Uit allevolken

Deel 1 · Uit alle volken · Hoofdstuk 4

Josephine Bakhita

de slavin die haar Meester koos

ca. 1869-1947Darfur en Schio

Op 29 november 1889 werd in Venetië een beslissing genomen over een jonge Afrikaanse vrouw. Het gebeurde in het Instituut van de Catechumenen, een huis van de Canossiaanse zusters waar volwassenen werden voorbereid op de doop. Een mevrouw uit de familie Michieli was gekomen om haar mee te nemen naar Afrika. De jonge vrouw wilde niet mee.

Ze had geen papieren en geen familie in Italië. Ze wist niet eens hoe oud ze was. Haar eigen naam was ze kwijt. Iedereen noemde haar Bakhita, de naam die slavenhandelaren haar ooit hadden gegeven.

De patriarch van Venetië, de hoogste geestelijke van de stad, schakelde de procureur des konings in, een openbaar aanklager van het Italiaanse koninkrijk. Volgens zuster Maria Carla Frison, die het archief van het heiligdom van Bakhita in Schio beheert, kwam het daarna tot iets wat leek op een proces. De uitkomst was helder. In Italië bestond geen slavernij. Bakhita was vrij en mocht zelf kiezen waar ze bleef.

Ze koos voor het huis van de zusters en voor de God die ze daar had leren kennen. Ze zou zelf zuster worden, ruim vijftig jaar leven in een klein Italiaans stadje en daar sterven als een vrouw die door het hele land bekend was. In 2000 verklaarde de Rooms-Katholieke Kerk haar heilig. Vandaag geldt ze als de beschermheilige van Soedan en van mensen die slachtoffer zijn van mensenhandel.

Hoe kwam een meisje uit Darfur in een Venetiaans klooster terecht?

EEN DORP IN DARFUR

Ze werd rond 1869 geboren in Darfur, een streek in het westen van het huidige Soedan. Een geboortedatum kende ze niet. Volgens de Dictionary of African Christian Biography heette haar dorp Olgossa en hoorde haar familie bij het volk van de Dargiu. Ze had broers en zussen. Een oudere zus was al eerder door slavenhandelaren meegenomen.

Soedan stond in die jaren onder Egyptisch bestuur, dat zelf weer onder het Ottomaanse Rijk viel. De Soedanezen spraken over de “Turken” als ze die heersers bedoelden. In het grote gebied tussen Darfur en de Nijl was de handel in mensen een gewone bron van inkomsten.

Over haar eerste jaren weten we vrijwel alleen wat ze later zelf vertelde. Volgens de Canossiaanse archivaris had ze een tweelingzus en was haar jeugd rustig. Ook de Vaticaanse levensbeschrijving zegt iets opvallends over die tijd: ze had als kind God al in haar hart ervaren, zonder te weten wie Hij was.

HET MEISJE DAT HAAR NAAM VERGAT

Toen ze nog klein was, werd ze op het land door twee mannen meegenomen. Hoe oud ze was, verschilt per bron. Het Vaticaan, de Dictionary of African Christian Biography en paus Benedictus XVI houden het op ongeveer negen jaar. De Canossiaanse zusters, de archivaris in Schio en paus Johannes Paulus II noemen zeven. Zij wist het zelf ook niet zeker.

Van de schrik was ze haar naam vergeten, en die van haar ouders. De handelaren gaven haar een nieuwe. Bakhita betekent in het Arabisch “de gelukkige”.

Ze werd verkocht en weer verkocht, op de slavenmarkten van El Obeid en Khartoem. Hoe vaak, daarover lopen de bronnen uiteen. Benedictus XVI schreef vijf keer. Andere bronnen spreken van vier verkopen of van acht eigenaren. Volgens haar eigen verhaal probeerde ze een keer te vluchten. Ze werd teruggevonden.

LITTEKENS DIE BLEVEN

In het huis van een Turkse generaal had ze het het zwaarst. Ik ga daar niet uitgebreid over vertellen. Het is genoeg om te weten wat de bronnen samen zeggen: ze werd geslagen, en haar lichaam werd met messneden bewerkt die nooit meer verdwenen. Vatican News noemt honderdveertien littekens, Benedictus XVI honderdvierenveertig. Ze droeg ze de rest van haar leven.

Misschien vraag je je af hoe een kind zoiets overleeft. Bakhita gaf daar later geen heldenverhaal over. Ze sprak er rustig over, zonder haat. Daar kom ik nog op terug.

EEN CONSUL IN KHARTOEM

In 1882 kwam er een wending. In Khartoem werd ze gekocht door, of voor, de Italiaanse consul Callisto Legnani. Het Vaticaan schrijft dat ze in zijn huis voor het eerst in jaren niet werd geslagen. Hij behandelde haar vriendelijk.

Het bleef daar niet rustig. In Soedan was een opstand uitgebroken onder leiding van een religieuze leider die zich de Mahdi noemde, de beloofde verlosser uit de islamitische traditie. Zijn aanhangers trokken op tegen de Egyptische heersers en hun buitenlandse bondgenoten. Legnani moest het land verlaten.

Bakhita vroeg of ze mee mocht. In haar eigen woorden, zoals Vatican News ze aanhaalt: “Ik waagde het hem te vragen mij mee te nemen naar Italië.” (vrij vertaald). Hij zei ja. Ze reisden naar de havenstad Suakin aan de Rode Zee en vandaar per schip naar Genua. Volgens de archivaris in Schio was dat in 1885. Vatican News noemt 1884.

KINDERMEISJE IN ZIANIGO

In Genua deed Legnani haar over aan een bevriende familie, de Michieli’s. Het Vaticaan schrijft dat dit gebeurde onder druk van mevrouw Michieli. Ze gingen wonen in Zianigo, een dorp bij Mirano, niet ver van Venetië. Daar werd Bakhita het kindermeisje van hun dochtertje Alice, die iedereen Mimmina noemde.

Vrij was ze nog steeds niet. Ze was eigendom dat van eigenaar was gewisseld. Wel was ze voor het eerst in een omgeving waar ze iets hoorde over de God die ze in Darfur nog niet kende.

Augusto Michieli kocht een hotel in Suakin, de haven waar Bakhita was vertrokken. De familie wilde terug naar Afrika. In 1888 reisde mevrouw Michieli vooruit. Op advies van de beheerder van hun bezittingen, Illuminato Checchini, werden Mimmina en Bakhita zolang ondergebracht bij de Canossiaanse zusters in Venetië.

BIJ DE ZUSTERS VAN CANOSSA

De Canossiaanse zusters waren een rooms-katholieke vrouwenorde, gesticht door Magdalena van Canossa uit Verona. Ze werkten onder meer in onderwijs en catechese, het onderwijs in het geloof. Het huis in Venetië waar Bakhita terechtkwam, was bedoeld voor catechumenen: mensen die zich voorbereiden op de doop.

Daar hoorde ze voor het eerst echt wie God was. Volgens het Vaticaan herkende ze in Hem Iemand die ze al gevoeld had, lang voordat ze Zijn naam kende. Ze leerde het Venetiaanse dialect. Benedictus XVI schreef in zijn encycliek Spe Salvi dat ze God daarin leerde noemen met het woord paron, baas of meester. Ze had veel meesters gehad. Deze Meester was anders. Hij had haar lief. Ze wist zich volgens de paus “definitief bemind”.

Ken jij God als meester? Voor de meeste Nederlanders klinkt dat woord hard. Voor iemand die echte meesters met zwepen had gekend, was het juist het woord dat het grootste verschil maakte.

“LICHAAM EN ZIEL”

In november 1889 kwam mevrouw Michieli terug om haar dochter en Bakhita op te halen. Volgens de Dictionary of African Christian Biography was ze zelf Russisch-orthodox en stond ze niet achter de wens van Bakhita om rooms-katholiek gedoopt te worden. Die bijzonderheid staat alleen in die bron.

Bakhita zei nee. Ze wilde blijven. Later legde ze uit dat ze anders lichaam en ziel verloren zou hebben, zo vertelt zuster Frison.

De patriarch en de overheid bemoeiden zich ermee. Of je het een echte rechtszaak mag noemen, is niet duidelijk. De Dictionary of African Christian Biography spreekt alleen van tussenkomst van de patriarch en vertegenwoordigers van de regering. De archivaris in Schio spreekt van iets wat op een proces leek. Over de uitkomst zijn alle bronnen het eens. Op 29 november 1889 werd vastgesteld dat Bakhita vrij was.

Ze was rond de twintig. Ze nam afscheid van Mimmina, het kind dat ze jaren had verzorgd. Volgens de archivaris kostte haar dat veel. Het was haar eerste keuze als vrije vrouw, en het was een keuze voor God.

EEN NIEUWE NAAM OP 9 JANUARI 1890

Op 9 januari 1890 werd ze gedoopt. Op dezelfde dag ontving ze het vormsel en haar eerste communie, de drie sacramenten waarmee een volwassene in de Katholieke Kerk wordt opgenomen. De patriarch van Venetië zelf diende ze toe. Dat was volgens de Dictionary of African Christian Biography kardinaal Domenico Agostini.

Ze kreeg drie namen: Giuseppina, Margherita en Fortunata. Dat laatste is het Latijnse woord voor gelukkig. De naam die haar ontvoerders haar als spot hadden gegeven, kreeg zo een nieuwe betekenis. Bakhita bleef ze heten.

Later zei ze over die dag: “Hier ben ik een dochter van God geworden!” (vrij vertaald). Het Vaticaan neemt die zin op in haar officiële levensbeschrijving.

Ik blijf bij dat zinnetje hangen. Iemand die als bezit was verhandeld, noemt zichzelf dochter. Ze had een vader en een moeder gehad, maar hun namen waren uit haar geheugen verdwenen. Nu had ze een Vader van wie ze de naam wel kende.

“JA, VADER”

Ze bleef nog enkele jaren in het huis van de catechumenen. Steeds duidelijker voelde ze dat ze zelf zuster wilde worden. In 1893 begon ze aan het noviciaat, de opleidingstijd voor nieuwe zusters. Voor haar geloften werd ze ondervraagd door kardinaal Giuseppe Sarto, die toen patriarch van Venetië was. Hij zou later paus Pius X worden.

Op 8 december 1896 legde ze haar geloften af als Canossiaanse zuster. Benedictus XVI schrijft dat dit in Verona gebeurde. Het Vaticaan heeft een gebed bewaard dat ze voor die dag maakte. Daarin vroeg ze of ze ooit naar haar eigen volk mocht gaan om over Gods goedheid te vertellen. Ze noemde haar vader en moeder, haar broers en haar zus, die volgens haar nog in slavernij leefden.

In 1902 werd ze overgeplaatst naar Schio, een stadje in de provincie Vicenza. Volgens zuster Frison antwoordde ze op de vraag of ze wilde gaan met twee woorden: “Ja, vader.” In Schio zou ze de rest van haar leven blijven.

MADRE MORETTA AAN DE DEUR

Haar werk was eenvoudig. Ze kookte, naaide, borduurde, zorgde voor de sacristie, de ruimte waar de spullen voor de mis worden bewaard. Het meest bekend werd ze als portierster. Wie aan de deur van het klooster aanbelde, zag haar.

De mensen van Schio noemden haar Madre Moretta, wat je kunt vertalen als het zwarte moedertje. Het was een liefkozende naam, geen scheldwoord. Kinderen kwamen graag bij haar. Meisjes vroegen haar eens of ze niet liever wit geboren was. Ze zei nee. Alles wat haar Heer had gedaan, vond ze goed, zo vertelt de archivaris.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd het klooster volgens de Dictionary of African Christian Biography een militair hospitaal, en hielp Bakhita bij de zorg voor gewonde soldaten. Uit dezelfde Canossiaanse overlevering komt een verhaal uit een oorlogsjaar dat niet precies bekend is. Vanwege haar huidskleur werd ze voor een spion aangezien. Ze bleef rustig, nam de mannen mee naar haar kamer en liet hun het raam zien waar ze, zo zei ze, haar roeping had ontvangen. Daarna lieten ze haar met rust. Ik heb dit verhaal alleen bij de Canossiaanse archivaris gevonden.

EEN VERHAAL DAT RONDGING

In 1931 verscheen een boek over haar leven, Storia meravigliosa, Een wonderlijk verhaal. De schrijfster was Ida Zanolini, een leek die met de Canossiaanse zusters verbonden was. Ze baseerde het boek op wat Bakhita haar zelf had verteld. Het boek maakte haar in heel Italië bekend.

Volgens Benedictus XVI reisde ze daarna door Italië om aandacht en steun te vragen voor de missie, het werk van de kerk in andere werelddelen. Ze vertelde daarbij haar verhaal. Wikipedia noemt de jaren 1935 tot 1939 en een opleidingshuis voor missiezusters in Vimercate, bij Milaan. Een tweede bron daarvoor heb ik niet gevonden.

Wat vertelde ze dan? Een student uit Bologna vroeg haar eens wat ze zou doen als ze haar ontvoerders tegenkwam. Volgens een tekst die de Pauselijke Universiteit Urbaniana voor het Vaticaan opstelde, zei ze dat ze zou knielen en hun handen zou kussen. Zonder hen was ze nooit christen geworden. Op de vraag of ze de mensen kon vergeven die haar hadden gemarteld, antwoordde ze: “Waarom niet? Arme mensen! Ze kenden de Heer niet.” (vrij vertaald).

Je hoeft dat niet makkelijk te vinden. Ik vind het ook niet makkelijk. Ze praatte de wreedheid niet goed. Ze zag er alleen meer in dan wreedheid.

“ZOALS DE MEESTER WIL”

Haar laatste jaren waren zwaar. Ze was lange tijd ziek en had veel pijn. Wie vroeg hoe het ging, kreeg volgens het Vaticaan een kort antwoord: zoals de Meester wil.

Op het eind kwam het verleden terug. Ze vroeg de verpleegster om iets dat er niet was. “Maak de kettingen wat losser, ze zijn zwaar!” (vrij vertaald), zo staat het in een levensschets van Radio Vaticaan. Ruim zestig jaar nadat ze ze had gedragen, voelde ze ze opnieuw.

Op 8 februari 1947 stierf ze in het klooster van Schio, met de zusters om zich heen. Vatican News noemt een longontsteking als oorzaak. Haar laatste woorden waren volgens het Vaticaan een roep om Maria, de moeder van Jezus. Daarna kwamen mensen uit de stad om haar nog één keer te zien.

TERUG NAAR SOEDAN

Twaalf jaar na haar dood begon het onderzoek naar haar leven dat in de Katholieke Kerk voorafgaat aan een heiligverklaring. Op 1 december 1978 stelde de kerk vast dat ze de christelijke deugden in heldhaftige mate had beoefend. Op 17 mei 1992 verklaarde paus Johannes Paulus II haar zalig.

Het jaar daarna ging dezelfde paus naar Khartoem, de stad waar Bakhita als kind was verkocht. Soedan was toen al jaren in oorlog. In zijn preek op 10 februari 1993 noemde hij haar een dochter van het land. Ze was verkocht als handelswaar, zei hij, en toch bleef ze vrij, “met de vrijheid van de heiligen” (vrij vertaald). Hij gaf haar aan de Soedanezen als voorbeeld en als beschermheilige.

Op 1 oktober 2000 werd ze in Rome heilig verklaard, samen met honderdtwintig martelaren uit China, de Spaanse kloosterstichtster María Josefa Sancho de Guerra en de Amerikaanse Katharine Drexel. In zijn preek vroeg de paus om gebed voor Soedan, dat al zeventien jaar door oorlog werd verscheurd.

In 2007 schreef Benedictus XVI over haar in Spe Salvi, zijn encycliek over hoop. Sinds 2015 is haar feestdag, 8 februari, ook de internationale dag van gebed tegen mensenhandel. Daartoe besloten twee organisaties in Rome, de Pauselijke Raad voor Rechtvaardigheid en Vrede en de internationale vereniging van oversten van vrouwelijke orden.

HET RAAM IN SCHIO

Ze is nooit teruggekeerd naar Darfur. Het gebed van 1896, om naar haar eigen volk te mogen gaan, werd niet verhoord zoals zij het vroeg. Ze bleef aan de deur van een klooster in Italië staan, tot het eind.

Ik denk aan het raam waar ze de mannen die haar wilden arresteren naartoe bracht. Ze had niets te verbergen. Ze wees alleen naar de plek waar haar Meester haar had geroepen. Een meisje zonder naam, verkocht op de markt van El Obeid, stond voor een raam in Schio en wist wie ze was.

Dossier

Wat vaststaat en wat verteld wordt

Vaststaat (meerdere onafhankelijke bronnen): geboorte rond 1869 in Darfur; ontvoering als kind en verkoop op de markten van El Obeid en Khartoem; ernstige mishandeling en blijvende littekens; aankoop door de Italiaanse consul Callisto Legnani (1882) en vertrek naar Italië via Suakin vanwege de Mahdi-opstand; verblijf bij de familie Michieli in Zianigo als kindermeisje van Alice (Mimmina); onderbrenging bij de Canossiaanse zusters in Venetië; haar weigering om terug te gaan en de vaststelling van haar vrijheid op 29 november 1889; doop, vormsel en eerste communie op 9 januari 1890 met de namen Giuseppina Margherita Fortunata; noviciaat vanaf 1893 en geloften op 8 december 1896; Schio vanaf 1902; het boek van Ida Zanolini (1931); overlijden op 8 februari 1947 in Schio; zaligverklaring op 17 mei 1992 en heiligverklaring op 1 oktober 2000.

Alleen uit eigen getuigenis of latere overlevering: de tweelingzus en de jeugd in Olgossa; de vluchtpoging; dat ze God als kind al aanvoelde; haar uitspraken over vergeving, over de doop en over het verlies van lichaam en ziel; haar gebed van 8 december 1896; het verhaal van de spionageverdenking en het raam; de hulp aan gewonde soldaten in de Eerste Wereldoorlog; haar woorden over de kettingen en haar laatste woorden.

Onbevestigd: dat mevrouw Michieli Russisch-orthodox was (één bron); de exacte jaren van haar reizen voor de missie en het verblijf in Vimercate (alleen Wikipedia); de volgende cijfers, waarover de bronnen het oneens zijn: haar leeftijd bij de ontvoering (zeven of negen), het aantal littekens (114 of 144), het aantal verkopen, en het jaar van aankomst in Italië (1884 of 1885). Of de procedure van 1889 een echte rechtszaak was, is niet duidelijk.

Duiding: enkele bronnen schrijven dat de latere paus Pius X haar doopte. Dat kan niet kloppen: Giuseppe Sarto werd pas in 1893 patriarch van Venetië. Hij ondervroeg haar wel voor haar geloften.

Bronnen bij dit hoofdstuk

  1. Vaticaan, “Josephine Bakhita (1869-1947)”, biografie bij de heiligverklaring
  2. Radio Vaticana, “St Josephine Bakhita: the life of a modern-day African saint”, 8 februari 2015
  3. Vatican News, “Santa Giuseppina Bakhita, vergine”
  4. Benedictus XVI, encycliek Spe Salvi (2007), nr. 3
  5. Vaticaan / Pauselijke Universiteit Urbaniana, “Goodness and missionary zeal”
  6. Johannes Paulus II, homilie in Khartoem, 10 februari 1993
  7. Johannes Paulus II, homilie bij de heiligverklaring, 1 oktober 2000
  8. Maria Carla Frison (archief heiligdom Bakhita, Schio), L’Osservatore Romano 14 februari 2020, via EWTN
  9. Canossian Daughters of Charity (Filipijnen), “St. Josephine Bakhita”
  10. Aylward Shorter, “Bakhita, Josephine”, Dictionary of African Christian Biography
  11. Christian History Institute, “The wonderful story of Sister Josephine Margaret Fortunata”
  12. USCCB, “February 8 is the first International Day of Prayer and Awareness Against Human Trafficking”, 2015
  13. Wikipedia, “Josephine Bakhita” (startpunt)
Liever het hele boek?PDF downloadenE-book (EPUB)Over dit deel