Op 3 augustus 1838 schreef de Schotse zendeling David Cargill een korte notitie in zijn dagboek. Hij woonde op Lakeba, een eiland in het oosten van Fiji. Joeli Bulu, schreef hij, was gaan wonen in Narothake, een dorp op hetzelfde eiland. Daar waren een paar Fijiërs die God aanbaden, en Joeli zou hen onderwijzen. Cargill voegde eraan toe dat deze man zeer ijverig de Fijische taal leerde.
Vier dagen later ging Cargill zelf naar het dorp. De gelovigen waren dankbaar, noteerde hij, dat er nu een leraar onder hen woonde. Ze waren vriendelijk voor hem en voor zijn vrouw.
Het zijn een paar regels in het dagboek van een Europeaan. De leraar zelf was een Tongaan van rond de achtentwintig, pas vijf jaar christen. Hij kwam uit een ander land, met een andere taal. Hij zou er bijna veertig jaar blijven. Hij werd de eerste eilander die in Fiji alleen de leiding kreeg over een kerkelijk gebied, hij begon gemeenten op plaatsen waar nog geen Europese zendeling was geweest, en hij eindigde als Bijbelleraar van de machtigste hoofdman van Fiji. Toen hij oud was, vertelde hij zijn leven aan een zendeling, die het opschreef en vertaalde.
Dat verhaal begint met een jongen die niets van het nieuwe geloof wilde weten, en een heldere nacht.
TWEE TAHITIANEN IN NUKU'ALOFA
Tonga is een eilandrijk in de Stille Oceaan, ten oosten van Fiji. Joeli Bulu werd er rond 1810 geboren. Waar precies, heb ik niet kunnen vinden. In het Tongaans werd zijn naam later geschreven als Siaoeli Pulu.
Toen hij een jongen was, kwam het christendom naar Tonga. Rond 1824 waren er al twee leraren uit Tahiti in Nuku’alofa, de hoofdstad op het eiland Tongatapu. Zij waren zelf eilanders. In 1826 kwamen de Wesleyaanse zendelingen, onder wie John Thomas. Wesleyanen waren methodisten, volgelingen van de Engelse prediker John Wesley. In 1830 maakten zij een afspraak met de London Missionary Society, een andere protestantse zendingsorganisatie: Tonga en Fiji zouden voor de methodisten zijn, Samoa voor de Londense zending.
De grootste verandering kwam van een Tongaanse hoofdman. Taufa’ahau werd christen en nam in 1831 de naam koning George Tupou I aan. Hij zou heel Tonga onder zijn gezag brengen. Volgens de missioloog Ewan Stilwell was dat het patroon in Tonga: een hoofdman bekeerde zich en probeerde daarna zijn familie en zijn volk mee te nemen.
In het Tongaans heette het nieuwe geloof de lotu. Je kon de lotu aannemen, zoals je een nieuwe weg kiest. Joeli Bulu wilde dat aanvankelijk niet. Hij keerde zich ertegen, zo vertelde hij later zelf in zijn autobiografie. Een museumbeschrijving bij een foto van hem noemt hem in zijn jonge jaren een deugniet. Waar die typering vandaan komt, zegt de beschrijving niet.
"DAT IK TUSSEN DE STERREN MAG WONEN"
Wat hem omdraaide, was een belofte. Hij hoorde dat de lotu sprak over een thuis in de hemel. Op een heldere avond keek hij naar de sterren. Hij vertelde later dat hij toen besloot: “Ik wil de lotu aannemen, zodat ik tussen de sterren mag wonen” (vrij vertaald).
Deze zin kennen we alleen uit zijn eigen verhaal. De Australische kerkhistoricus John Garrett vond hem zo veelzeggend dat hij in 1982 zijn boek over het ontstaan van het christendom in de Stille Oceaan To Live Among the Stars noemde. Een jonge Tongaan die naar de hemel kijkt en daar wil wonen: in die ene zin zat voor Garrett het verlangen van een hele regio.
Ik vind het een eerlijke zin. Er staat nog niets in over zonde of over Christus. Het is het verlangen van iemand die voelt dat er meer is dan de eilanden onder zijn voeten. Herken je dat? Zo begon het bij hem, en het bleef niet bij die avond.
OGEN DIE OPENGINGEN
In 1833 werd Joeli Bulu christen. Hij was toen ongeveer drieëntwintig. Volgens de museumbeschrijving gebeurde het na het horen van de preken van John Thomas. Het viel samen met een grote opwekking in Tonga. Stilwell noemt, op gezag van een oudere studie, negenduizend volledige leden binnen zes jaar. Dat getal komt uit de kring van de zending zelf.
Bulu beschreef zijn bekering als een strijd. Hij kende een tijd waarin hij zijn zonde zag en geen rust vond. Toen luisterde hij op een dag naar een zendeling die over de liefde van Christus sprak. Zijn ogen gingen open, zo vertelde hij. Hij had gehuild van angst en verdriet, en nu huilde hij van vreugde. Zijn hart was vol liefde voor Hem die hem had liefgehad en Zichzelf voor hem had gegeven.
Die laatste woorden zijn bijna letterlijk de woorden van Paulus: Die mij heeft liefgehad en Zichzelf voor mij heeft overgegeven. (Galaten 2:20). Bulu had ze kennelijk gehoord en tot de zijne gemaakt.
Niet iedereen was blij met zijn keuze. Volgens het verhaal dat Garrett uit zijn autobiografie navertelt, wilde zijn eigen familie hem doodknuppelen. Bulu hoorde van het plan, vluchtte het bos in en bad daar. Ook dit verhaal kennen we alleen van hemzelf.
EEN MAN OP HET PAD
Inmiddels was er in Fiji werk begonnen. Op 12 oktober 1835 kwamen de methodistische zendelingen William Cross en David Cargill op Lakeba aan, een eiland in de Lau-groep in het oosten van Fiji. Ze kwamen niet als eersten. Er woonden al Tongaanse christenen in dat deel van Fiji, en zij steunden het werk vanaf het begin. Een Fijiër, Josua Mateinaniu, was in Tonga christen geworden en ging terug naar zijn land om dorpen te zoeken die open stonden.
Fiji was in die jaren een land van rivaliserende hoofdmannen. Er werden oorlogen gevoerd tussen machtige centra als Bau en Rewa, en het eten van gesneuvelde vijanden kwam voor. De zendelingen konden er weinig zonder bescherming van hoofdmannen, en zonder mensen die de taal en de gewoonten kenden.
Daarom vroegen ze Tonga om leraren. Bulu vertelde later hoe dat bericht hem bereikte. Hij liep op een pad, en een man vertelde hem dat de zendelingen in Fiji om hulp hadden gevraagd. Hij voelde dat hij moest gaan om de blijde boodschap te brengen aan mensen die God niet kenden. Toen hij het een zendeling vertelde, zei die uit zichzelf dat hij al had gedacht dat Bulu een van hen moest zijn.
Ik hoor in zo’n verhaal hoe roeping vaak werkt. Een gewoon bericht, een innerlijk weten, en iemand anders die zonder afspraak hetzelfde zegt. Bulu ging.
ZES PREDIKERS UIT VAVA'U
In 1838 stuurde koning George een groep leraren naar Fiji. Cargill schreef dat er zes Tongaanse lekenpredikers uit Vava’u waren gekomen, de noordelijke eilandengroep van Tonga. Joeli Bulu was een van hen, en hij was getrouwd. De naam van zijn vrouw heb ik in geen enkele bron gevonden.
Over de reis bestaan kleine verschillen. Een artikel in de Fiji Times uit 2018 zegt dat hij met de Engelse zendeling James Calvert naar Fiji kwam. Andere bronnen spreken alleen van de groep die de koning stuurde. Wat vaststaat, is dat hij in augustus 1838 op Lakeba woonde en lesgaf in Narothake, zoals Cargill noteerde.
Het werk op Lakeba was meer dan prediken. De zendeling Richard Lyth had een kleine drukpers meegebracht. Bulu hielp er catechismussen en Bijbelgedeelten te drukken, in een taal die hij zelf nog aan het leren was. Een catechismus is een boekje met vragen en antwoorden over het geloof.
Er woonden al Tongaanse christenen in dit deel van Fiji, en een Tongaanse leraar kon dichter bij mensen komen dan een Engelsman. Hij bleef ook een vreemdeling, en een vreemdeling die een nieuw geloof bracht.
"HET IS EEN HAAI"
Vanaf Lakeba ging Bulu naar Rewa, een machtig gebied aan de rivier op het grootste eiland, Viti Levu. Daar gebeurde iets wat hij later uitgebreid vertelde.
Een jonge hoofdman vroeg hem mee te zwemmen. Bulu weigerde eerst, vanwege de haaien. De hoofdman haalde hem over. Ze lieten met jongens speelgoedkano’s varen in de rivier. Bulu zwom naar de overkant en wilde terugzwemmen. Toen zag hij beweging in het water. Hij had er eerder over gedroomd. “Het is een haai, mijn droom komt uit,” dacht hij (vrij vertaald).
De haai beet hem. Volgens zijn eigen verslag dacht hij dat zijn leven voorbij was. Hij vocht, duwde zijn hand in de keel van het dier en trok het mee naar de kant. Daar zwom de haai weg. Volgens Garrett was hij in zijn dij en in zijn arm gebeten en zakte hij op de oever in elkaar. Hij overleefde het.
Dit verhaal komt uit één mond: die van Bulu zelf. Ik heb er geen ander verslag van gevonden. Ik vertel het omdat het bij zijn leven hoort, en omdat het laat zien hoe dichtbij de dood in die jaren voor hem was.
MET DE KANO NAAR VANUA LEVU
In Rewa werd het onveilig. Tussen Bau en Rewa groeide een oorlog, en de zendelingen vertrokken. Bulu ging naar Viwa, een klein eiland vlak bij Bau, waar de Engelse zendeling John Hunt woonde. Ook daar sloot de post later door de oorlogen.
Hunt stuurde hem per kano naar Vanua Levu, het tweede grote eiland van Fiji. Hij moest verkennen waar de zending zou kunnen beginnen. Een eilander die vooruit werd gestuurd naar plaatsen waar Europeanen nog niet kwamen: zo ging het vaker in de Stille Oceaan.
Bulu werd later aangesteld in Nadi op Vanua Levu, in de bronnen ook Nandi gespeld. Dit Nadi ligt op Vanua Levu en moet je niet verwarren met de stad Nadi bij het vliegveld op Viti Levu. Hij werkte er met de Engelse zendelingen Watsford en Ford, nadat een orkaan de huizen aan de kust had verwoest.
"NIEMAND MAG VECHTEN"
Op Vanua Levu kreeg hij te maken met tegenstand. Volgens Garrett, die zijn autobiografie navertelt, stalen mensen zijn varkens, doodden zijn kippen en vernielden zijn tuinen. Op een nacht werd het dorp omsingeld. Bulu zei tegen de christenen dat ze moesten gaan zitten, zonder wapens. “Niemand mag vechten” (vrij vertaald).
De aanvallers zeiden later dat ze hun wapens niet hadden kunnen gebruiken. Mannen uit de stam kwamen naar hem toe met een tabua, een gepolijste walvistand. In Fiji is dat een kostbaar geschenk dat je geeft bij een verzoek, een verzoening of een belangrijke gebeurtenis. Ze erkenden dat zij zijn varkens hadden gestolen.
Een ander verhaal uit zijn mond gaat over een reis op de grote zeekano van een koning. Er stak een storm op die het schip bijna liet zinken. Bulu bad, en de wind ging liggen. Ook dit kennen we alleen uit zijn eigen getuigenis.
Stilwell schrijft dat zijn leven meer dan eens in gevaar was door hoofdmannen die tegen de lotu waren. Welke van die verhalen precies zo gebeurd zijn, kan niemand meer nagaan. Wat wel vaststaat, is dat hij bleef. Een vreemdeling zonder wapens in een land vol oorlog. Wat zou jij gedaan hebben, als je varkens werden gestolen en je huis werd omsingeld?
ONO, 18 AUGUSTUS 1850
In 1848 kreeg Bulu een verantwoordelijkheid die nog geen eilander voor hem had gekregen. Hij werd alleen aangesteld over het circuit Ono, op het eiland Ono-i-Lau in het uiterste zuiden van de Lau-groep. Een circuit is bij de methodisten een gebied met meerdere gemeenten onder één predikant.
Op 18 augustus 1850 werd hij op Ono-i-Lau geordend door de zendeling David Hazlewood. Hij werd Native Assistant Missionary, assistent-zendeling uit eigen land. Hij was de eerste die die titel kreeg. Stilwell telt bijna twintig jaar dienst tot dat moment, kennelijk vanaf zijn bekering in 1833.
De titel zegt ook iets over de verhoudingen. Een Europeaan heette missionary, een eilander assistant. Bulu had dan al twaalf jaar het werk in Fiji gedaan, vaak alleen, en hij bleef in de rangorde onder de Engelse zendelingen. Ik oordeel daar niet over vanuit mijn tijd, maar het hoort erbij, als je eerlijk wilt kijken naar hoe de zending toen werkte.
EEN GRAF IN WAIRIKI
Na Ono ging hij terug naar Nadi. Er werd gevochten. Twee mannen van de zending werden gedood terwijl ze riet voor daken sneden. De stad werd verbrand, nadat de vijand een belofte om de inwoners te sparen had gebroken. Bulu bracht zijn vrouw en kinderen naar Bua voor hun veiligheid.
Daarna werd hij met de Tongaan Aaron Fotofili aangesteld in Cakaudrove, het rijk van de Tui Cakau op Taveuni en het zuiden van Vanua Levu. Hij begon er het werk voordat er Europese zendelingen waren. Later kwamen Waterhouse en Carey. In Wairiki, op Taveuni, waren volgens zijn eigen woorden vooral vrouwen en kinderen ijverig op de scholen van de zending.
Ook hier waren de hoofdmannen onvoorspelbaar. Ratu Ngolea, later Tui Cakau, was eerst vriendelijk voor de zending. Toen hij de christenen vroeg mee te vechten in een oorlog bij Macuata en zij weigerden, dreigde hij hen aan te vallen bij zijn terugkeer. Volgens een Fijisch krantenartikel over de autobiografie nam Ngolea een dochter van Bulu mee en dwong haar bij hem te leven. Meer staat er niet over, en ik laat het daarbij.
In Wairiki stierf zijn vrouw. Hij vertelde het in één zin: hij ging verder, maar zijn vrouw ging niet mee, want zij was in Wairiki gestorven en daar had hij haar begraven. Ze was met hem uit Tonga gekomen. Wanneer ze stierf, weet ik niet.
De post verhuisde naar Waikava, aan Fawn Harbour. Daar kreeg Bulu de leiding over een opleiding voor catechisten, Fijische leraren die zelf weer dorpen in gingen. Stilwell schrijft dat hij al eerder zijn eigen bekeerlingen ging opleiden als de zending hem geen helpers kon sturen. Volgens een artikel in de Fiji Times gingen sommige van zijn leerlingen later naar New Britain, in het huidige Papoea-Nieuw-Guinea. Dat heb ik niet verder kunnen nagaan.
AAN HET HOF VAN CAKOBAU
Het laatste deel van zijn leven woonde Bulu op Bau, het kleine eiland waar Ratu Seru Cakobau regeerde. Cakobau was de machtigste hoofdman van Fiji. In 1854 werd hij christen en zwoer hij het eten van mensen af. Daarna gingen grote delen van de bevolking over tot het christendom. Op 10 oktober 1874 droeg Cakobau Fiji over aan Groot-Brittannië, en Fiji werd een Britse kolonie.
Bulu was op Bau kapelaan en Bijbelleraar voor Cakobau en zijn familie. De Tongaanse jongen die eens tegen de lotu was, onderwees nu de koning van Bau.
Uit die jaren is een foto bewaard, vermoedelijk gemaakt aan het begin van de jaren zeventig van de negentiende eeuw. Ze ligt nu in een Australische collectie. Je ziet een oudere man met een baard, gekleed als een Fijische hoofdman, in een omslagdoek, met iets in zijn hand dat lijkt op een vliegenmepper. Een Tongaan die in Fiji was thuisgekomen.
EEN STEM DIE EEN ANDER OPSCHREEF
In die tijd vertelde Bulu zijn leven aan de zendeling Lorimer Fison, die het vertaalde. George Stringer Rowe bewerkte de tekst. In 1871 verscheen in Londen bij de Wesleyaanse zending Joel Bulu: The Autobiography of a Native Minister in the South Seas. Het verhaal vertelt over branden, stormen, oorlogen, overstromingen en ontsnappingen aan de dood. In 1976 bezorgden de missioloog Alan Tippett en Tomasi Kanailagi een uitgave met aantekeningen. Die werd in 2013 opnieuw uitgegeven.
Ik moet er eerlijk bij zeggen: bijna alles wat we van zijn binnenkant weten, komt uit dat ene boek. Het is zijn getuigenis, opgetekend door een Europese zendeling en bewerkt voor Engelse lezers. De oorspronkelijke tekst heb ik zelf niet kunnen inzien; ik ken hem via citaten bij Stilwell en in de Fiji Times. Waar de dagboeken van Cargill en de kerkelijke stukken zijn verhaal raken, kloppen ze met wat hij vertelt. De wonderverhalen heeft niemand anders kunnen controleren.
Dat ene boek is ook een zeldzaamheid. Honderden eilanders gingen in de negentiende eeuw als zendeling naar andere eilanden. Van de meesten bleef geen eigen woord over. Uit de Cookeilanden alleen al gingen er volgens recent archiefonderzoek ruim tweehonderdvijftig. De Tahitiaan Papeiha ging in 1821 met de Engelse zendeling John Williams naar Aitutaki. Cookeilanders gingen naar Samoa, Vanuatu en het zuiden van Papoea. In de koloniale archieven staan vooral de namen van Europeanen. Namen van vrouwen ontbreken vaak helemaal.
In Fiji gebeurde wat in Tonga was gebeurd. In 1875, het jaar waarin een mazelenepidemie in Fiji ongeveer veertigduizend mensen het leven kostte, meldden zich drieëntachtig Fijische mannen om met zendeling George Brown naar New Britain te gaan. Negen werden gekozen. Hun leider, Aminio Baledrokadroka, zei tegen de koloniale ambtenaren dat ze zich aan het werk van God hadden gegeven, of ze nu zouden sterven of leven. Binnen drie jaar waren de meesten van hen dood. Drie werden gedood, anderen stierven aan malaria. Volgens Stilwell hadden tot midden in de twintigste eeuw ruim driehonderd Fijiërs als zendeling op andere eilanden gediend.
Stilwell schrijft dat het evangelie zonder deze eilanders nooit zo snel door de Stille Oceaan was gegaan. De geschiedenis van de zending in die regio wordt vaak verteld met de namen van Williams, Hunt en Calvert. Het werk in de dorpen werd voor een groot deel gedaan door mensen als Bulu.
NAAST JOHN HUNT OP VIWA
Joeli Bulu stierf op 7 mei 1877 op Bau. Hij had bijna veertig jaar in Fiji gewerkt. Cakobau, zijn oude vriend, zorgde voor een kist en voor de begrafenis. Hij werd begraven op Viwa, naast het graf van John Hunt, de zendeling die hem ooit met een kano naar Vanua Levu had gestuurd. Velen rouwden om hem.
In Fiji kennen ze zijn naam nog. Op Lelean Memorial School, een methodistische school in Davuilevu bij Nausori, is een van de vier huizen naar hem genoemd.
Op Viwa liggen een Engelsman en een Tongaan naast elkaar, op een klein eiland tegenover Bau. Als het helder is, staan er ’s nachts sterren boven die twee graven, dezelfde waar een jonge Tongaan ooit naar keek toen hij besloot dat hij daar wilde wonen.
Wat vaststaat en wat verteld wordt
Vaststaat (meerdere onafhankelijke bronnen): geboorte rond 1810 in Tonga; bekering in 1833; vertrek naar Fiji in 1838 met een groep Tongaanse leraren; zijn werk in Narothake op Lakeba in augustus 1838 (dagboek van David Cargill); werk op Lakeba, Rewa, Viwa, Vanua Levu, Nadi, Ono-i-Lau, Cakaudrove en Bau; aanstelling over het circuit Ono in 1848 als eerste eilander; ordinatie op 18 augustus 1850; leiding van de opleiding voor catechisten; Bijbelleraar van Cakobau op Bau; de autobiografie van 1871 (vertaling Lorimer Fison, bewerking George Stringer Rowe); overlijden op 7 mei 1877 en begrafenis op Viwa naast John Hunt.
Alleen uit eigen getuigenis of latere overlevering: zijn vroegere verzet tegen de lotu en het besluit onder de sterren; de innerlijke strijd en vreugde bij zijn bekering; het plan van zijn familie om hem te doden; de man op het pad en de bevestiging door een zendeling; de haai-aanval in Rewa en de droom vooraf; de nachtelijke omsingeling en de tabua van verzoening; de storm die ging liggen na gebed; de gebeurtenissen rond Ratu Ngolea en zijn dochter; de dood van zijn vrouw in Wairiki.
Onbevestigd: de typering als deugniet in zijn jeugd (museumtekst zonder bron); of hij met James Calvert naar Fiji reisde; de duur van acht jaar op Ono; dat leerlingen van hem later naar New Britain gingen; zijn geboorteplaats en de naam van zijn vrouw zijn niet bekend.
Duiding: de autobiografie is een mondeling verhaal, vertaald en bewerkt door Europese zendelingen voor een Engels publiek. De oorspronkelijke tekst van 1871 is voor dit hoofdstuk niet zelf ingezien; citaten komen via Stilwell, Garrett en de Fiji Times.
Bronnen bij dit hoofdstuk
- Ewan Stilwell, “The Rise of the 19th-Century Tongan and Fijian Missionary Movements”, Melanesian Journal of Theology 18-1 (2002)
- Fiji Times, 24 juni 2018, Sikeli Qounadovu over het dagboek van David Cargill
- Fiji Times, 28 januari 2018, Sikeli Qounadovu, “Miracles for a missionary”
- Fiji Times, 5 november 2023, Shanelle Prasad, “Joeli and the beautiful land in the sky”
- Victorian Collections, foto van Joeli Bulu met beschrijving
- Digital Pasifik, record van Joel Bulu: The Autobiography of a Native Minister in the South Seas (1871)
- William Carey Publishing, The Road to Bau and the Autobiography of Joeli Bulu
- Museum of Archaeology and Anthropology, Cambridge, “Fiji missionaries”
- SOAS Archives, “Cook Islander missionaries: recovering hidden histories from missionary archives” (2020)
- Wikipedia, Joeli Bulu (startpunt; verwijst naar Garrett 1982 en Tippett 1954)
- Wikipedia, Seru Epenisa Cakobau
- Wikipedia, Methodist Church of Fiji and Rotuma
- Wikipedia, Timeline of Tongan history