen had.
In december 1928 kwam er nog een bezoeker. Het was Jonas Ahui, de koorzanger uit Petit-Bassam die in 1914 in Bingerville gedoopt was. Hij was naar Liberia gereisd omdat hij zich zorgen maakte. In zijn streek kwam de oude religie terug, en de Britse methodisten waren actief. Harris gaf hem zijn zegen, zijn kruisstaf en zijn Bijbel, en een brief voor Ahui’s vader. Hij gaf hem de opdracht om “opnieuw te beginnen” (vrij vertaald).
In april 1929 stierf William Wadé Harris in Spring Hill in Liberia, bijna zeventig jaar oud. Hij was volledig arm, schrijft Shank. Hij stierf in het huis van zijn dochter, volgens Isichei. De plaatselijke Episcopaalse predikant leidde de begrafenis. Een andere bron noemt 10 oktober 1929 als sterfdatum, en op zijn grafsteen staat zelfs 1928. Wat vaststaat: hij stierf in Liberia, en buiten de dorpen van Ivoorkust en Ghana wist bijna niemand wie hij was.
EEN KRUISSTAF IN PETIT-BASSAM
Ahui deed wat hem gevraagd was, al duurde het even. In 1931 werd in Ivoorkust de Harristische kerk gesticht. Na een ziekte waaraan hij bijna stierf, in 1936, ging Ahui het werk actief leiden, tegen de koloniale overheid in. Zevenenvijftig jaar lang was hij de hoogste prediker van die kerk, tot hij in 1992 stierf. De kerk breidde zich uit naar Liberia, Burkina Faso, Ghana, Togo en Benin. Shank schatte het aantal aanhangers in 1986 op zo’n tweehonderdduizend, en Isichei kwam in 2003 op hetzelfde getal. In Ghana leefde zijn werk voort in de Kerk van de Twaalf Apostelen. Andere profetische bewegingen in Ivoorkust zagen hem als hun voorloper.
Of hij zelf een kerk wilde stichten, is onduidelijk. Hij stuurde mensen naar de katholieken en de methodisten. Zijn erfenis ligt daardoor in veel kerken tegelijk. De zendingskenner Edwin Smith noemde hem in 1926 al Afrika’s meest succesvolle evangelist. Niet alles wat Harris zei, kwam uit. Hij verwachtte grote wereldgebeurtenissen waarin hij zelf een rol zou spelen, en die bleven uit. Hij was een man met een sterk visioen en met duidelijke grenzen.
Wat zou jij doen met een opdracht die je in de donkerste periode van je leven kreeg, als niemand anders erbij was om het te bevestigen? Harris trok er zijn schoenen voor uit.
In kerken die zich op hem beroepen, zoals de Kerk van de Twaalf Apostelen in Ghana, staan nog altijd vier tekens: een schaal, een Bijbel, een kalebas en een kruis. Het zijn de dingen die een man op blote voeten in juli 1913 over de Cavally droeg.
Wat vaststaat en wat verteld wordt
Vaststaat (meerdere onafhankelijke bronnen): geboorte rond 1860 tot 1865 bij Cape Palmas, als Grebo; opvoeding bij een methodistische oom; bekering rond 1881-1882; werk voor de Episcopaalse zending en als regeringstolk; ontslag in 1908; veroordeling wegens het hijsen van de Britse vlag (1909) en gevangenschap tijdens de Grebo-oorlog (1910); vertrek uit Cape Palmas op 27 juli 1913 met Helen Valentine en Mary Pioka; wit gewaad, kruisstaf, Bijbel, kalebas en doopschaal; directe doop na het verbranden van fetisjen; twaalf apostelen per gemeente; het gesprek met Casely Hayford in Axim (1914); arrestatie eind 1914 en uitzetting door de Franse overheid; de groei van katholieke en methodistische kerken daarna; de komst van William Platt in 1924; het bezoek van Jonas Ahui in december 1928; overlijden in 1929 in armoede in Liberia.
Alleen uit eigen getuigenis of latere overlevering: het visioen van Gabriël in de gevangenis en wat daar gezegd werd (alleen Harris’ eigen verhaal); de voorspelling over Rose en de zes shilling; de uitspraken “Brûlez les fétiches” en over bidden in de eigen taal (mondelinge overlevering in Ivoorkust); zijn antwoord in Kraffy; de bekering van de soldaat en de jongen bij zijn arrestatie (één oud verslag).
Onbevestigd: de genezingen, de macht over regen, branden en straffen die aan hem worden toegeschreven (door historici als legende behandeld); het aantal van tweehonderdduizend gedoopten dat in een latere studie wordt genoemd.
Duiding: de schatting van 100.000 tot 120.000 gedoopten komt van Franse koloniale bestuurders en is door latere historici overgenomen; precieze tellingen bestaan niet. Over zijn geboortejaar, het jaar van zijn huwelijk, de dood van Rose, de datum van zijn uitzetting en zijn sterfdatum (april of oktober 1929; de grafsteen zegt 1928) verschillen de bronnen.
Bronnen bij dit hoofdstuk
- David A. Shank, “The Legacy of William Wadé Harris” (DACB, uit International Bulletin of Missionary Research, 1986)
- David A. Shank, “Harris, William Wadé” (DACB, uit Biographical Dictionary of Christian Missions, 1998)
- David A. Shank, “Ahui, John” (DACB)
- Elizabeth Isichei, “A Soul of Fire”, Christian History 79 (2003)
- Dan Graves, “William Wade Harris, An African for Africans”, Christian History Institute
- Gabriel Leonard Allen, “Harris, William Wadé” (DACB, 2016)
- Gabriel Leonard Allen, “William Wadé Harris, Prophet-Evangelist of West Africa”, Journal of African Christian Biography 1:5 (2016)
- Norbert C. Brockman, “Harris, William Wadé” (DACB, uit An African Biographical Dictionary, 1994)
- Mark R. Lipschutz en R. Kent Rasmussen, “Harris, William Wadé” (DACB, uit Dictionary of African Historical Biography, 1986)
- Watson A. O. Omulokoli, “William Wade Harris: Premier African Evangelist”, Africa Journal of Evangelical Theology 21:1 (2002)