Aan het eind van de negentiende eeuw trok er opnieuw honger door India. Een Indiase vrouw van bijna veertig ging zelf naar de getroffen gebieden in Midden-India en Gujarat. Ze was slechthorend, weduwe en christen. Ze kwam terug met ossenkarren vol uitgehongerde meisjes, en ook een paar jongens. Ze ging nog een keer, en kwam opnieuw terug met kinderen.
Historicus Robert Frykenberg beschrijft die tochten in het blad Christian History. De Dictionary of Christian Biography in Asia spreekt van honderden meisjes en vrouwen die ze in de hongerjaren tussen 1896 en 1900 redde. Een precies getal geeft geen van beide bronnen, en ik ga er ook geen verzinnen.
De vrouw heette Ramabai. Toen ze twintig was, hadden geleerden in Calcutta haar de eretitel Pandita gegeven, geleerde, om haar kennis van het Sanskriet. Ze had een school voor jonge weduwen opgericht, boeken geschreven die in Amerika gelezen werden, en de steun verloren van de Indiase hervormers die haar eerst hadden toegejuicht. Op een kale vlakte bij het dorp Kedgaon bouwde ze een gemeenschap die ze Mukti noemde: verlossing, vrijheid. Daar begon in 1905 een opwekking waarover tot in Amerika werd geschreven. En daar vertaalde ze de hele Bijbel in de taal van gewone vrouwen.
Het begon in een bos in de bergen, bij een vader die iets deed wat niet mocht.
ACHTTIENDUIZEND VERZEN
Ramabai Dongre werd geboren op 23 april 1858. Haar vader, Anant Shastri Dongre, had een ashram, een plek voor studie en gebed, op de beboste hellingen van de West-Ghats, bij Karkal. Dat ligt in het huidige Karnataka, in het zuidwesten van India. De familie hoorde bij de Chitpavan-brahmanen, een hoge kaste uit het Marathisprekende gebied rond Pune.
Om haar verhaal te volgen moet je iets weten over kaste. De Indiase samenleving was verdeeld in groepen waar je in geboren werd en die bepaalden met wie je at, trouwde en omging. De brahmanen stonden bovenaan. Zij waren de priesters en geleerden, en zij beheerden het Sanskriet, de heilige taal van de oude hindoeïstische geschriften. Vrouwen hoorden die taal niet te leren.
Anant Shastri trok zich daar niets van aan. Hij leerde zijn vrouw Lakshmi Sanskriet, en zij leerde het later aan haar jongste dochter. Volgens Frykenberg werd hij daarom door andere brahmanen buitengesloten. Toen de familie de ashram om geldredenen kwijtraakte, gingen ze rondtrekken. Ze werden puranika’s: voordragers van de Purana’s, lange religieuze verhalen, op pelgrimsplaatsen in heel India. Van wat toehoorders gaven, leefden ze.
Ramabai groeide op onderweg. Meerdere bronnen vermelden dat ze achttienduizend verzen van de Bhagavata Purana uit haar hoofd kende. Dat getal komt steeds terug en gaat waarschijnlijk op haarzelf terug. Ik heb het niet ergens anders kunnen controleren.
DE HONGER VAN DE JAREN ZEVENTIG
In de jaren zeventig van de negentiende eeuw trof een grote hongersnood het zuiden van India. Over het precieze jaar zijn de bronnen het niet eens: sommige noemen 1874, andere 1876 of 1876 tot 1878. Wat vaststaat, is dat Ramabai er haar vader, haar moeder en haar zus aan verloor. Ze stierven van de honger. De Dictionary of Christian Biography in Asia schrijft dat haar ouders binnen ongeveer zes weken na elkaar stierven.
Ze was een tiener. Met haar oudere broer trok ze verder, zoals het gezin altijd had gedaan, en ze droegen samen de oude teksten voor.
Wat doet zo’n begin met een mens? Ramabai heeft in haar latere werk vrouwen en kinderen opgezocht die op straat stierven. Ik wil daar geen psychologie van maken. Maar wie haar verhaal leest, ziet dat ze de honger van binnenuit kende.
PANDITA EN SARASVATI
In 1878 kwamen Ramabai en haar broer aan in Calcutta, het huidige Kolkata, toen de hoofdstad van Brits-Indië. Groot-Brittannië bestuurde het grootste deel van het land, en Calcutta was het centrum van het koloniale bestuur en van een nieuwe Indiase elite die over hervorming nadacht.
De geleerden van de stad hoorden van een jonge vrouw die Sanskriet sprak en de oude teksten kende. Ze lieten haar spreken in de senaatszaal van de universiteit. Daarna kreeg ze twee eretitels: Pandita, geleerde, en Sarasvati, naar de hindoeïstische godin van kennis. Frykenberg schrijft dat ze in heel het land beroemd werd. Ze hield de titel Pandita haar leven lang, ook nadat ze christen was geworden.
In Bengalen kwam ze ook voor het eerst in contact met christenen. Ze kreeg het Lukasevangelie in handen. Wat ze er toen van begreep, weten we niet. Later schreef ze dat ze haar oude geloof had verloren en met een hongerig hart naar iets beters zocht.
EEN ADVOCAAT UIT EEN LAGERE KASTE
In 1880 stierf ook haar broer. Datzelfde jaar trouwde Ramabai met Bipin Behari Medhavi, een Bengaalse advocaat. Hij kwam uit een lagere kaste, de Kayastha’s. Een huwelijk tussen een brahmaanse vrouw en een man van lagere kaste kon niet volgens de hindoeïstische riten, en daarom trouwden ze voor de burgerlijke wet. Dat was in die tijd hoogst ongewoon.
Op 16 april 1881 werd hun dochter Manorama geboren. Nog geen twee jaar na de bruiloft, in februari 1882, stierf Bipin aan cholera.
Ramabai was nu zelf weduwe, met een baby. In het India van haar tijd betekende dat veel. Meisjes werden jong uitgehuwelijkt, soms al als kind. Stierf de man, dan bleef er volgens Frykenberg vaak een dakloos kindweduwtje achter, zonder plaats in de familie en zonder toekomst.
Ze verhuisde naar Pune, toen Poona, op uitnodiging van de hervormer M.G. Ranade. Binnen een paar maanden richtte ze de Arya Mahila Samaj op, een vereniging die opkwam voor onderwijs aan vrouwen en tegen kinderhuwelijken. Voor een Britse onderwijscommissie onder leiding van William Wilson Hunter pleitte ze voor onderwijs aan meisjes. Hunter liet haar verklaring vertalen en maakte haar daarmee bekend in Groot-Brittannië.
In Pune sprak ze ook vaak met Nehemiah Goreh. Hij was een brahmaan zoals zij, en anglicaans christen geworden. Anglicaans betekent: verbonden met de Kerk van Engeland.
EEN VROUW BIJ DE PUT
In 1883 reisde Ramabai naar Engeland. Ze wilde arts worden. Anglicaanse zusters van de Community of St Mary the Virgin in Wantage, een kloostergemeenschap bij Oxford, hielpen haar met de reis en gaven haar onderdak. Ze leerde Engels en gaf zelf les in Sanskriet. De opleiding tot arts ging niet door: ze werd afgewezen omdat ze steeds slechter hoorde.
Bij de zusters leerde ze het christelijk geloof van dichtbij kennen. Volgens een Amerikaanse kerkelijke herdenkingstekst werkte ze in Londen mee met zusters die zorgden voor vrouwen die uit de prostitutie kwamen. Zelf vertelde ze later dat het vierde hoofdstuk van het Johannesevangelie haar overtuigde. Daar praat Jezus bij een put met een Samaritaanse vrouw, een buitenstaander met een verleden. Vrij vertaald schreef Ramabai dat ze na het lezen begreep dat Christus “werkelijk de goddelijke Redder was”.
Aan het eind van dat hoofdstuk zeggen de mensen uit het dorp van die vrouw tegen haar: want wijzelf hebben Hem gehoord en weten dat Híj werkelijk de Zaligmaker van de wereld is, de Christus. (Johannes 4:42)
In september 1883 werden Ramabai en Manorama in Wantage gedoopt. Haar doopnaam was Mary Rama. Het nieuws kwam ook in India aan. De krant The Mahratta deed haar bekering op 4 november 1883 af als iets wat ze voor geld had gedaan.
“EEN GEWETEN VAN MIJZELF”
Ramabai was een vrouw die doorvroeg. Ze wilde niet alles aannemen wat de anglicaanse kerk leerde. Ze stelde de Bijbel boven de kerkelijke leer. Ze had ook kritiek op het Britse koloniale bewind. Dat gaf jarenlang spanning met de zusters van Wantage.
In een brief van 12 mei 1885 aan een van hen schreef ze dat ze “een geweten, en een verstand en oordeel van mijzelf” had (vrij vertaald).
Ik vind dit een van de mooiste kanten van haar verhaal. Ramabai liet zich niet inlijven. Ze was christen geworden omdat ze Christus had leren kennen, en ze weigerde dat geloof in te ruilen voor een Engelse verpakking. Westerse kerkleiders vonden haar daarom lastig. Indiase critici vonden haar juist te westers. Ze stond er tussenin, haar hele leven.
Van 1884 tot 1886 gaf ze les in Sanskriet aan het Cheltenham Ladies’ College. De directrice, Dorothea Beale, werd een vriendin die haar werk later ook met geld steunde.
EEN SCHOOL IN BOMBAY, MAART 1889
In 1886 stak Ramabai over naar Amerika. In Philadelphia zag ze haar nichtje Anandibai Joshi afstuderen, de eerste Indiase vrouw met een artsendiploma. Ze bleef twee jaar. Ze reisde, sprak in kerken en zalen en schreef in 1887 The High-Caste Hindu Woman, over het leven van vrouwen in de hoge kasten. Vanaf december 1887 ontstonden er in de Verenigde Staten Ramabai-verenigingen, van Boston tot San Francisco. Ze beloofden tien jaar geld voor een school voor Indiase weduwen.
In maart 1889 opende Ramabai in Bombay, nu Mumbai, de Sharada Sadan. Het was een school met internaat voor weduwen en meisjes uit hoge kasten, en de school was uitdrukkelijk neutraal. Ze had beloofd de leerlingen niet te bekeren. Hindoeïstische hervormers als Ranade en de geleerde R.G. Bhandarkar zaten in de adviescommissie. Kort daarna verhuisde de school naar Pune.
Datzelfde jaar sprak ze in Bombay op de National Social Conference, volgens Christian History als eerste vrouw. Vrij vertaald zei ze daar tegen de mannen in de zaal: “Jullie hebben een vrouw nooit de kans gegeven haar stem sterk te maken!”
Een paar leerlingen wilden christen worden. Ramabai stuurde hen daarvoor naar een christelijke zending. Toen dat bekend werd, trad de adviescommissie af en haalden ouders hun dochters weg. De Amerikaanse Ramabai-vereniging liet een onderzoek doen en sprak haar vrij van bekeringsdrang. De steun van de Indiase hervormers was ze kwijt.
Ik ga niet beslissen wie hier gelijk had. De hervormers hadden haar een neutrale school toevertrouwd. Ramabai vond dat een meisje dat Jezus wilde volgen, dat mocht. Beide kanten hadden iets te verliezen, en beide verloren het ook.
EEN LAST DIE VAN HAAR AFVIEL
In 1891 gebeurde er iets in Ramabai zelf. Ze was al acht jaar gedoopt. Toen las ze het boek From Death unto Life van de Engelse prediker Haslam. Ze beschreef later hoe er daarbij een grote last van haar afviel. Historici spreken van een tweede, evangelische bekering. Vanaf dat moment werd ze ook evangelist: ze wilde dat anderen Jezus leerden kennen zoals zij Hem nu kende.
Dit kennen we uit haar eigen getuigenis, het boekje A Testimony. Historici nemen het jaartal over. Wat er in haar binnenste gebeurde, weten we alleen van haar.
Heb jij ook jaren in de kerk gezeten voordat het geloof echt van jezelf werd? Ramabai was een geleerde. Ze kende de Bijbel beter dan de meeste mensen om haar heen. En zij beschreef het lezen van een boek van een Engelse prediker als het moment waarop het echt begon.
KAAL, STENIG, BOOMLOOS
Ramabai kocht land bij het dorp Kedgaon, enkele tientallen kilometers van Pune, aan de spoorlijn. Ze noemde het zelf, vrij vertaald, “kaal, stenig, boomloos en zonder water”.
In 1895 trok ze volgens Frykenberg vermomd als sannyasini, een rondtrekkende hindoeïstische kluizenares, te voet het land in om berooide vrouwen te redden. Haar eerste poging om zeven vrouwen te redden kostte haar bijna het leven. Dit verhaal heb ik alleen bij Frykenberg gevonden.
Toen kwamen de hongerjaren, waar dit hoofdstuk mee begon. Rond 1896 en 1897 sloeg de honger toe in West- en Midden-India, en in Pune brak de pest uit. Ramabai bracht de kinderen die ze uit de hongergebieden haalde naar Kedgaon. In 1898 liep de Amerikaanse steun voor de Sharada Sadan af. Het werk werd nu openlijk christelijk en kreeg de naam Mukti Mission.
Rond 1900 woonden er volgens verschillende bronnen ongeveer vijftienhonderd tot tweeduizend mensen. Die getallen komen uit de zending zelf. Er waren scholen, een kleuterschool, een ziekenhuis, weefgetouwen, een drukkerij en landbouwgrond. Er kwam een opvanghuis voor vrouwen die uit de prostitutie kwamen, Kripa Sadan. Mukti nam meisjes en vrouwen op van alle kasten, ook vrouwen met een handicap.
Niet iedereen zag het zo. De nationalistische leider Bal Gangadhar Tilak viel haar aan in zijn krant. Hij sprak, vrij vertaald, over weduwen “gevangen in Ramabai’s net” in de hongerjaren. Ook nu nog zijn er Indiase schrijvers die haar werk zien als bekering van kwetsbare kinderen. Christenen zien vooral de levens die gered werden. Beide beelden horen bij haar geschiedenis. Een kind dat van de honger sterft, kan niet meer kiezen. En een kind dat gered wordt, groeit op in het geloof van wie het redde.
VIJFHONDERDVIJFTIG VROUWEN IN GEBED
Rond 1904 stuurde Ramabai, volgens een verslag van het Christian History Institute, haar dochter Manorama en een andere vrouw naar Australië, waar een opwekking aan de gang was. Ze hoopte dat ze met geestelijke kracht zouden terugkomen.
In januari 1905 riep Ramabai de bewoners van Mukti op om te bidden voor een opwekking: een tijd waarin God mensen massaal tot inkeer brengt. Volgens de Assemblies of God, een pinksterkerk die deze geschiedenis bewaart, begonnen vijfhonderdvijftig vrouwen twee keer per dag samen te bidden. Andere verslagen spreken van ruim vijfhonderd. Ramabai vroeg ook wie bereid was het onderwijs even te laten rusten en in de dorpen te gaan preken. Dertig jonge vrouwen meldden zich. Ze kwamen dagelijks samen om te bidden om de Heilige Geest.
30 JUNI 1905
Wat er eind juni gebeurde, kennen we uit verslagen van de zending zelf en van bezoekers. Op 29 juni 1905, vroeg in de ochtend, zag een meisje een ander meisje in vuur staan. Ze wilde water halen om het te blussen, maar zag toen dat het meisje niet verbrandde. Een lerares vond haar biddend. Zo staat het in de verslagen. Of iemand echt vlammen zag, of een ervaring zo beschreef, kan niemand meer nagaan.
De volgende avond, 30 juni, sprak Ramabai rustig tot de vrouwen. Volgens een verslag begonnen ongeveer duizend vrouwen tegelijk hardop hun zonden te belijden. Ramabai hield op met spreken en liet het gebeuren. Er werd gehuild en gebeden, sommigen baden urenlang, anderen maakten ter plekke liederen.
De opwekking duurde met golven tot 1907. Ploegen vrouwen uit Mukti trokken naar andere zendingsposten, en ook daar kwamen opwekkingen, onder meer in Pune, Dhond, Allahabad en Bangalore. Minnie Abrams, een lerares in Mukti, nodigde de zendeling Albert Norton uit om een gebedsgroep bij te wonen. Norton schreef dat een Marathisprekende vrouw vloeiend in het Engels bad, een taal die ze niet kende, en dat andere vrouwen baden in talen die niemand in Kedgaon verstond. Volgens de Assemblies of God werd er in 1906 in tongen gesproken.
Zo werd Mukti een naam in de jonge pinksterbeweging, de stroming die nadruk legt op de doop in de Heilige Geest en op gaven als het spreken in tongen. Amerikaanse pinkstergelovigen kwamen kijken. Historica Edith Blumhofer schrijft dat Ramabai hun steun waardeerde, maar zich niet liet vastleggen op hun leer. Zelf sprak ze niet in tongen. Ze zei dat ze van de gave van de tongen “geen bijzonder punt” maakte (vrij vertaald). Toen de opwekking luwde, gingen Mukti en de pinkstergelovigen uit elkaar. De Mukti Mission bestaat nog steeds, zonder pinksteridentiteit.
EEN BIJBEL VOOR DE VROUWEN VAN PUNE
De Marathi-Bijbels die er al waren, waren voor veel vrouwen in de dorpen te moeilijk. Ramabai wilde een Bijbel in het Marathi zoals de vrouwen rond Pune het spraken. Ze leerde Hebreeuws en Grieks, zodat ze uit de grondtalen kon vertalen. Volgens een bron begon ze in 1904. De bronnen spreken van ongeveer twaalf tot achttien jaar werk.
Ze werkte er met anderen aan. Haar leerlingen hielpen, en vrouwen uit Mukti drukten en bonden de boeken. Clementina Butler, een Amerikaanse zendingsschrijfster, noemde het, vrij vertaald, “de enige Bijbel ter wereld die geheel door vrouwen is gemaakt”.
In 1919 kreeg Ramabai van de Britse regering de Kaisar-i-Hind-medaille voor haar maatschappelijke werk.
EEN HOUTEN KRUIS IN KEDGAON
Ramabai had gehoopt dat Manorama het werk zou overnemen. Manorama had in Amerika gestudeerd, was teruggekomen en stond naast haar moeder in Mukti. Ze stierf in 1921, volgens één bron al in 1920, na zwaar werk voor een zendingsschool.
Ramabai werkte door aan de Bijbel. Op 5 april 1922 stierf ze in Mukti, drieënzestig jaar oud. Volgens Christian History had ze een paar uur eerder de laatste drukproeven van haar vertaling nagekeken.
Amritlal B. Shah noemde haar later de grootste vrouw die het moderne India had voortgebracht. In 1989 gaf de Indiase staat een postzegel met haar beeltenis uit. De Kerk van Engeland gedenkt haar op 30 april.
Ze stierf op het land dat ze ooit kaal, stenig en zonder water had genoemd. Haar graf wordt gemarkeerd door een houten kruis.
Wat vaststaat en wat verteld wordt
Vaststaat (meerdere onafhankelijke bronnen): geboorte op 23 april 1858 in een brahmaanse familie bij Karkal; Sanskrietonderwijs door haar vader; het rondtrekkende leven van het gezin; de dood van haar ouders en zus in een hongersnood in de jaren zeventig; de titels Pandita en Sarasvati in Calcutta in 1878; het huwelijk over de kastegrens met Bipin Behari Medhavi in 1880 en zijn dood aan cholera in 1882; de Arya Mahila Samaj; reis naar Engeland in 1883 en de doop in Wantage in september 1883; doofheid als reden dat ze geen arts kon worden; Cheltenham; Amerika van 1886 tot 1888; Sharada Sadan in 1889 en het verlies van hindoeïstische steun na bekeringen; de opvang van hongerslachtoffers en de Mukti Mission in Kedgaon; het begin van de opwekking in 1905; de Bijbelvertaling uit Hebreeuws en Grieks; de Kaisar-i-Hind-medaille in 1919; haar dood in Mukti op 5 april 1922.
Alleen uit eigen getuigenis of latere overlevering: de achttienduizend verzen; de rol van Johannes 4 bij haar bekering; de ervaring van 1891 na het lezen van Haslam; het vuur dat een meisje op 29 juni 1905 zou hebben gezien, de duizend biddende vrouwen op 30 juni en de spraak in onbekende talen (verslagen van de zending en bezoekers); de vermomming als sannyasini in 1895 en de reis van Manorama naar Australië (elk één bron).
Onbevestigd: het exacte jaar van de hongersnood waarin haar ouders stierven (1874, 1876 of 1876-1878); het jaar van Manorama’s dood (1920 of 1921); begin- en eindjaar van de Bijbelvertaling; alle aantallen bewoners en geredde kinderen, die uit de zending zelf komen.
Duiding: of Ramabai kinderen redde of kwetsbare kinderen bekeerde, is in India tot vandaag omstreden. Beide kanten van die discussie zijn in de bronnen te vinden.
Bronnen bij dit hoofdstuk
- Christian History Institute, “Jesus Was Her Guru”
- Robert Eric Frykenberg, “Setting the Captives Free”, Christian History 94
- Christian History Institute, “Holy Spirit fire changed Ramabai’s community of women” (30 juni)
- Philip Malayil, Dictionary of Christian Biography in Asia, “Dongre Medhavi Ramabai”
- Open University, Making Britain, “Pandita Ramabai”
- Amardeep Singh, Literature of Colonial South Asia (Lehigh University), “Pandita Ramabai, author profile”
- Sonia Hazard, “Pandita Ramabai: Student, Seeker, and Visionary Leader”, FOCUS (HURIGHTS Osaka), 2009
- Edith Blumhofer, Christianity Today, 2005
- Assemblies of God News, “This Week in AG History, April 1, 1916”
- Revival Library, “1905 The Mukti Revival”
- Boston University School of Theology Library, “Holy Bible in Marathi”
- Anu Kumar, Janata Weekly (via Scroll.in), 2022
- Swarajya, “Is Christian conversion missions in India social reform? The case of Pandita Ramabai” (opinieartikel)
- Episcopal Church, Standing Commission on Liturgy and Music, “Pandita Ramabai”
- Dallas Baptist University, “Meeting Christ in the Gospel of Luke: The Story of Pandita Ramabai”
- Yale Divinity Library, finding aid Pandita Ramabai Papers
- BiblicalTraining, “Pandita Ramabai”
- Wikipedia, “Pandita Ramabai” (startpunt)
- Wikipedia, “Bible translations into Marathi” (startpunt)