Uit allevolken

Deel 1 · Uit alle volken · Hoofdstuk 1

Kiai Sadrach

de Javaan die naast de zendeling ging zitten

ca. 1835-1924Karangjasa, Java

Het is een foto van twee mannen op twee stoelen. De ene is een Nederlandse zendeling, Jakob Wilhelm. De andere is een Javaanse christelijke leraar uit het dorp Karangjasa, in het zuiden van Midden-Java. Zijn naam is Sadrach. De stoelen zijn even hoog. Ze zitten naast elkaar.

Rond 1885 verscheen die foto in een Nederlands zendingsblad. Wilhelm had Sadrach zelf gevraagd op een stoel van dezelfde hoogte plaats te nemen. Onder Europese zendelingen ontstond er opschudding over. Een zendeling die een Javaan als zijn gelijke liet zien: dat ging velen te ver.

Die stoel vertelt het verhaal van Sadrach in het klein. Hij was een Javaan die christen werd en Javaan bleef. Volgens de Indonesische theoloog Sutarman Partonadi, wiens proefschrift over hem in 1990 als boek verscheen, bracht hij duizenden Javanen bij het christelijk geloof. Dat waren er meer dan de Nederlandse zending in vijftig jaar had bekeerd. En juist hij werd door diezelfde zending een ketter genoemd.

Het begon bij een arme jongen die Radin heette.

EEN JONGEN ZONDER ACHTERNAAM

Hij werd rond 1835 geboren in een dorp bij Demak, aan de noordkust van Midden-Java. Zijn ouders waren arme boeren. Over het precieze jaar zijn de bronnen het niet eens: 1835 wordt het vaakst genoemd, ook 1837 en 1840 komen voor. Hij heette Radin, één naam, zoals veel Javanen.

Java was in die jaren een kolonie van Nederland. Het gezag lag bij de gouverneur-generaal in Batavia, het huidige Jakarta, en zijn residenten en assistent-residenten in de gewesten. De meeste Javanen waren moslim. Hun islam was vermengd met oudere Javaanse tradities van mystiek en innerlijke kennis, wat Javanen ngelmu noemen. Een kiai was een islamitische leraar met gezag, iemand die leerlingen om zich heen verzamelde.

Radin trok als jongeman langs verschillende pesantren, islamitische kostscholen, in Oost-Java. Een van de bronnen, die steunt op het werk van de Franse historicus Claude Guillot, zet hem tussen 1851 en 1858 in Jombang. Daarna ging hij terug naar Semarang, de grote havenstad. Hij woonde in de Kauman, de wijk rond de grote moskee, en voegde de naam Abas aan de zijne toe. Radin Abas: zo liet hij zien dat hij een serieuze moslim was.

EEN CHRISTELIJK DORP IN OOST-JAVA

Ergens in die jaren kwam Radin Abas in Mojowarno. Dat was een dorp in Oost-Java dat door Javaanse christenen was gebouwd. Wanneer hij er precies was en wat hij er zag, vertellen de bronnen die ik heb kunnen lezen niet.

Belangrijker was een andere ontmoeting. Kiai Ibrahim Tunggul Wulung was een Javaanse christelijke leraar op de hellingen van de Muria, een berg ten noorden van Demak. Hij had daar zelf christelijke dorpen gesticht, met Bondo als middelpunt. Tunggul Wulung was geen zendeling uit Europa. Hij was een Javaan die op Javaanse wijze over Jezus sprak. Volgens de bronnen was het deze man die Radin Abas overtuigde.

Wat bewoog een jonge moslimleraar om christen te worden? We weten het niet uit zijn eigen mond. Sadrach heeft, voor zover bekend, geen geschriften nagelaten die zijn bekering beschrijven. Een Indonesische blogger noemt wel een handgeschreven boek van zo’n tweehonderd bladzijden dat bij zijn nazaten in Karangjasa zou liggen. Ik heb niemand gevonden die het onderzocht heeft.

DOOP IN BATAVIA

Radin Abas ging naar Batavia. Daar werkte hij als assistent van Frederik Lodewijk Anthing, een Nederlandse jurist en oud-ambtenaar die als leek het evangelie verkondigde onder Javanen. Op 14 april 1867 werd Radin Abas in Batavia gedoopt. Hij koos de naam Sadrach.

Het is een naam uit het boek Daniël. Sadrach was een van de drie jonge Joden aan het hof van Babel die een Babylonische naam kregen en hun God trouw bleven. Waarom Radin Abas juist deze naam koos, staat in geen enkele bron die ik las. Ik laat het daarom bij de vaststelling dat hij hem droeg.

Na zijn doop ging hij terug naar Tunggul Wulung en werd voorganger van de gemeente in Bondo. Hij bleef er niet lang. Een historicus noemt een tweede huwelijk van Tunggul Wulung als mogelijke oorzaak.

MEVROUW PHILIPS IN TUKSONGO

In 1869 stuurde Anthing hem naar het zuiden. In Tuksongo, bij Purworejo in de residentie Bagelen, woonde Christina Philips-Stevens. Zij was een Indo-Europese vrouw, van gemengd Nederlandse en Javaanse afkomst, die op eigen houtje het evangelie verkondigde aan de Javanen om haar heen. Ze leerde hun de basis van de Bijbel, de Tien Geboden, de Twaalf Artikelen van het geloof en het Onze Vader.

Sadrach werd haar leerling en al snel haar helper. Samen trokken ze vanaf ongeveer 1870 langs de dorpen. Volgens de Nederlandse onderzoeker Max Rooyackers verdubbelde de groep christenen bij haar in ongeveer een jaar tijd. In 1871 stonden er vijfenzestig Javanen ingeschreven.

Rond die tijd vestigde Sadrach zich in Karangjasa, ongeveer vijfentwintig kilometer ten zuiden van Purworejo. Over het jaar verschillen de bronnen: 1870 of 1871.

Een Indo-Europese vrouw zonder kerkelijke wijding en een bekeerde Javaanse moslim stonden samen aan het begin van een beweging.

EEN KERK DIE EEN MOSKEE HEETTE

In 1871 bouwde de gemeenschap in Karangjasa een kerk. Het gebouw had de vorm van een Javaanse moskee, en zo werd het ook genoemd. Een student van de Universitas Gadjah Mada beschrijft het als heel eenvoudig, met een dak van riet, wanden van bamboe en een vloer van aarde. Volgens dezelfde bron werd de gemeente bijeengeroepen met een kentongan, een holle houten of bamboe trom uit de Javaanse dorpen, in plaats van met een klok. De voorganger heette imam.

De groei was groot. Tussen 1870 en 1873 werden er naar schatting ongeveer tweeënhalfduizend Javanen gedoopt. Er ontstonden gemeenten in Karangjasa, Banjur, Karangpucung, Kedungpring en Karangjambu.

Hoe deed hij dat? Sadrach werkte zoals een kiai werkte. Hij ging het openbare gesprek aan met andere leraren, soms dagenlang. De afspraak was dat wie verloor, leerling van de winnaar werd. Verloor Sadrach, dan zou hij terugkeren naar zijn vroegere leer. Rooyackers noemt vier rondtrekkende leraren die hij zo in debat versloeg. De eerste die zich liet dopen, was een Kiai Ibrahim; daarna volgde een Kiai Kasanmetaram.

In 1876 overleed Christina Philips-Stevens. Ze was al jaren ziek geweest. Vanaf dat moment stond Sadrach er alleen voor. Rond die tijd trouwde hij en nam hij de naam Surapranata aan. Een bron van de Nieuw-Apostolische Kerk zegt dat Javanen hem pas vanaf 1899 zo noemden.

POKKEN, EN DRIE WEKEN IN DE CEL

Toen kwam de Nederlandse zending.

In 1882 arriveerde een zendeling in Purworejo, Bieger. Hij kwam namens de zending en werd geacht leiding te geven aan de Javaanse christenen in de streek. Die christenen hadden al een leider. Er volgde openlijk conflict.

Datzelfde jaar werd Sadrach gearresteerd. De beschuldiging was dat hij de vaccinatie tegen pokken tegenwerkte, een campagne van het koloniale bestuur. Volgens de Indonesische theoloog Emanuel Gerrit Singgih kwam de beschuldiging van het hoofd van het plaatselijk bestuur, W. Ligtvoet. Een Indonesische journalist schrijft dat de zendelingen erachter zaten. Wie gelijk heeft, kan ik niet vaststellen. Ook over Sadrachs eigen houding zijn de bronnen kort. Singgih schrijft dat hij bijbelse bezwaren tegen het vaccineren had.

Vast staat wat er gebeurde. Sadrach zat drie weken in de gevangenis van Kutoarjo. Daarna kreeg hij drie maanden huisarrest. Dat huisarrest moest hij doorbrengen in het huis van Bieger, de zendeling met wie hij in conflict was. Daarna liet de gouverneur-generaal hem vrij, omdat het bewijs niet overtuigde.

Een bron van de Nieuw-Apostolische Kerk vertelt dat zijn volgelingen in die tijd zeiden dat ze hem tot in de dood zouden volgen. Dat verhaal komt uit de kring van de beweging zelf.

Hoe zou jij reageren als je drie maanden moest wonen bij de man die jouw werk wilde overnemen?

“PANDITA MARDIKA”

Na Bieger kwam een andere zendeling, Jakob Wilhelm. Hij koos een andere weg. Wilhelm zag Sadrach als zijn gelijke en werkte met hem samen. Hij leidde de gemeente in Karangjasa met steun van Sadrach, niet tegen hem in.

Uit die jaren stamt de naam die de gemeenschap zichzelf gaf: golongane wong Kristen kang mardika, de groep van vrije christenen. Wilhelm noemde zichzelf pandita mardika, vrije predikant. Het woord mardika betekent vrij. Singgih leest het als een uitspraak over identiteit: deze christenen wilden niet de christenen van de kolonie zijn. Een andere bron schrijft dat ze de predikanten van de Indische Kerk, de protestantse staatskerk, niet erkenden, omdat die door het koloniale bestuur betaald werden.

En toen, rond 1885, ging Sadrach op die stoel zitten.

Ik moet hier eerlijk zijn over wat ik niet weet. Wat Wilhelm en Sadrach in die jaren samen preekten, hoe hun diensten klonken, wat Sadrach zijn mensen precies leerde: daarover heb ik alleen samenvattingen van historici gelezen. Partonadi zelf, het proefschrift dat het meest over hem weet, heb ik niet kunnen openen.

EEN VRAAG OM BROOD EN WIJN

Een spanning bleef. In de protestantse kerken mochten alleen gewijde predikanten dopen en het avondmaal bedienen, de maaltijd van brood en wijn waarin christenen de dood van Jezus gedenken. Sadrach was nooit gewijd. Volgens de bronnen vroeg hij herhaaldelijk of zijn gemeenten de sacramenten mochten ontvangen van hun eigen voorgangers. Dat werd steeds geweigerd. Het Nederlandsch Zendelinggenootschap heeft hem nooit tot predikant gewijd.

Voor de zending was dit een vraag van orde en zuivere leer. Voor de Javaanse christenen in Bagelen was het een vraag of ze volwaardig mochten meedoen. Europese zendelingen vonden ook dat er in Sadrachs gemeenten te veel Javaans en te weinig christelijks was. Het woord dat vaak viel, was syncretisme: een mengeling van godsdiensten.

Was dat oordeel terecht? Daar zijn historici het niet over eens. Singgih noemt Sadrach een pionier van wat hij de dialoog van het leven met je naaste noemt. Hij verwijt de zendelingen dat ze het Javaanse in hem niet konden zien zonder het verdacht te vinden.

DECEMBER 1891, PURWOREJO

In 1890 of 1891 reisde dominee Frans Lion Cachet naar Java. Hij was een Nederlandse predikant en kwam als afgevaardigde van de synode om het zendingswerk te bekijken. Een van zijn opdrachten was Sadrach te onderzoeken.

In december 1891 sprak hij zich in Purworejo uit. Volgens Guillot zei hij de zendelingen dat ze zich van Sadrach moesten scheiden, omdat Sadrach hun werk zou vergiftigen. Er werd een besluit opgesteld dat Sadrach een ketterse leraar was. Wilhelm zette er zijn handtekening onder. De Indonesische historicus Tedi Kholiludin schrijft dat hij dat met tegenzin deed, en dat het besluit in wezen dat van Lion Cachet was.

Op 3 maart 1892 overleed Wilhelm.

Lion Cachet schreef over zijn reis een dik boek, Een jaar op reis in dienst der zending, dat in 1896 verscheen. Het staat in de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren. In het hoofdstuk over het dorp Gintoeng noemt hij Karangjasa en spreekt hij met aanhalingstekens over “den ‘Goesti’ dáár”. Goesti is een Javaanse titel voor een heer of vorst. Ik lees het als een spottende verwijzing naar Sadrach, maar dat is mijn lezing.

Ik vind dit een moeilijk hoofdstuk om te schrijven. Lion Cachet reisde een jaar lang in dienst van de zending. Hij zal hebben gemeend dat hij de kerk beschermde. En hij oordeelde over een Javaanse broeder na een bezoek, in een taal en cultuur die niet de zijne waren. Beide dingen zijn waar.

KIEZEN IN 1893

In 1893 moesten de christenen in Bagelen kiezen: Sadrach of de zending. Volgens een bron van de Universitas Gadjah Mada waren er toen 6.374 leden. Ongeveer honderdvijftig van hen gingen met de Europese zendelingen mee. De rest bleef bij Sadrach.

Het waren niet de enige getallen die over hem rondgingen. Partonadi noemt op één moment 7.552 volgelingen, tegenover hooguit tweeduizend bekeerlingen van de zending in vijftig jaar. Guillot geeft voor 1898 meer dan zevenduizend. Een kerkelijke bron noemt vijfduizend of vijftienduizend. Bij zijn dood zouden het er twintigduizend zijn geweest. Al die getallen komen uit verschillende tellingen en verschillende jaren, en ze zijn niet te controleren. Ze laten in elk geval zien dat het om duizenden ging.

APOSTEL VOOR JAVA

Sadrach had een gemeenschap, maar geen kerk die zijn voorgangers erkende. Hij vond er een in een onverwachte hoek.

In Magelang, niet ver van Purworejo, kwam een Apostolische gemeente bijeen onder leiding van Liem Cu Kiem. De Apostolische beweging was in de negentiende eeuw in Europa ontstaan. Ze geloofde dat God opnieuw apostelen aan de kerk gaf, zoals in het Nieuwe Testament. Haar werk in Nederlands-Indië was rond 1880 begonnen. Anthing, de man bij wie Sadrach ooit assistent was, had zich er volgens de Nieuw-Apostolische Kerk zelf bij aangesloten en was in 1881 als apostel naar Java gekomen. Hij stierf twee jaar later.

Sadrach bezocht diensten in Magelang. In 1899 werd hij in Batavia door de apostel G.J. Hannibals tot apostel gewijd. Zijn volgelingen noemden hem voortaan de apostel voor Java.

Of hij de leer van die kerk helemaal deelde, of vooral de ruimte zocht die hij elders niet kreeg, is een vraag die de bronnen die ik las niet beantwoorden. De Nieuw-Apostolische Kerk rekent hem nog altijd tot haar geschiedenis.

EEN GRAF ONDER DRIE DAKEN

Sadrach werd oud. Volgens een bron van de Nieuw-Apostolische Kerk trok hij zich mogelijk in december 1922 terug, maar ging hij volgens anderen tot kort voor zijn dood voor in de diensten.

Hij stierf in november 1924 in zijn huis in Karangjasa, naast de kerk die een moskee heette. Hij was ongeveer negenentachtig. De meeste bronnen noemen 14 november; één bron noemt de nacht van 14 op 15 november, de Nieuw-Apostolische Kerk 19 november. Bij de begrafenis waren volgens de Engelse Wikipedia familie en de regenten van Kutoarjo en Kulon Progo aanwezig, Javaanse bestuurders. Hij werd begraven in Karangjasa, onder een graf met een drievoudig overdekt dak, een cungkup, zoals Javanen dat bouwen voor iemand die ze eren.

Zijn aangenomen zoon Yotham volgde hem op. Hij had niet de uitstraling van zijn vader, schrijft een Indonesische journalist. In 1933 sloot een groot deel van de gemeenschap zich weer aan bij de zending. Partonadi spreekt dan van tien- tot twintigduizend leden.

OP DEZELFDE HOOGTE

Singgih noemt het leven van Sadrach een tragisch verhaal. Ik begrijp waarom. Een man die duizenden Javanen bij Christus bracht, werd door de kerk van zijn dopers een ketter genoemd en moest buiten haar om een plek zoeken.

Ik vind het ook een verhaal over geduld. Sadrach had de gevangenis achter de rug, het huisarrest bij zijn tegenstander, het oordeel uit Purworejo en de breuk. Hij bleef ruim vijftig jaar in hetzelfde dorp wonen, bij dezelfde mensen.

Misschien ken je het gevoel dat anderen bepalen of jouw geloof wel echt is. Sadrach heeft daar geen boek over geschreven. Hij heeft er geen klaagschrift over nagelaten. We hebben een foto.

Twee mannen, twee stoelen. Even hoog.

Dossier

Wat vaststaat en wat verteld wordt

Vaststaat (meerdere onafhankelijke bronnen): geboorte rond 1835 bij Demak; islamitische scholing in pesantren en de naam Radin Abas; invloed van Kiai Ibrahim Tunggul Wulung; werk bij F.L. Anthing en doop in Batavia op 14 april 1867; samenwerking met Christina Philips-Stevens vanaf 1869 en haar overlijden in 1876; vestiging in Karangjasa rond 1870-1871; snelle groei en openbare debatten; komst van Bieger en arrestatie in 1882 (drie weken cel in Kutoarjo, daarna huisarrest, vrijlating wegens gebrek aan bewijs); samenwerking met Jakob Wilhelm en de naam “vrije christenen”; de foto op gelijke stoelen; het oordeel van Lion Cachet (december 1891) en de breuk met de zending; wijding tot apostel in 1899 door G.J. Hannibals; overlijden in november 1924; opvolging door Yotham.

Alleen uit eigen getuigenis of latere overlevering: de uitspraak van zijn volgelingen dat ze hem tot in de dood zouden volgen (Nieuw-Apostolische Kerk); de namen van de eerste kiai’s die zich lieten dopen; details van de kerkgebruiken (kentongan, imam), die uit één studentenbron komen; het handgeschreven boek bij zijn nazaten; de aanwezigheid van regenten bij zijn begrafenis.

Onbevestigd: het precieze geboortejaar (1835, 1837 of 1840); het jaar van vestiging in Karangjasa; de sterfdatum (14, 15 of 19 november 1924); alle aantallen volgelingen, die uiteenlopen van vijfduizend tot twintigduizend; wie achter de arrestatie van 1882 zat; de reden van zijn vertrek uit Bondo; of Lion Cachet met “den ‘Goesti’” Sadrach bedoelde.

Duiding: of Sadrachs gemeenten syncretistisch waren of een eerlijke Javaanse vorm van christelijk geloof, is tot vandaag een discussie onder historici en theologen. Een eerste bron voor verder onderzoek is het proefschrift van Sutarman Partonadi en de krantenarchieven van Delpher.

Bronnen bij dit hoofdstuk

  1. E.G. Singgih, “A Postcolonial Biography of Sadrach: the Tragic Story of an Indigenous Missionary”, Al-Jami’ah 53/2 (2015), samenvatting
  2. E.G. Singgih, idem, volledige tekst (pdf)
  3. T. Kholiludin, “History and Dynamics of Javanese Christianity in Tegal, Central Java, 1862-1942”, Indonesian Journal of Theology 12/1 (2024)
  4. M. Rooyackers, “Indo-European Women and Evangelism in Central Java during the 19th Century”, Universitas Sanata Dharma (2023)
  5. F. Lion Cachet, Een jaar op reis in dienst der zending (1896), DBNL
  6. Tony Firman, “Pribumisasi Kristen dan Warisan Kiai Sadrach”, Tirto.id
  7. Ronald Adam, “Teologi Kontekstual Kristen Menentang Penjajahan di Jawa”, CRCS UGM, 27 juni 2020
  8. “Kiai Sadrach, Tokoh Kristen Jawa Abad ke-19”, Gangkecil.com (steunt op Guillot)
  9. Katrin Löwen, “Sadrach”, nac.today, 5 december 2022
  10. Wikipedia, “Kyai Sadrach”
  11. Wikipedia, “Frans Lion Cachet”
  12. Catalogusgegevens S.S. Partonadi, Sadrach’s Community and Its Contextual Roots (Rodopi, 1990)
Liever het hele boek?PDF downloadenE-book (EPUB)Over dit deel