Op 1 maart 1919 kwamen in Seoul negenentwintig mannen bij elkaar in een restaurant dat Taehwagwan heette. Ze lazen een verklaring voor waarin Korea zich onafhankelijk noemde van Japan. Onder die verklaring stonden drieëndertig namen. Zestien van hen waren christenen. Een van de namen hoorde bij een presbyteriaanse predikant uit Pyongyang, een man van rond de vijftig met slechte ogen. Hij was er die dag niet bij. Net als drie andere christelijke ondertekenaars ontbrak hij in Taehwagwan, zo blijkt uit een overzicht van de Koreaanse historicus Lee Man-yeol.
Zijn naam stond er wel. En daarvoor ging hij de gevangenis in.
Die man was Gil Sun-ju. In Engelse boeken heet hij meestal Kil Sŏn-ju. Hij was een van de eerste zeven Koreanen die in 1907 tot presbyteriaans predikant werden gewijd. Hij stond midden in de opwekking van Pyongyang in datzelfde jaar. Hij begon gebedsbijeenkomsten in de vroege ochtend, een gewoonte die in Koreaanse kerken tot vandaag bestaat. Een artikel in Christian History noemt hem de vader van de Koreaanse kerk.
Hij begon zijn zoektocht naar God in de bergen, bij een heel andere weg.
DRIE JAAR IN DE BERGEN
Gil Sun-ju werd in 1869 geboren in Anju, in de provincie Zuid-Pyongan. Die plaats ligt nu in Noord-Korea. Zijn vader heette Gil Bong-sun. Volgens de Koreaanse Wikipedia trouwde hij al jong, rond zijn elfde, zoals in zijn streek gebruikelijk was. Dat detail heb ik in andere bronnen niet teruggevonden.
Korea was in die jaren een koninkrijk dat zich lang had afgesloten van de buitenwereld. Het land werd geregeerd volgens de ideeën van Confucius: orde, plicht, eerbied voor ouders en voorouders. Naast het confucianisme leefden boeddhisme, taoïsme en de oude volksreligie met haar geesten en sjamanen. Christenen waren er nauwelijks. De eerste protestantse zendelingen kwamen pas in de jaren tachtig van de negentiende eeuw.
De jonge Gil was een sterke man. Volgens de Encyclopedie van de Koreaanse cultuur oefende hij vanaf zijn negentiende zijn lichaam met krachtoefeningen. Op zijn vijfentwintigste vertelde een vriend hem over seondo, een taoïstische weg naar een lang, sterk en zelfs onsterfelijk leven. Gil trok de bergen in en oefende er drie jaar. Hij bereikte niet wat hij zocht.
Over zijn religieuze weg vóór zijn bekering zijn de bronnen het niet helemaal eens. Christian History noemt hem taoïst en confucianist. Britannica spreekt van zenboeddhisme. Koreaanse bronnen spreken van seondo, de taoïstische weg.
Ken jij dat, jaren ergens in investeren en dan merken dat het je niet brengt wat je hoopte?
EEN VRIEND EN EEN BOEK
De vriend die hem ooit naar de bergen had gewezen, Kim Jong-seop, was intussen christen geworden. Via hem kwam Gil in aanraking met christelijke boeken in het Chinees, de taal waarin geleerde Koreanen toen lazen. Vooral één boek maakte indruk: De Christenreis van John Bunyan, het verhaal van een pelgrim die met een last op zijn rug op weg gaat naar de hemelse stad. Volgens de Christian History Almanac had de Amerikaanse zendeling Samuel Moffett hem dat boek aangeraden.
Hoe hij uiteindelijk tot geloof kwam, kennen we uit wat hij er later zelf over vertelde. In Soo Kim, hoogleraar kerkgeschiedenis, geeft het zo weer. Terwijl Gil bad, hoorde hij het geluid van een fluit en een stem die zijn naam riep. Daarop bad hij, vrij vertaald: “Mijn geliefde God, vergeef mijn grote zonden en red mij.”
Het is zijn eigen getuigenis. Niemand anders was erbij. Wel staat vast wat erop volgde. In 1897, op zijn negenentwintigste, liet Gil zich dopen. Volgens de Koreaanse Wikipedia gebeurde dat door de Amerikaanse zendeling Graham Lee.
EEN OUDERLING IN JANGDAEHYEON
Gil bleef niet lang op de achterste rij. In 1898 werd hij leider van een gemeente. In 1901 werd hij ouderling van de Jangdaehyeon-kerk in Pyongyang, de grote presbyteriaanse kerk van de stad, die later ook de Centrale Kerk werd genoemd. Een jaar later stelde Moffett hem aan als helper, een soort hulpprediker, voor de provincies Pyongan en Hwanghae.
Dat paste bij wat Moffett voor ogen had. Volgens de Christian History Almanac wilde hij dat Koreanen zelf de Koreaanse kerk zouden leiden, en geen buitenstaanders. Mannen als Gil maakten dat mogelijk. Daardoor zag de kerk er voor veel Koreanen minder uit als een westerse, koloniale beweging.
In dezelfde jaren zette Gil zich in voor zijn land. Met de latere nationalist Ahn Chang-ho richtte hij in Pyongyang een afdeling op van de Onafhankelijkheidsclub, een beweging die Korea wilde vernieuwen en vrij wilde houden van buitenlandse overheersing. Geloof en vaderland liepen bij hem vanaf het begin door elkaar.
Ik vind dat een opvallend punt. Veel Koreanen zagen het christendom in die tijd als iets van buitenlanders. Gil liet zien dat een Koreaan christen kon worden zonder op te houden Koreaan te zijn.
In 1903 begon hij aan het presbyteriaans seminarie in Pyongyang, de opleiding voor predikanten die de Amerikaanse zendelingen hadden opgezet.
EEN LAND ONDER DRUK
Om te begrijpen wat er in 1907 gebeurde, moet je weten hoe het Korea toen verging. In 1905 won Japan een oorlog tegen Rusland. Daarna nam Japan het grootste deel van het Koreaanse bestuur over. In 1907 werd de Koreaanse koning gedwongen af te treden en werd het Koreaanse leger ontbonden. Drie jaar later, in 1910, lijfde Japan Korea helemaal in.
Het waren jaren van vernedering en woede. Volgens In Soo Kim zochten veel teleurgestelde Koreanen in die tijd hun toevlucht in de kerk. Daar vonden ze een gemeenschap die hen samenbracht, en later ook een kracht die de onafhankelijkheidsbeweging van 1919 zou voeden.
In de verslagen van de opwekking lees je dat de Amerikaanse zendeling William Blair in januari 1907 preekte over de haat van Koreanen tegen de Japanners, en de mannen opriep die los te laten. Voor een volk dat net zijn vrijheid kwijtraakte, was dat geen gemakkelijke boodschap.
VOORDAT HET LICHT WERD
Rond deze tijd begon Gil iets waardoor hij in Korea nog steeds bekend is. Hij kwam met andere gelovigen in de kerk bij elkaar om te bidden voordat het licht werd. In het Koreaans heet dat saebyeok gido, vroeggebed. De kerkhistoricus In Soo Kim beschreef in zijn proefschrift hoe dit initiatief van Gil een blijvende plek kreeg. Een artikel in het tijdschrift Acta Koreana noemt hem een van de grondleggers ervan, samen met de Bijbelconferenties waarin gemeenteleden dagenlang de Bijbel bestudeerden.
Wanneer het precies begon, is niet zeker. Sommige bronnen noemen de herfst van 1906, andere 1909. Het artikel in Acta Koreana legt een verband met zijn jaren in de bergen: de ijver van seondo vond een nieuwe richting in zijn gebed. Het oefenen bleef. Het doel was veranderd.
Wanneer bid jij? Gil koos het uur waarop het stil was en de dag nog niet was begonnen.
Volgens een biografie die zijn zoon Gil Jin-gyeong in 1980 schreef, gebeurde er in september 1906 nog iets. Gil had gehoord over opwekkingen in Wales en India. De Amerikaanse predikant Howard Agnew Johnston vroeg in die maand wie de Heilige Geest ten volle wilde ontvangen om de Koreaanse kerk te leiden. Gil, toen student en ouderling, stak zijn hand op en kwam naar voren. In december van dat jaar was hij een van de hoofdsprekers op een Bijbelconferentie in Hwanghae, en met de zendelingen sprak hij af de grote winterconferentie van januari samen voor te bereiden. Dit verhaal komt uit de familie en is door Bonjour Bay in een artikel overgenomen. Een onafhankelijke bevestiging heb ik niet gevonden.
JANUARI 1907
In januari 1907 hielden de presbyteriaanse kerken in Pyongyang hun jaarlijkse Bijbelconferentie voor mannen. Ongeveer vijftienhonderd mannen kwamen bij elkaar, schrijft de Koreaanse theoloog Young-Hoon Lee.
Volgens het artikel van Bonjour Bay preekte Gil op 9 januari over het openen van je hart voor de Heilige Geest. Daarna begon de gemeente luid te bidden. Gil leidde ook de vroege gebedssamenkomsten van de conferentie.
Op maandagavond 14 januari, zo schrijft Young-Hoon Lee, leidde de zendeling Graham Lee de samenkomst. De historicus Thomas Kidd beschrijft op basis van ooggetuigen hoe mannen in die dagen tegelijk hardop begonnen te bidden. Ze beleden hun zonden in het openbaar, huilden en vielen op de grond. Een zendeling schreef dat het gebed klonk als het geluid van veel wateren.
Gil Sun-ju had in die dagen een sleutelrol. Hij beleed in het openbaar zijn eigen zonden, en daarna volgden velen zijn voorbeeld. Over de datum verschillen de bronnen: de Koreaanse Wikipedia noemt een vroeggebed op 6 januari. Er gaan ook verhalen rond over wat hij precies beleed. Ik heb die details in geen enkele bron die ik kon lezen teruggevonden, en laat ze daarom weg.
In maart 1907 schreef de zendeling E. F. Hall aan zijn zendingsbestuur dat Gil tijdens de opwekking de doop in de Geest had ontvangen. Niet iedereen in Korea neemt die duiding over. De Koreaanse historicus Park Yong-gyu heeft haar bestreden. Over één ding zijn de bronnen het eens: na januari 1907 was Gil de predikant die de opwekking door het land droeg. Young-Hoon Lee schrijft dat hij overal opwekkingssamenkomsten en Bijbelklassen leidde.
Het kostte hem veel. Volgens een gangbaar overzicht ebden de samenkomsten in Pyongyang in het voorjaar van 1907 weg, mogelijk omdat Gil uitgeput was. Of dat de echte reden was, weet niemand zeker.
EEN VAN DE EERSTE ZEVEN
Op 20 juni 1907 studeerde Gil af aan het seminarie. Hij hoorde bij de eerste klas, zeven mannen. Op 17 september 1907 werden ze in Pyongyang gewijd tijdens de eerste vergadering van het Koreaanse presbyterium. Zo kreeg de presbyteriaanse kerk in Korea haar eerste eigen predikanten. Gil werd predikant van de Jangdaehyeon-kerk.
Hij was een vernieuwer. In zijn kerk hing een gordijn dat de mannen van de vrouwen scheidde. Gil liet het weghalen. Hij bracht Koreaanse hofmuziek in de eredienst en vormde koren. Volgens In Soo Kim gaf hij in zijn kerk avondles in hangul, het Koreaanse alfabet, tot de Japanse overheid dat verbood. Zijn liefde voor Koreaanse muziek leidde tot een herziening van het liedboek, met vijf liederen op Koreaanse melodieën.
In 1910 deed hij op de vergadering van het presbyterium een voorstel voor een campagne die “Een miljoen zielen” ging heten: een groot evangelisatieplan voor heel Korea. Toen de presbyteriaanse kerk in 1912 haar eerste Algemene Vergadering hield, werd Gil vicevoorzitter, schrijft Britannica.
DE SCHADUW VAN 1911
Na de inlijving van 1910 werd het Japanse bewind strenger. In 1911 begon een grote zaak tegen Koreaanse nationalisten en christenen, die werden beschuldigd van een samenzwering tegen het Japanse bewind. Ze werd bekend als de zaak van de 105 mannen. De Encyclopedie van de Koreaanse cultuur schrijft dat ook Gil onder deze zaak leed.
In 1917 verloor hij zijn oudste zoon, Gil Jin-hyeong. Volgens de Koreaanse Wikipedia was die zoon lid geweest van een geheime nationalistische vereniging en had hij in de zaak van 1911 vastgezeten. Of zijn dood daar rechtstreeks mee te maken had, kan ik uit de bronnen niet vaststellen.
Ik stop hier even. Een vader die zijn zoon begraaft, onder een bewind dat zijn volk de mond snoert. We weten niet wat Gil daarover zei. Er is geen brief of preek over bewaard die ik heb kunnen vinden. Twee jaar later zette hij zijn naam onder de verklaring.
DRIEËNDERTIG NAMEN
In de maanden voor maart 1919 kwam Seonu Hyeok, een Koreaan uit het buitenland, naar het noorden om met christelijke leiders te overleggen. Hij sprak onder anderen met Lee Seung-hun, Yang Jeon-baek en Gil Sun-ju, schrijft Lee Man-yeol. Uit die gesprekken groeide mee wat later de Beweging van 1 Maart werd: een vreedzaam protest waarin overal in Korea mensen de straat op gingen en riepen dat Korea vrij moest zijn.
Gil was een van de drieëndertig ondertekenaars. Britannica noemt hem een van de eerste twee namen op de verklaring. Volgens In Soo Kim deelde hij vlaggen uit, sprak hij over het christendom als een Koreaans geloof en drong hij aan op geweldloosheid.
Op 1 maart zelf was hij dus niet in Seoul. De Koreaanse Wikipedia vermeldt dat hij toen al ernstige problemen had met zijn ogen. Hij werd gearresteerd, zoals bijna alle ondertekenaars. Over de duur van zijn gevangenschap lopen de bronnen uiteen: de Encyclopedie van de Koreaanse cultuur spreekt van twee jaar, de Koreaanse Wikipedia van een jaar en zeven maanden. Volgens die Wikipedia werd hij na bijna twee jaar voorarrest als enige van de gearresteerde ondertekenaars vrijgesproken. Die vrijspraak heb ik zelf niet in een gerechtelijke bron kunnen controleren.
De beweging werd neergeslagen. Er veranderde wel iets. Volgens In Soo Kim zagen veel Koreanen het christendom vanaf die tijd niet langer als een geloof dat een vreemde macht hun had opgelegd. Christenen hadden mee vooraan gestaan.
HET BOEK OPENBARING
Na zijn vrijlating trok Gil opnieuw door het land. Hij leidde opwekkingsdiensten en Bijbelconferenties, ook in Noord-Gando, het gebied in Mantsjoerije waar veel Koreanen woonden. Zijn prediking kreeg een nieuw zwaartepunt. Britannica schrijft dat hij na de gevangenis vooral over de eindtijd preekte, met nadruk op het boek Openbaring. Een veelgehoord verhaal is dat hij Openbaring in de gevangenis honderden keren las. Een bron daarvoor ontbreekt.
Het laatste boek van de Bijbel eindigt met een belofte van Jezus en een gebed van de kerk: Hij Die van deze dingen getuigt, zegt: Ja, Ik kom spoedig. Amen. Ja, kom, Heere Jezus! (Openbaring 22:20). Voor een volk onder vreemde heerschappij had die belofte een eigen klank.
Theologen kijken verschillend naar deze periode. Volgens het artikel in Acta Koreana groeide zijn nadruk op bekering en Bijbelgezag, samen met zijn latere verwachting van het duizendjarig rijk, uit tot een behoudende, fundamentalistische theologie die in Korea nog altijd sterk is. De Koreaanse onderzoeker Bae Deok-man ziet hem als degene die deze manier van denken over de eindtijd onder Koreaanse presbyterianen verspreidde. Engelstalige overzichten melden dat hij in 1926 terugtrad als hoofdpredikant van Jangdaehyeon. Ook daarvoor heb ik geen controleerbare bron gevonden.
Hij schreef ook. Al vroeg verschenen Haetaron en Mansa seongchwi. Na zijn dood kwamen een boek over de eindtijd, Malsehak, en een bundel preken uit.
Er gaan grote getallen rond over zijn bediening: zeventien- of twintigduizend preken, honderdduizenden hoorders, tienduizenden bekeerlingen. Ze komen uit latere overzichten en spreken elkaar tegen. Niemand heeft ze kunnen tellen.
OP DE KANSEL IN GANGSEO
In zijn laatste jaren kon Gil bijna niets meer zien. Hij bleef preken. In november 1935 leidde hij een Bijbelconferentie in een kerk in Gangseo, in Zuid-Pyongan. Daar kreeg hij een hersenbloeding. Volgens de Christian History Almanac zakte hij in elkaar op de kansel, terwijl hij voor duizenden mensen preekte, en werd hij binnen enkele uren dood verklaard. Hij was zesenzestig. Als datum noemen de meeste bronnen 26 november, de Almanac houdt 25 november aan.
Tien jaar later was Korea vrij. Het land werd in tweeën gedeeld. Pyongyang, de stad die zendelingen ooit het Jeruzalem van het Oosten noemden, werd de hoofdstad van Noord-Korea.
In 2009 kende de Zuid-Koreaanse regering Gil Sun-ju postuum een onderscheiding toe voor zijn rol in de strijd voor onafhankelijkheid.
Als je vandaag in Seoul of Busan vroeg in de ochtend langs een kerk loopt, kan het zijn dat er licht brandt. Binnen zitten mensen die bidden voordat de dag begint. De meesten van hen kennen zijn naam misschien niet. Het uur hebben ze van hem.
Wat vaststaat en wat verteld wordt
Vaststaat (meerdere onafhankelijke bronnen): geboorte in 1869 in Anju; jaren van taoïstische of andere religieuze oefening vóór zijn bekering; doop in 1897; ouderling van de Jangdaehyeon-kerk (1901); studie aan het seminarie in Pyongyang vanaf 1903; wijding in 1907 als een van de eerste zeven Koreaanse presbyteriaanse predikanten; zijn leidende rol in de opwekking van januari 1907 en zijn openbare schuldbelijdenis; zijn initiatief tot het vroeggebed; ondertekening van de onafhankelijkheidsverklaring van 1919 en gevangenschap; afwezigheid bij de voorlezing in Taehwagwan; latere prediking over de eindtijd; overlijden in november 1935; onderscheiding in 2009.
Alleen uit eigen getuigenis of latere overlevering: de fluit en de stem bij zijn bekering en zijn gebed om vergeving; het opsteken van zijn hand bij Howard Agnew Johnston in 1906 (uit de biografie door zijn zoon); de Geestesdoop in 1907 (brief van één zendeling, door anderen betwist); het huwelijk rond zijn elfde; de doop door Graham Lee; de verhalen over het aantal preken, hoorders en bekeerlingen.
Onbevestigd: wat hij in januari 1907 precies beleed en op welke dag; het startjaar van het vroeggebed (1906 of 1909); de vrijspraak in 1920 en de precieze duur van zijn gevangenschap; het verband tussen de dood van zijn oudste zoon en de zaak van 1911; dat hij Openbaring in de gevangenis honderden keren las; zijn aftreden in 1926; de exacte sterfdatum (25 of 26 november).
Duiding: over de vraag of zijn invloed op de Koreaanse theologie, vooral zijn eindtijdverwachting, gezond was, verschillen kerkhistorici van mening.
Bronnen bij dit hoofdstuk
- Encyclopedia of Korean Culture (Academy of Korean Studies), lemma 길선주
- Britannica, Kiel Sun-chu
- In Soo Kim, “The national spirit”, Christian History 141 (2021)
- Bonjour Bay, “The Pyongyang Great Revival in Korea and Spirit Baptism”, Evangelical Review of Theology 31/1 (2007)
- Young-Hoon Lee, “Korean Pentecost: The Great Revival of 1907”, Asian Journal of Pentecostal Studies 4/1 (2001)
- Acta Koreana 10/2 (2007), artikel over Kil Sŏn-ju (abstract)
- Lee Man-yeol, “3.1운동과 한국교회”, lezing 2019
- The Christian History Almanac, 25 november 2020
- Thomas Kidd, “Prayer like the falling of many waters”, Christian History 153 (2024)
- Wikipedia, Kil Sŏnju (startpunt)
- Wikipedia (Koreaans), 길선주 (startpunt)
- Wikipedia, Pyongyang Revival (startpunt)