Begin 1939 stond Ju Ki-cheol weer op de kansel van de Sanjeonghyeon-kerk in Pyongyang. Hij kwam net uit de cel. Hij had er maanden gezeten. De Japanse politie hield hem scherp in het oog.
Hij preekte die dag geen gewone preek. Hij las een lijst voor van vijf dingen waar hij om bad. Een ervan is bewaard gebleven in de Koreaanse bronnen. Hij vroeg God of Hij hem de macht van de dood wilde laten overwinnen. Vrij vertaald: “Geef dat ik de macht van de dood overwin.”
Ju Ki-cheol, in het Engels vaak gespeld als Joo Ki-chul, was presbyteriaans predikant. Hij weigerde te buigen bij de Japanse shintoaltaren. Daarvoor werd hij keer op keer opgepakt. Hij zat in totaal ruim vijf jaar vast, en in april 1944 stierf hij in de gevangenis van Pyongyang. Vandaag noemen Koreaanse christenen hem een martelaar. De Zuid-Koreaanse regering eert hem als vrijheidsstrijder.
Maar het begon in een dorp aan de zuidkust.
EEN LAND DAT NIET MEER VAN ZICHZELF WAS
Ju Ki-cheol werd geboren op 25 november 1897 in Ungcheon, in het district Changwon, in het zuidoosten van Korea. Ungcheon hoort nu bij de stad Changwon. Zijn kindernaam was Ju Gi-bok. Zijn vader heette Ju Hyeon-seong, zijn moeder Jo Jae-seon. Zij was de tweede vrouw van zijn vader, die uit zijn eerste huwelijk al kinderen had. Over de vraag de hoeveelste zoon Ki-cheol was, verschillen de bronnen. De familie was niet arm. Volgens de Koreaanse encyclopedie waren het boeren uit de middenklasse, met knechten in dienst.
Om dit leven te volgen, moet je iets weten van het Korea van toen. Eeuwenlang was het een koninkrijk geweest, met het confucianisme als grondslag van staat en gezin. Het boeddhisme en de oude volksgodsdienst leefden ernaast. Rond 1900 groeide de macht van Japan. In 1910 werd Korea ingelijfd bij het Japanse keizerrijk. De Koreanen verloren hun eigen regering. Japan zou het land besturen tot 1945.
Het christendom was jong in het land en werd vooral gebracht door zendelingen uit het westen. Het sterkst groeide de kerk in het noorden, rond Pyongyang, nu de hoofdstad van Noord-Korea.
In het zuidoosten, waar Ki-cheol opgroeide, werkten vooral Australische presbyterianen. Een herdenkingskalender van de Uniting Church in Australia zegt dat hij het evangelie leerde kennen via die Australische zending. Het is een kerkelijke bron, maar het past bij wat we weten over de streek.
KERSTMIS 1910
Met Kerstmis 1910 ging Ki-cheol voor het eerst naar de kerk van Ungcheon. Hij volgde zijn oudste broer, Ju Gi-won, die er al kwam. Hij was dertien. Datzelfde jaar had Japan het land ingelijfd.
In 1912 kwam de schrijver Yi Gwang-su naar Ungcheon om een lezing te geven. Volgens de Koreaanse encyclopedie gaf die lezing de doorslag: de jongen wilde naar de Osan-school in Jeongju, aan de andere kant van het land, in het noorden.
Van 1913 tot maart 1916 zat hij op de Osan-school. Hij kwam er onder invloed van Yi Seung-hun en Cho Man-sik, twee christenen die zich inzetten voor de toekomst van hun volk. Geloof en liefde voor Korea liepen op die school door elkaar.
In 1916 ging hij handel studeren aan het Chosen Christian College in Seoul, de school die later de Yonsei-universiteit zou worden. Het werd geen succes. Hij kreeg problemen met zijn ogen en zijn gezondheid, en binnen een jaar was hij weer thuis. Een jonge man met plannen, terug in zijn dorp.
In oktober 1917 trouwde hij met An Gap-su, een vrouw uit een welgestelde familie in Gimhae. Zij had in Seoul gestudeerd aan de Jeongsin-meisjesschool, een christelijke school.
MAART 1919
Op 1 maart 1919 begon in Korea een landelijke beweging voor onafhankelijkheid. Overal kwamen mensen in verzet tegen het Japanse bestuur. Volgens Michael Breen in de Korea Times werden er daarna 9.458 mensen gevangengezet, van wie ruim een vijfde christen was.
Ki-cheol deed mee. Volgens het Zuid-Koreaanse ministerie voor Veteranen was hij voorzitter van een jongerenvereniging in zijn streek. Meer weten we niet over zijn rol. Hij was eenentwintig en had zijn keuze al gemaakt voor zijn land. De keuze voor zijn leven moest nog komen.
DE OPWEKKINGSPREDIKER UIT MASAN
In september 1920 hield Kim Ik-du opwekkingsdiensten in de Munchang-kerk in Masan, een havenstad niet ver van Ungcheon. Kim stond bekend om zijn gave van genezing, schrijft historicus Kim Kang-sik. In die diensten beleefde Ki-cheol wat de Koreaanse encyclopedie een ervaring van wedergeboorte noemt.
Op 1 november 1920 gaf Kim Ik-du een Bijbelklas in de kerk van Ungcheon, Ki-cheols eigen kerk. Daar besloot hij predikant te worden.
Er gaat een verhaal rond dat zijn ogen genazen tijdens het gebed van Kim Ik-du. De Engelse Wikipedia brengt het voorzichtig, met het woord “naar verluidt”. De uitgebreide Koreaanse encyclopedie zwijgt erover. Ik kan het niet bevestigen.
Wat maakt dat iemand van richting verandert? Bij Ki-cheol was het geen nieuw land of een nieuwe baan. Het was een prediker in een zaal vol mensen, en daarna een Bijbelklas in zijn eigen dorpskerk. Ken jij zo’n moment, waarop je wist dat het niet bij luisteren kon blijven?
VAN PYONGYANG NAAR BUSAN
In december 1921 gaf de classis van Zuid-Gyeongsang hem toestemming om te studeren. Een classis is in een presbyteriaanse kerk de regionale vergadering van predikanten en ouderlingen. In maart 1922 begon hij aan het presbyteriaanse seminarie in Pyongyang, de opleiding voor bijna alle presbyteriaanse predikanten van Korea. Vanaf 1923 werkte hij ernaast als hulpprediker in Yangsan.
Op 22 december 1925 studeerde hij af. Op 30 december werd hij bevestigd tot predikant. Op 10 januari 1926 begon hij in de Choryang-kerk in Busan, toen Pusan genoemd. Het was de eerste kerk die in die stad was gesticht.
Hij was predikant en leraar tegelijk. Aan het Bijbelinstituut van de provincie gaf hij les aan jonge mannen die zelf voorganger wilden worden. Een van hen was Son Yang-won, die later zelf om zijn geloof gevangen zou zitten. Een Australische kerkelijke bron zegt dat Ju zijn oud-leerling in de gevangenis tot steun was.
Volgens een artikel van historicus Kim Kang-sik in de Busan Ilbo diende Ju in 1929 in de classis een voorstel in tegen de shintoverering. Dat zou al vroeg zijn. Andere bronnen spreken van protesten in zijn provincie in 1931. Hoe het precies zat, laat ik open. Vast staat dat hij het onderwerp al jaren voor zijn arrestatie op tafel legde.
MASAN EN EEN LEEG HUIS
In juli 1931 werd hij predikant van de Munchang-kerk in Masan, de kerk waar hij in 1920 tot inkeer was gekomen. In 1932 en 1933 kozen de predikanten van zijn provincie hem tot voorzitter van de classis. Vanaf 1933 werd hij ook gevraagd als spreker op de opwekkingsdiensten van het seminarie in Pyongyang. Zijn naam werd bekend in het hele land.
In mei 1933 stierf zijn vrouw An Gap-su na een ziekte. Ze was vierendertig. De bronnen vertellen weinig over hoe hij dat verlies droeg. Ik laat het daarom bij dat ene feit.
In 1935 trouwde hij opnieuw, met Oh Jeong-mo, een diaken uit de kerk in Masan. Zij zou in de jaren daarna minstens zo vastberaden blijken als hij.
EEN BUIGING BIJ HET ALTAAR VAN DE KEIZER
Wat wilde Japan eigenlijk van de Koreaanse christenen?
Shinto is de oude godsdienst van Japan, met heiligdommen voor goden, voorouders en de keizer. Japan bouwde in Korea een groot shintoheiligdom in Seoul en daarna, volgens Breen, nog ruim elfhonderd andere door het hele land. Scholieren en burgers moesten daar buigen. De regering zei dat het een daad van vaderlandsliefde was, geen godsdienst. Veel christenen zagen het anders. Voor hen was de buiging een eerbetoon aan andere goden.
Eerst gold de plicht vooral voor scholen. Christelijke scholen die weigerden, konden worden gesloten. In 1936 besloten presbyteriaanse zendelingen in Pyongyang hun scholen liever te sluiten dan toe te geven. In 1938 breidde Japan de plicht uit naar alle christenen. De methodisten en de rooms-katholieke kerk legden zich bij de uitleg van de regering neer. Ze aanvaardden dat het om een burgerlijke plechtigheid ging. Onder de presbyterianen was het verzet het sterkst, maar ook daar gaven de regionale vergaderingen een voor een toe.
In juli 1936 werd Ju Ki-cheol predikant van de Sanjeonghyeon-kerk in Pyongyang. Sommige bronnen noemen 1937. De Korea Times noemt die gemeente een van de geboorteplaatsen van de presbyteriaanse kerk in Korea. Hij kwam precies aan in de jaren waarin de druk het grootst werd.
BEREID OM TE STERVEN
In 1938 werd hij voor het eerst gearresteerd. Britannica noemt februari, de Koreaanse encyclopedie het voorjaar. Na zijn vrijlating bleef hij weigeren.
Datzelfde jaar hield hij de preek waarmee hij het bekendst werd. In het Koreaans heet die Ilsa gakoh, wat zoiets betekent als: bereid zijn om te sterven. Volgens de Korea Times zei hij er openlijk in dat de landelijke kerk niet had mogen toegeven aan de Japanse druk. Britannica wijst erop dat zijn motief geloof was, geen vaderlandsliefde.
In september 1938 kwam de Algemene Synode van de presbyteriaanse kerk bijeen, de hoogste vergadering van het kerkgenootschap. De synode nam een besluit aan dat het bezoek aan de shintoheiligdommen goedkeurde. Volgens Breen stond de politie bij de deuren en kregen critici geen kans om te spreken. Ju zat op dat moment weer vast. Volgens de bronnen die Wikipedia aanhaalt, was dat juist om hem bij de synode weg te houden.
Dat jaar werd ook het presbyteriaanse seminarie in Pyongyang gesloten, de school waar hij zelf was opgeleid.
Ik schrijf dit niet om de mannen op die synode te veroordelen. Ze stonden voor de keuze tussen hun kerken, scholen en gemeenteleden, en hun geweten. Sommigen dachten dat toegeven de kerk en haar scholen zou redden. Ik noem het om te laten zien hoe alleen Ju op dat moment stond.
VIJF GEBEDEN
Op 29 januari 1939 kwam hij vrij uit het politiebureau in Daegu. Kort daarna stond hij op de kansel in Pyongyang, en hield hij de preek waarmee dit hoofdstuk begon. Wikipedia zegt dat het om een verlof van drie dagen ging, de Koreaanse encyclopedie spreekt van vrijlating. De preek zelf staat vast. Hij is later in het Engels uitgegeven onder de titel My Five Fold Prayer.
Daarna ging het snel. In oktober 1939 besloot de classis van Pyongyang, onder druk van de politie, dat predikanten en ouderlingen die de buiging weigerden, niet meer mochten preken of voorgaan in gebed. Ju preekte toch. Halverwege oktober werd hij opnieuw opgepakt. Op 20 april 1940 kwam hij vrij.
Het was de laatste keer. In 1940 werd hij nog eenmaal gearresteerd, volgens de meeste bronnen in juli, volgens de Koreaanse encyclopedie op 20 september, bij een landelijke actie tegen alle weigeraars. De beschuldiging luidde majesteitsschennis en overtreding van de wet op de openbare orde.
Onder Japanse druk zette de classis van Pyongyang hem af als predikant. Zijn gezin moest de pastorie uit. Wanneer de Sanjeonghyeon-kerk precies dicht ging, is niet helemaal duidelijk. Een Koreaanse bron noemt 1940, Britannica zegt na zijn dood.
EEN VROUW DIE BLEEF
Terwijl haar man vastzat, bleef Oh Jeong-mo niet stil. De Koreaanse encyclopedie wijdt een apart artikel aan haar. Ze werd meer dan tien keer opgepakt. Toen de kerk dicht was, bracht ze de gemeenteleden bij elkaar. Ze moedigde haar man aan om tot het einde vol te houden.
Ook een Amerikaanse zendeling, Charles F. Bernheisel, hielp volgens de encyclopedie met de avonddiensten zolang Ju in de cel zat. Het is een klein detail. Het laat zien dat de lijn tussen Koreaanse en westerse christenen in die jaren niet altijd scherp liep. Er waren zendelingen die vertrokken, er waren zendelingen die bleven, en er waren Koreanen die toegaven en Koreanen die weigerden.
Ju zelf zat in de gevangenis van Pyongyang, zonder ooit veroordeeld te zijn. Wie de bronnen leest, weet dat hij er zwaar heeft geleden. Ik ga daar niet in detail op in. Het is genoeg om te weten dat hij er vier jaar bleef, en dat zijn lichaam het niet volhield.
Hoe lang kun je bij een besluit blijven als niemand van buiten je ziet? Voor Ju was het antwoord kennelijk: zo lang als het nodig was.
NEGEN UUR 'S AVONDS
Op 13 april 1944 werd hij overgebracht naar de ziekenafdeling van de gevangenis. Acht dagen later, op 21 april, kwam Oh Jeong-mo hem bezoeken. Het was de laatste keer dat ze elkaar zagen. Diezelfde avond, rond negen uur, stierf hij. Hij was zesenveertig.
Er zijn woorden overgeleverd die hij aan het eind zou hebben gesproken. Wikipedia geeft ze, op gezag van een Koreaans boek uit 2002. Vrij vertaald: “God van mijn ziel, houd mij vast.” Ik heb er geen tweede bron voor gevonden. Het is een overlevering, en ik breng het als zodanig.
Hij werd begraven op een openbare begraafplaats in Pyongyang. Ruim een jaar later, in augustus 1945, gaf Japan zich over en werd Korea bevrijd. Christenen die nog vastzaten, kwamen vrij. Hij was er niet meer bij.
Oh Jeong-mo overleed op 28 januari 1947 aan borstkanker.
EEN GRAF DAT LEEG IS
Korea werd na de bevrijding in tweeën gedeeld. Pyongyang kwam in het communistische noorden te liggen, waar Zuid-Koreanen niet kunnen komen.
In het zuiden werd hij wel herdacht. In 1968 kwam er een gedenkteken voor hem op de Nationale Begraafplaats in Seoul, zonder lichaam erin. De regering kende hem een hoge onderscheiding toe voor zijn strijd voor de onafhankelijkheid. Over het jaar lopen de bronnen uiteen: 1963 of 1990. In 2007, honderdtien jaar na zijn geboorte, noemde het ministerie voor Veteranen hem vrijheidsstrijder van de maand. In Changwon, zijn geboortestreek, staat een gedenkcentrum.
Ik vind het opvallend dat hij door zijn regering als patriot wordt geëerd en door zijn kerk als martelaar. Die twee horen in zijn leven bij elkaar, maar ze zijn niet hetzelfde. Britannica wijst erop dat zijn verzet uit geloof voortkwam. Hij wilde geen andere god eren.
In Seoul staat een gedenkteken zonder graf eronder. Zijn graf ligt in een stad aan de andere kant van een gesloten grens. Wat van hem overbleef om te lezen, is die preek uit 1939, van een man die net uit de cel kwam, de kansel op ging en God vroeg om de macht van de dood te mogen overwinnen.
Wat vaststaat en wat verteld wordt
Vaststaat (meerdere onafhankelijke bronnen): geboorte op 25 november 1897 in Ungcheon (Changwon); kerkgang vanaf 1910; Osan-school tot 1916; korte studie in Seoul, afgebroken door ziekte; huwelijk met An Gap-su (1917) en haar overlijden (1933); deelname aan de Beweging van 1 maart 1919; opwekkingsdiensten van Kim Ik-du in 1920 als keerpunt; seminarie in Pyongyang en bevestiging (1925/1926); predikantschap in Busan, Masan en Pyongyang; huwelijk met Oh Jeong-mo (1935); weigering van de shintoverering; preek over bereid zijn om te sterven (1938); herhaalde arrestaties vanaf 1938; afzetting door de classis van Pyongyang; ruim vijf jaar gevangenschap zonder veroordeling; overlijden in de gevangenis van Pyongyang op 21 april 1944, na een laatste bezoek van zijn vrouw; postume onderscheidingen in Zuid-Korea.
Alleen uit eigen getuigenis of latere overlevering: zijn laatste woorden (één bron); dat hij het evangelie leerde via de Australische zending (alleen een kerkelijke herdenkingskalender); dat hij zijn oud-leerling Son Yang-won tot steun was.
Onbevestigd: de genezing van zijn ogen bij Kim Ik-du; een voorstel tegen shintoverering al in 1929; de precieze maand van de laatste arrestatie (juli of september 1940); het jaar dat hij naar Pyongyang kwam (1936 of 1937); wanneer de Sanjeonghyeon-kerk werd gesloten; het jaar van de staatsonderscheiding (1963 of 1990); de omstandigheden van de preek van 1939 (vrijlating of kort verlof).
Duiding: de regering eerde hem als vrijheidsstrijder, de kerk als martelaar. De bronnen die het dichtst bij hem staan, wijzen erop dat zijn weigering uit geloof voortkwam.
Bronnen bij dit hoofdstuk
- Encyclopedia of Korean Culture, Kim Seung-tae, “Ju Gi-cheol” (Koreaans)
- Encyclopedia of Korean Culture, Yoon Jeong-ran, “Oh Jeong-mo” (Koreaans)
- Encyclopaedia Britannica, “Chu Ki-Chol”
- The Korea Times, “Pastor Joo Remembered”
- Busan Ilbo, Kim Kang-sik, 2 juli 2003 (Koreaans)
- Academy of Korean Studies, wiki “Ju Gi-cheol” (Koreaans)
- Uniting Church in Australia, “April 21: Joo Ki Chul & Son Yang-won”
- Michael Breen, The Korea Times, 15 februari 2010
- Wikipedia, “Chu Ki-chol” (startpunt)
- Wikipedia, “Shinto in Korea” (startpunt)