Op 17 februari 1927 werd een Chinese student opgenomen in Bloomingdale Hospital, een psychiatrische inrichting in White Plains, ten noorden van New York. Hij was vijfentwintig. Een psychiater had hem onderzocht. De artsen wisten niet goed welke naam ze aan zijn toestand moesten geven. In het dossier staan woorden als paranoïde toestand en paranoïde dementia praecox, de oude term voor wat later schizofrenie ging heten. Het Union Theological Seminary, de theologische opleiding waar hij net was begonnen, betaalde ruim zevenhonderd dollar uit een noodfonds voor zijn verblijf.
Die student had een jaar eerder een doctorstitel in de scheikunde gehaald. Hij heette Song Shangjie. In Amerika noemden ze hem John Sung.
Wie hem toen in White Plains had gezien, zou niet geloofd hebben wat er van hem werd. In de twaalf jaar daarna reisde hij door China en Zuidoost-Azië, tot in Batavia, Soerabaja en Ambon. Historicus Daryl Ireland van Boston University schrijft dat hij in die jaren verder reisde, vaker sprak en meer Chinezen tot geloof bracht dan wie ook. Maar zijn verhaal is ook een van de meest bewerkte verhalen uit de Chinese kerkgeschiedenis. Hijzelf, zijn zendelingvrienden en zijn latere biografen hebben het steeds opnieuw verteld, elk op hun eigen manier. Sinds onderzoekers zijn dossiers en dagboeken hebben gelezen, weten we meer, en soms iets anders.
Het begon in een pastorie in Fujian.
EEN JONGEN UIT HINGHWA
Song Shangjie werd geboren op 27 september 1901 in het dorp Hong Chek, bij de stad Hinghwa in de Chinese kustprovincie Fujian. Die stad heet nu Putian. Hij was het zesde kind en de vierde zoon van Sung Xue Lian, een predikant van de methodistische kerk. Bij zijn geboorte kreeg hij de naam Zhu En.
China werd toen nog door een keizer geregeerd. Westerse zendingsgenootschappen, onder wie de Amerikaanse methodisten, hadden in de kustprovincies kerken en scholen gesticht. De familie Song hoorde bij die kleine christelijke minderheid. Het dialect van Putian werd buiten de streek nauwelijks verstaan. Dat zou hem later nog parten spelen.
In 1909 maakte de jongen in de kerk van zijn vader een opwekking mee die bekend werd als de Pinksteren van Hinghwa. Volgens de Engelse Wikipedia begon het op Goede Vrijdag, met een preek van predikant Lim Hongban. Hij was toen zeven. Het raakte hem, schrijft het Biographical Dictionary of Chinese Christianity, maar wedergeboren was hij nog niet. Volgens het Dictionary of Christian Biography in Asia wilde hij al jong predikant worden, net als zijn vader.
VIJF EN EEN HALF JAAR AMERIKA
In 1920 vertrok hij naar de Verenigde Staten. Hij ging scheikunde studeren aan Ohio Wesleyan University, een methodistische universiteit, en haalde zijn bachelor in drie jaar. Hij raakte er bevriend met Rollin H. Walker, een docent Bijbel. Daarna ging hij naar Ohio State University. In 1924 behaalde hij zijn master, in 1926 zijn doctoraat in de scheikunde.
Het waren indrukwekkende jaren, en hijzelf vertelde er later graag over. Het Biographical Dictionary of Chinese Christianity tekent daarbij aan dat recent onderzoek fouten vond in zijn eigen verslag, onder meer over zijn studieresultaten. De doctorstitel zelf staat vast. Yale Divinity School, dat zijn papieren beheert, noemt het doctoraat van Ohio State uit 1926.
Daarna koos hij voor de theologie. In 1926 schreef hij zich in bij het Union Theological Seminary in New York. Union stond bekend als een vrijzinnige, modernistische opleiding. Dat zou later nog belangrijk worden in de strijd om zijn verhaal.
EEN STEM OP 10 FEBRUARI
Wat er in de winter van 1926 op 1927 in hem gebeurde, kennen we in twee versies.
De eerste is die van Sung zelf. Hij vertelde dat hij op 10 februari 1927 een stem hoorde die zei dat zijn zonden vergeven waren. Later noemde hij die dag zijn geestelijke verjaardag. In zijn eigen woorden, vrij vertaald: “Jezus vond mij in kamer 405 van een atheïstisch seminarie.” Hij vertelde ook dat hij in die weken evangelisatiebijeenkomsten had bezocht.
De tweede versie komt uit de archieven. Daryl Ireland vond in 2010 het studentendossier van Sung bij Union terug. Hij las ook de dagboeken die Sung zijn hele leven bijhield, ongeveer zesduizend bladzijden. Uit die bronnen komt een jonge man naar voren die ernstig ziek was. Hij zag visioenen. Hij sprak over zichzelf als profeet van een nieuw tijdperk. Hij meende geheime boodschappen te lezen in de kruiswoordpuzzels van The New York Times. Ireland beschrijft hem als een begaafde student die leefde met schizofrenie.
Beide verhalen kunnen tegelijk waar zijn. Een mens kan God ontmoeten en tegelijk ziek zijn. Wat vaststaat is dat de leiding van Union zich zorgen maakte. Rollin Walker, zijn oude docent uit Ohio, stuurde een brief van Sung door naar het seminarie. Een week na de tiende februari werd Sung opgenomen.
HONDERDDRIEËNNEGENTIG DAGEN
Hij bleef in Bloomingdale tot 30 augustus 1927. Dat zijn ongeveer zes en een halve maand. In de christelijke overlevering is het getal honderddrieënnegentig dagen blijven hangen, en dat klopt met de data uit het ziekenhuisdossier.
Sung zelf zag die maanden later als een groot misverstand. Hij zei dat hij werd opgesloten omdat hij te vurig geloofde. Een artikel in Christian History uit 2008 vertelt dat hij in de inrichting veertig keer de Bijbel uitlas. Dat getal komt, voor zover ik kan nagaan, uit zijn eigen getuigenis. Niemand anders heeft het geteld.
Over hoe hij vrijkwam, lopen de verhalen uiteen. Volgens het Biographical Dictionary gebeurde het door de inzet van een vriend, Dr. William Walker. Volgens Ireland werd hij ontslagen omdat Union de zorg niet langer kon betalen, en niet omdat hij genezen was. Hij werd meegegeven aan een familie Fowler. Henry Sloane Coffin, de president van Union, weigerde hem terug te laten komen. Sung ging naar huis, en volgens Ireland droeg hij zijn wanen nog met zich mee.
Ik vind dit het moeilijkste deel van zijn verhaal, en ook een van de eerlijkste. Hoe zou jij kijken naar een prediker van wie je weet dat hij een half jaar in een psychiatrische inrichting heeft gezeten? Veel christenen hebben dat stuk van zijn leven liever weggelaten of omgebogen tot een verhaal over vervolging. De bronnen laten iets anders zien: een gebroken man die naar huis ging en daar zijn weg moest vinden.
OVER DE RELING
In het najaar van 1927 voer hij terug naar China. Op die reis gebeurde het verhaal waarmee hij het bekendst is geworden. Zo vertelde hij het later zelf: voordat het schip de Chinese kust bereikte, gooide hij zijn onderscheidingen en diploma’s overboord. Hij hield alleen zijn doctorsbul, om aan zijn ouders te geven. Volgens het ene verslag was die voor zijn vader, volgens het andere voor zijn moeder. Zijn spaargeld gaf hij aan zijn vader, zijn boeken en kleren aan zijn broer.
Er waren geen getuigen bij die het hebben opgeschreven. Het verhaal komt uit zijn eigen mond, en dat zeggen de serieuze biografen er ook bij. Het beeld is wel blijven hangen: een man die de titels waar hij jaren voor had gewerkt in de Stille Oceaan liet zakken. Hij wilde voortaan alleen nog predikant zijn.
In december 1927 trouwde hij met Yu Jin Hua, die ook Jean werd genoemd. Het huwelijk was jaren eerder door hun ouders geregeld. Hij ging lesgeven in scheikunde en Bijbel op zijn oude middelbare school in Putian, de methodistische Guthrie Memorial High School. Dat duurde ongeveer een jaar. In 1928 benoemde de methodistische conferentie van Hinghwa hem tot evangelist.
EEN BRIEF VAN W.B. COLE
In februari 1928 schreef een Amerikaanse methodistische zendeling in Hinghwa, W.B. Cole, een brief over de jonge evangelist. Het was het eerste zendingsverslag over wat er in New York gebeurd was. Volgens Ireland hielpen de gesprekken met Cole Sung om zijn leven opnieuw op Christus te richten. Maar Cole had ook een eigen doel. Hij was een fundamentalist en wilde laten zien hoe blind de vrijzinnige theologie van Union was. Zijn brief suggereerde dat het seminarie Sung ten onrechte krankzinnig had verklaard.
Union reageerde met een eigen versie: Sung was al ziek toen hij binnenkwam. Zo werd het leven van een Chinese student inzet van een Amerikaanse strijd tussen modernisten en fundamentalisten. Sung zelf vertelde zijn verhaal in 1933 in het boekje Mijn getuigenis, dat hij dicteerde aan Wang Minxue. Ireland laat zien dat hij daarin zelfs een visioen een week verschoof, naar de dag van zijn opname. Zo werd het verhaal sterker.
Ik schrijf dit niet om Sung kleiner te maken. Ieder mens vertelt zijn leven met een bedoeling. De vraag is wat er overblijft als je de lagen weghaalt. Bij Sung blijft er veel over.
ELFHONDERDNEGENENNEGENTIG DIENSTEN
De eerste jaren preekte hij vooral in Fujian. In Xiamen en Fuzhou sprak hij Engels met een tolk, omdat zijn dialect daar niet verstaan werd. Volgens Ireland preekte hij in de dorpen over een bovennatuurlijke God die ingrijpt in de gewone wereld, en hij hield zijn boodschap tegen het licht van zowel het geestelijk leven als de wetenschap.
In 1931 sprak hij in Shanghai op een opwekkingsbijeenkomst van de National Christian Council, de Nationale Christelijke Raad van China. Daarna sloot hij zich aan bij de Bethel Worldwide Evangelistic Band. Dat was een evangelisatieteam van de Bethel-zending in Shanghai, gesticht door de Amerikaanse zendeling Jennie Hughes en de Chinese arts Shi Meiyu, die in het Engels Mary Stone heette. De leider van het team was Andrew Gih. In twee jaar hield Sung met hen 1.199 opwekkingsdiensten, telt Ireland. Ze reisden van Binnen-Mongolië in het noorden tot Guangxi in het zuiden.
In december 1931 begon hij ook voor zieken te bidden. Ireland ziet zijn gebedsgenezing als iets wat Chinezen een derde weg bood, naast de traditionele Chinese geneeskunde en de westerse ziekenhuizen. Opvallend genoeg werd hij zelf nooit genezen van de kwaal die hij uit Amerika had meegenomen.
In 1933 kwam het tot een breuk. Na conflicten met zijn teamgenoten, onder wie Gih, en met de twee vrouwen die de zending leidden, moest hij vertrekken. Vanaf 1934 werkte hij zelfstandig, en voortaan in het Mandarijn. Zijn prediking trok veel vrouwen. Ze namen zijn oproep over en vormden hun eigen evangelisatieteams.
In mei 1938 werd hij in Xinghua tot ouderling gewijd in de Methodist Episcopal Church, door bisschop John Gowdy. Hij bleef methodist, ook toen hij allang zijn eigen weg ging.
“KOM THUIS”
Vanaf eind 1935 reisde hij ook naar het zuiden. In de landen ten zuiden van China woonden grote Chinese gemeenschappen. De eerste reis duurde twee maanden en bracht hem naar Singapore, Malakka en Nederlands-Indië. Tot 1940 maakte hij vijf van zulke reizen, samen bijna twee jaar. Hij kwam in Singapore, Maleisië, de Filipijnen, Thailand, Vietnam, Birma (nu Myanmar), Taiwan en Indonesië.
Voor een Nederlandse lezer is dat laatste land bijzonder. Indonesië was toen Nederlands-Indië, een kolonie van Nederland. De meeste inwoners waren moslim. Er woonden veel Chinezen, onder wie de peranakan: Chinezen die er al generaties woonden en Maleis spraken in plaats van Chinees. Zij vormden de kern van de Chinese kerken op Java.
Historica Barbara Watson Andaya van de University of Hawai’i heeft de reizen van Sung naar Indië onderzocht, met Nederlandse kranten als bron. Hij kwam voor het eerst naar Java op uitnodiging van de pinkstergemeenschap in Soerabaja (nu Surabaya). In Batavia, het huidige Jakarta, werd een speciaal Chinees comité opgericht om hem uit te nodigen. Zijn visum voor Batavia liet zes maanden op zich wachten. Toen hij er eindelijk was, bleek de Chinese kerk aan de Prinsenlaan te klein. De diensten gingen naar de veel grotere Portugese Buitenkerk, waar normaal in het Maleis werd gekerkt. Die kerk uit 1695 staat er nog steeds en heet nu Gereja Sion.
Het Bataviaasch Nieuwsblad schreef erover in november 1938 en februari 1939, Het Nieuws van den Dag voor Nederlandsch-Indië in augustus 1939. Volgens Andaya waren de Nederlandstalige kranten unaniem positief. Ze spraken van een groot succes en een verbazend aantal bezoekers. Het koloniale bestuur zag in hem geen gevaar. Sommige Nederlandse zendelingen vergeleken zijn campagnes met de grote opwekking in Wales.
In 1939 zat Cornelia Baarbé in een van zijn diensten in Soerabaja. Zij was een Nederlandse zendeling die onder Chinezen op Java werkte. Ze kwam met twijfels en ging naar huis als bewonderaar. In 1949 publiceerde ze haar verslag in het zendingsblad Lichtstralen op den akker der wereld. Ze beschreef hoe hij het verloren schaap op een schoolbord tekende met een paar lijnen en strepen. Bij zijn preek over de kruisiging was het, schreef ze, alsof ze de hamerslagen hoorde. Op Java zong hij steeds een Maleis lied waarvan de titel “Kom thuis” betekent. Ongeveer elke vijf minuten zette hij het opnieuw in.
Hij preekte in Chinese gewaden. Toen iemand hem naar Gandhi vroeg, antwoordde hij dat China de leer van Gandhi niet nodig had. Andaya ziet in die keuzes een man die zijn boodschap bewust als Chinees bracht.
“WAT ZIJN JULLIE HARTEN HARD!”
Op Ambon, in de Molukken, liep het anders. Ambon was al sinds de tijd van de Verenigde Oost-Indische Compagnie een bolwerk van de gereformeerde kerk. Over dit bezoek bestaat een verslag uit 1940 in The Australian Evangel, een Australisch pinksterblad. Het is dus een bron van vrienden van de beweging, en zo moet je het lezen.
Volgens dat verslag dreigde een hervormde predikant zijn leden te verbieden de bijeenkomsten te bezoeken als de preken hem niet bevielen. Sung kreeg dreigbrieven. De pinksterzendelingen raadden hem af de grootste protestantse kerk van het eiland als zaal te gebruiken. Een andere dominee betaalde toen een grote tabernakel van atap, gedroogd palmblad. Hij leende er een piano, een schoolbord en stoelen bij.
Drie dagen na aankomst ging Sung midden in een dienst zitten. Hij zei tegen de aanwezigen, vrij vertaald: “Wat zijn jullie harten hard!” Hij dreigde naar Makassar te vertrekken. Hij bleef. Bij zijn laatste bijeenkomst waren er volgens het pinksterblad ongeveer vierduizend mensen. Andere tellingen ken ik niet.
Sung zelf zei dat Ambon van alle plaatsen in Indië het moeilijkst was. Ik vind het een eerlijk detail. Ook een man met een grote naam kon gefrustreerd raken en het zeggen.
Zijn oproep “heel Java voor Jezus” is niet vervuld, schrijft Andaya droog. Wel bleven zijn uitgeschreven preken en liedboeken rondgaan, en lekenpredikers gebruikten ze nog jaren.
EEN VELDBED IN DECEMBER
Sung was in die jaren al ziek. Hij had in Amerika fistels gekregen, ontstekingen die niet genazen en hem veel pijn deden. Hij preekte vaak drie keer per dag, twee tot drie uur per keer. Hij hield over de hele Bijbel retraites van tien dagen tot een maand. In 1936 nam hij volgens zijn eigen aantekeningen met ongeveer tweeduizend mensen in een maand de hele Bijbel door.
Ondertussen brak in 1937 de oorlog met Japan uit, en werd het werk in China steeds moeilijker. Dat was een van de redenen dat hij zo vaak naar het zuiden ging.
In december 1939 preekte hij voor het laatst, in Indonesië. Hij lag op een veldbed. Ireland noemt het kort, zonder plaats. Het was zijn laatste preek. Daarna ging hij terug naar China.
ZESDUIZEND BLADZIJDEN
De laatste jaren bracht hij door in Xiangshan, de Geurige Heuvels bij Peking. Hij onderging meerdere operaties. Zijn vrouw en kinderen kwamen uit Shanghai over. In 1941 stierf zijn jongste zoon Joshua. Sung lag het grootste deel van de tijd in bed. Ireland schrijft dat hij daar de stille bediening van het gebed leerde. In Christian History wordt hem een korte zin toegeschreven, vrij vertaald: “Zonder grote verdrukking geen grote verlichting.”
Op 18 augustus 1944 overleed hij in een huisje buiten Peking. Hij was tweeënveertig. Over de doodsoorzaak verschillen de bronnen: Yale noemt tuberculose, Ireland en het Biographical Dictionary wijzen op de fistels die hij uit Amerika had meegenomen. De Chinese prediker Wang Mingdao leidde zijn begrafenis. Hij liet zijn vrouw en kinderen achter. Hoeveel kinderen er precies waren, daarover zijn de naslagwerken het niet eens.
Wat hij ook achterliet, waren zijn dagboeken. Elke avond schreef hij op hoeveel mensen er waren gekomen en hoeveel er tot geloof waren gekomen. Er staan ook preken, gebeden en lijsten van mensen voor wie hij bad in. Het artikel in Christian History uit 2008 noemt hem iemand die zichzelf voortdurend onderzocht en elke dag opnieuw berouw had. Een dochter gaf bewerkte versies van de dagboeken uit. Zijn dochter Levi bewaarde de papieren, en na haar dood kwamen ze bij de bibliotheek van Yale Divinity School. In 2016 was Ireland de eerste onderzoeker die de onbewerkte dagboeken gebruikte.
Hoeveel mensen er door hem tot geloof kwamen, weet niemand. Schattingen lopen van tienduizenden tot honderdduizenden, en ze zijn geen tellingen. De getallen in zijn dagboek komen van hemzelf. Het Dictionary of Christian Biography in Asia noemt ze over het geheel betrouwbaar, en ook dat Sung toegaf dat hij in zijn preken wel eens overdreef.
Misschien is dat de reden dat ik dit hoofdstuk graag schreef. John Sung was geen heilige zonder barsten. Hij was ziek, soms onredelijk, soms een man die zijn eigen verhaal mooier maakte. En in de Chinese kerken van Azië gingen zijn preken en liedboeken nog lang van hand tot hand.
In de bibliotheek van Yale liggen nu de schriften waarin hij avond na avond zijn dag opschreef. Tussen de getallen van wie er gekomen waren staan zijn gebeden.
Wat vaststaat en wat verteld wordt
Vaststaat (meerdere onafhankelijke bronnen): geboorte op 27 september 1901 in de omgeving van Hinghwa (Putian), Fujian, als zoon van een methodistisch predikant; studie in de VS vanaf 1920 en doctoraat scheikunde aan Ohio State in 1926; inschrijving bij Union Theological Seminary in 1926; opname in Bloomingdale Hospital van 17 februari tot 30 augustus 1927 (ziekenhuis- en seminariearchief, via Ireland); terugkeer naar China in 1927 en huwelijk met Yu Jin Hua; evangelist van de methodistische conferentie vanaf 1928; Bethel Worldwide Evangelistic Band 1931 tot 1933 en de breuk daarna; reizen naar Zuidoost-Azië 1935 tot 1939/1940, waaronder Nederlands-Indië (Soerabaja, Batavia, Ambon), met verslagen in Nederlands-Indische kranten van 1938 en 1939; diensten in de Portugese Buitenkerk in Batavia; wijding tot ouderling in 1938; ziekte en bedlegerige laatste jaren; overlijden op 18 augustus 1944 bij Peking; dagboeken nu bij Yale Divinity Library.
Alleen uit eigen getuigenis of latere overlevering: de stem op 10 februari 1927 en de uitspraak over kamer 405; dat de opname een misverstand over zijn bekering was; het veertig keer uitlezen van de Bijbel in de inrichting; het overboord gooien van zijn diploma’s; het getal van tweeduizend deelnemers in 1936 (eigen dagboek); de beschrijving van de diensten in Soerabaja (ooggetuigeverslag van Cornelia Baarbé, gepubliceerd in 1949); het verloop op Ambon en het getal van vierduizend (pinksterblad The Australian Evangel, 1940).
Onbevestigd: of de doctorsbul voor zijn vader of zijn moeder was; hoe hij precies uit Bloomingdale vrijkwam (de bronnen noemen verschillende mensen en redenen); de doodsoorzaak (tuberculose of de gevolgen van fistels); het precieze aantal kinderen; het aantal mensen dat door hem tot geloof kwam; welke steden in Indië hij in welk jaar bezocht.
Duiding: historicus Daryl Ireland leest de Amerikaanse jaren, op basis van archief en dagboeken, als een periode van ernstige psychische ziekte, waarna Sung en zendeling W.B. Cole er samen een bekeringsverhaal van maakten. Sung zelf zag het als zijn wedergeboorte. Beide lezingen sluiten elkaar niet uit; of God hem in die maanden riep, is een geloofsvraag.
Bronnen bij dit hoofdstuk
- Biographical Dictionary of Chinese Christianity, “John Sung”
- Dictionary of Christian Biography in Asia, “Sung, John (Song Shangjie)”
- Daryl R. Ireland, “A durable spirituality”, Christian History 153 (2024)
- G. Wright Doyle, “The Billy Graham of China: John Sung (1901-1944)”, Christian History 98 (2008)
- Daryl R. Ireland, “John Sung’s Malleable Conversion Narrative”, Fides et Historia 45:1 (2013)
- Alexander Chow, recensie van Daryl Ireland, John Song (2020), Christianity Today
- Boston University, Center for Global Christianity and Mission, “Legacy of John Sung” (2016)
- Daryl R. Ireland, “The Legacy of John Sung”, OMSC (2016)
- Barbara Watson Andaya, “‘Come Home, Come Home!’ Chineseness, John Sung and Theatrical Evangelism in 1930s Southeast Asia”, Freiburg (2015)
- Yale Divinity School, papieren van John Sung geschonken aan de bibliotheek
- Ka-Tong Lim, The Life and Ministry of John Sung, dissertatie Asbury (2009)
- Wikipedia, “John Sung”
- Wikipedia, “Gereja Sion”