Uit allevolken

Deel 3 · Uit alle volken · Hoofdstuk 3

David Unaipon

de uitvinder die zei "kijk naar mij"

1872-1967Raukkan, Zuid-Australië

Op 4 oktober 1995 bracht de Reserve Bank of Australia een nieuw biljet van vijftig dollar in omloop. Het was gemaakt van polymeer, een soort plastic. Op de ene kant stond een vrouw, Edith Cowan, de eerste vrouw die in Australië in een parlement werd gekozen. Op de andere kant stond een Aboriginal man, met naast hem een tekening van een handstuk om schapen mee te scheren.

Het was de eerste keer dat een Aboriginal Australiër die je bij naam kunt noemen op een Australisch bankbiljet stond. De bank had hem gekozen uit voorstellen van de toenmalige Aboriginal and Torres Strait Islander Commission.

De man heette David Unaipon. Hij was uitvinder en schrijver. Hij was ook prediker, en dat kwam op het biljet minder goed uit de verf. Bijna vijftig jaar reisde hij door het zuidoosten van Australië en sprak hij in kerken en kathedralen van allerlei richting. Op hoge leeftijd liep hij nog te voet van dorp naar dorp om over Christus te vertellen, terwijl hotels hem de deur wezen omdat hij zwart was.

Hij werd geboren aan een meer, in een dorp dat een zendingspost was.

Eerst iets over zijn naam. In veel Aboriginal gemeenschappen is het gewoonte om de naam, de foto of de stem van iemand die overleden is een tijd niet te gebruiken. Het museum van de Reserve Bank waarschuwt op zijn website daarom dat er namen, beelden en stemmen van overleden mensen op staan. Ik noem David Unaipon in dit hoofdstuk wel bij naam. Hij stierf in 1967, zijn naam staat op een biljet dat in heel Australië rondgaat, en het ontwerp van het nieuwe biljet uit 2018 is samen met zijn volk gemaakt. Wie dit hoofdstuk voorleest aan Aboriginal lezers, doet er goed aan dit gebruik te kennen.

EEN BOOT LANGS DE KAMPEN

Het land van de Ngarrindjeri ligt in het zuiden van Australië, waar de rivier de Murray uitkomt in Lake Alexandrina en de lange lagune van de Coorong. Het is ongeveer tachtig kilometer ten zuidoosten van Adelaide. In de negentiende eeuw werd dit gebied deel van de Britse kolonie Zuid-Australië. De Ngarrindjeri, een verbond van clans en taalgroepen, verloren net als andere Aboriginal volken veel van hun land.

In 1859 stichtte de Aborigines’ Friends’ Association, een vereniging van christenen in Adelaide, een zendingspost aan de oever van Lake Alexandrina. Die kreeg de naam Point McLeay. Sinds 1982 heet de plek Raukkan. De eerste leider was George Taplin, een congregationalistisch predikant. Congregationalisten zijn protestanten bij wie elke plaatselijke gemeente zichzelf bestuurt. De zendingspost zelf was formeel aan geen kerk verbonden. Er kwamen een school, een kerk en huizen. De kerk van Raukkan werd gebouwd in 1869.

Davids vader was de man die de eerste stap had gezet. James Ngunaitponi werd rond 1835 geboren bij Piwingang, een lagune aan de Murray, ten westen van het huidige Tailem Bend. Hij heette eerst James McPherson, waarschijnlijk naar een herbergier voor wie hij werkte. In 1861 doopte de Schotse zendeling James Reid van de Free Church hem. Hij was Reids eerste bekeerling en nam bij zijn doop de achternaam Reid aan. Later werd hij bekend onder zijn eigen naam, Ngunaitponi, die de kolonisten verengelsten tot Unaipon. Reid verdronk in juli 1863 in Lake Albert.

James ging naar Point McLeay. Taplin zag in hem iemand die zijn eigen volk het evangelie kon brengen. Hij schreef later over hem dat hij “een standvastige christen” was, vrij vertaald. Vanaf 1869 voer James met een boot van de missie langs de kampen aan het meer om voor te lezen uit de Bijbel. Waar de boot niet kon komen, liep hij. In 1871 werd hij de eerste diaken uit de Ngarrindjeri. Taplin leunde zwaar op hem bij het vertalen van gedeelten uit de evangeliën in de taal van de streek.

Op 27 juli 1866 trouwde James met Nymbulda, een dochter van de Yaraldi-leider Pullum. Het was het eerste christelijke huwelijk op de zendingspost. Ze kregen negen kinderen.

BANG VOOR HET BLOED

Het vierde kind werd geboren op 28 september 1872. Hij heette David. De Australian Dictionary of Biography, de State Library of South Australia en het staatsarchief van Zuid-Australië noemen alle drie die datum. Het nationale instituut AIATSIS houdt het op het eind van de jaren zeventig, maar die afwijking staat alleen.

Vanaf zijn zevende ging David naar de school van de missie. Het christelijke onderwijs maakte hem als kind bang, zo schreef hij later. Vooral de liederen over het bloed van Jezus joegen hem angst aan. Toch zei hij als volwassene dat hij veel te danken had aan zijn Bijbelstudie en aan het voorbeeld van zijn vader. Dit weten we uit zijn eigen terugblik, zoals AIATSIS die samenvat.

Herken je dat? Een kind hoort woorden die groter zijn dan het kan dragen. Het schrikt. En jaren later blijken diezelfde woorden het fundament onder zijn leven te zijn. Ik vind het eerlijk dat David die angst niet wegpoetste.

HÄNDEL OP HET MISSIEORGEL

Als tiener werd David bediende bij Charles Burney Young in Kanmantoo, in de heuvels bij Adelaide. Volgens het staatsarchief vertrok hij op 1 september 1887. De Australian Dictionary of Biography noemt 1885. Young moedigde zijn belangstelling voor filosofie, wetenschap en muziek aan.

In 1890 kwam David terug naar Point McLeay. Hij leerde er schoenmaken en werd later boekhouder van de winkel van de missie. Aan het eind van de jaren negentig werkte hij een tijd als magazijnman bij een schoenmaker in Adelaide. Op de missie speelde hij jarenlang het orgel in de kerk. Volgens AIATSIS speelde hij onder meer Händels Messiah en andere ingewikkelde stukken. Uit de bibliotheek van de missie las hij wetenschappelijke boeken. Hij raakte gefascineerd door het idee van een machine die uit zichzelf blijft draaien, een perpetuum mobile. Die gedachte liet hem zijn hele leven niet los.

Op 4 januari 1902 trouwde hij in Point McLeay met Katherine Carter, geboren Sumner, een Tangani-vrouw uit de Coorong. De Australian Dictionary of Biography zegt er kort bij dat het huwelijk niet gelukkig was. Meer staat er niet, en ik weet er ook niet meer van. Katherine overleed in 1928. Ze hadden een zoon.

EEN SCHAAR VOOR SCHAPEN

David bedacht een verbeterd handstuk voor de mechanische schaar. In 1909 legde hij het vast bij het octrooibureau.

Hier lopen de bronnen uiteen. De Australian Dictionary of Biography en de State Library spreken van een octrooi. AIATSIS schrijft dat hij alleen een voorlopig octrooi kreeg en geen geld had om de uitvinding volledig te beschermen. Het ontwerp werd later toch gebruikt, en hij kreeg er niets voor terug. Ook over het aantal uitvindingen verschillen ze: tien aanvragen tussen 1909 en 1944 volgens de ene bron, negentien volgens de andere. Vast staat dat hij er nooit rijk van werd en dat zijn octrooien verliepen.

Het handstuk staat nu op het biljet van vijftig dollar. Er zit iets wrangs in. Het werktuig dat hem niets opleverde, gaat nu in Australië van hand tot hand.

"AUSTRALIA'S LEONARDO"

In 1914 kwam David in de kranten met ideeën over vliegen. Hij had gekeken naar de boemerang, die draait en blijft zweven. Volgens hem kon je met die beweging een toestel bouwen dat recht omhoog kon opstijgen. De Reserve Bank schrijft dat hij daarmee de helikopter voorzag. De Australian Dictionary of Biography is voorzichtiger en zegt dat hij voorspellingen van anderen herhaalde, over vliegen en over gepolariseerd licht. Hoe dan ook, de publiciteit maakte hem bekend. Kranten noemden hem een zwart genie. De Reserve Bank schrijft dat hij bekend werd als “Australia’s Leonardo”.

Het compliment had twee kanten. Een Aboriginal man die over natuurkunde sprak, paste niet in het beeld dat veel blanke Australiërs van zijn volk hadden. De Australian Dictionary of Biography schrijft dat zijn faam, zijn beschaafde manier van doen en zijn zorgvuldige Engels de vooroordelen van zijn tijd in de war brachten. Hij werd bewonderd als uitzondering. Of zijn volk daar beter van werd, was een andere vraag.

Hijzelf rookte niet en dronk geen alcohol. Hij ergerde zich eraan dat er op de missieposten zo weinig werk was voor Aboriginal mensen met een opleiding.

KIJK NAAR MIJ

In 1913 kwam David in dienst van de Aborigines’ Friends’ Association, dezelfde vereniging die de missie had gesticht. Hij haalde abonnementsgeld op en verkocht hun boekjes. Het gaf hem iets wat weinig Aboriginal mannen in die tijd hadden: hij kon reizen.

Dat deed hij ongeveer vijftig jaar lang. Hij sprak in kerken en kathedralen van verschillende kerkgenootschappen in het zuidoosten van Australië, onder meer in Zuid-Australië en Victoria. Volgens John Harris, die over de eerste Aboriginal evangelisten schreef, preekte hij in het Ngarrindjeri als zijn publiek Aboriginal was, en in het Engels als het blank was. Hij kende grote delen van de King James-Bijbel uit zijn hoofd. Zijn preken zaten vol bijbelse verwijzingen.

Hij had een vaste zin. Hij wees naar zichzelf en zei: “Kijk naar mij en je ziet wat de Bijbel kan doen.” Zo staat het, vrij vertaald, in de Australian Dictionary of Biography. Volgens de historicus Billy Griffiths gebruikte hij die zin vooral in lezingen voor de anglicaanse kerk.

Ik moet eerlijk zeggen dat die zin bij mij gemengde gevoelens oproept. Hij klinkt als een getuigenis, en dat was het ook. Maar hij past ook in een boodschap van aanpassing: kijk eens hoe ver een Aboriginal man kan komen als hij leeft zoals de blanke kerk het hem leerde. De Australian Dictionary of Biography schrijft dat David de opvatting van de zendingsvereniging deelde dat Aboriginal mensen via onderwijs hun weg moesten vinden in de Europese samenleving. In een pamflet uit 1954 noemde hij zichzelf “een product van zendingswerk”, vrij vertaald naar Griffiths.

Was dat onderwerping of overtuiging? Historici zijn het er niet over eens. Ik denk dat het allebei kan, in één mens. Hij geloofde in Christus. Hij leefde in een land dat zijn volk klein hield. En hij zocht in die werkelijkheid een plek om te staan en te spreken.

EEN MANUSCRIPT DAT VAN NAAM WISSELDE

In 1924 verscheen zijn eerste artikel in een krant in Sydney. In 1924 en 1925 reisde hij door het zuiden en het midden van Australië en verzamelde hij verhalen en legenden van verschillende Aboriginal volken. De meeste kwamen van de Ngarrindjeri. Hij schreef ze op in het sierlijke Engels van zijn tijd, met verwijzingen naar de Bijbel en de klassieke schrijvers. Griffiths beschrijft hoe hij in die verhalen een Grote Geest neerzette als een figuur die op God leek, en een kraai liet optreden zoals de slang in het paradijs. David zag overeenkomsten tussen de verhalen van zijn volk en de Bijbel, en hij wilde dat blanke lezers die ook zagen.

In het voorwoord schreef hij dat hij als lid van zijn volk de eerste schrijver mocht heten. Hij voegde eraan toe: “maar hopelijk niet de laatste”, vrij vertaald naar het museum van de Reserve Bank.

Het manuscript kreeg de titel Legendary Tales of the Australian Aborigines. Hij verkocht het aan uitgeverij Angus & Robertson. Toen het contact tussen hem en de uitgever verliep, kocht William Ramsay Smith, een arts uit Adelaide, het manuscript. In 1930 verscheen het in Londen als Myths and Legends of the Australian Aboriginals, onder de naam van Ramsay Smith. David werd niet genoemd. Volgens Griffiths haalde Ramsay Smith ook Davids eigen uitleg en stem uit de tekst.

Het duurde tot 2001 voor het boek onder Davids naam en met zijn eigen titel verscheen, bezorgd door Stephen Muecke en Adam Shoemaker. Tussen het schrijven en die uitgave lagen ongeveer vijfenzeventig jaar.

Wel verschenen er in zijn leven kleinere boekjes onder zijn eigen naam, betaald door de zendingsvereniging: Hungarrda in 1927, Kinie Ger, the Native Cat in 1928 en Native Legends in 1929. Die verkocht hij op zijn reizen. Hij wordt gezien als de eerste Aboriginal schrijver die in het Engels werd uitgegeven.

EEN RAAD IN PLAATS VAN EEN BESCHERMER

Om te begrijpen waar David voor pleitte, moet je weten hoe de wet in Zuid-Australië met zijn volk omging. Sinds de Aborigines Act van 1911 was de Chief Protector of Aboriginals, de hoofdbeschermer, de wettelijke voogd van elk Aboriginal kind tot eenentwintig jaar. Dat gold ook als de ouders nog leefden. Hij kon mensen verplichten in een reservaat of een instelling te blijven en hen overplaatsen. Wie weigerde, overtrad de wet. Vanaf 1916 nam de regering ook het bestuur van Point McLeay over.

David sprak zich hierover uit. In 1912 leidde hij een delegatie die vroeg om overheidsbeheer van de missie. In 1913 en in 1926 legde hij verklaringen af voor een koninklijke onderzoekscommissie naar de behandeling van Aboriginal Australiërs. In 1928 en 1929 hielp hij J.W. Bleakley bij een onderzoek naar hun omstandigheden. In 1934 vroeg hij de federale regering om de zorg voor Aboriginal zaken over te nemen. Hij stelde voor de hoofdbeschermer in Zuid-Australië te vervangen door een onafhankelijke raad. Volgens de State Library maakten zijn opvattingen over landrechten hem bij de regeringen van die tijd niet geliefd.

In 1939 werd de hoofdbeschermer inderdaad vervangen door een raad, de Aborigines Protection Board. Of David daar invloed op had, weet ik niet. Met die wet kwam er ook een regeling waarbij een Aboriginal persoon voor de wet kon ophouden Aboriginal te zijn, als de raad hem daarvoor geschikt vond. Het laat zien hoe smal de weg was waarop hij liep.

In 1925 probeerde de predikant John H. Sexton een baan voor hem te regelen bij het museum in Adelaide. Het kwam er niet van.

TE VOET NAAR ADELAIDE

David werd oud. Zijn vrouw was in 1928 overleden. Hij bleef preken. Op hoge leeftijd liep hij naar Adelaide en naar de dorpen op het platteland van Zuid-Australië om te spreken. De Australian Dictionary of Biography schrijft dat hem daarbij vaak onderdak werd geweigerd vanwege zijn ras. Harris voegt eraan toe dat de politie hem soms vasthield.

In 1953 kreeg hij de Coronation Medal, een onderscheiding bij de kroning van koningin Elizabeth II. Hij was toen tachtig. Een man die door de Kroon werd geëerd, kreeg in zijn eigen land vaak geen bed om in te slapen.

Hij schreef nog twee kleine terugblikken op zijn leven, My Life Story in 1951 en Leaves of Memory in 1953. Op zijn zevenentachtigste preekte hij nog. In zijn laatste jaren was hij ervan overtuigd dat hij dicht bij het geheim van de perpetuum mobile was.

Op 7 februari 1967 overleed David Unaipon in het ziekenhuis van Tailem Bend, vierennegentig jaar oud. Hij werd begraven op de begraafplaats van Point McLeay, het dorp waar zijn vader met een boot langs de kampen voer.

EEN ZWARTE ZWAAN OP HET BILJET

Na zijn dood groeide zijn naam. In 1985 kreeg hij postuum een prijs van de Fellowship of Australian Writers. In 1988 kwam er een literaire prijs op zijn naam, de David Unaipon Award, voor Aboriginal en Torres Strait Islander schrijvers die nog niet gepubliceerd hebben. Zo ging zijn wens uit dat voorwoord toch in vervulling: hij was niet de laatste.

In 1974 kreeg zijn volk het bestuur over Point McLeay terug. In 1982 kreeg het dorp zijn oude naam, Raukkan.

Op 18 oktober 2018 kwam er een nieuw biljet van vijftig dollar. Zijn portret bleef, gemaakt naar dezelfde foto’s als in 1995. Het ontwerp werd dit keer samen met de Ngarrindjeri gemaakt. Volgens het christelijke blad Eternity staat nu ook de kerk van Raukkan erop. Er staan schilden van zijn volk op uit de jaren vijftig van de negentiende eeuw. Er staan verwijzingen op naar gebruiken waarover hij schreef. In heel kleine letters staan stukjes tekst uit zijn eigen Legendary Tales, het boek dat ooit onder de naam van een ander verscheen. En er staat een zwarte zwaan op, zijn ngaitji, het dier dat bij hem hoorde.

Ik heb dat biljet nooit in mijn hand gehad. Maar ik zie het voor me: een plastic kaart die in Australië van kassa naar portemonnee gaat. Een gezicht, een schapenschaar, een kleine kerk aan een meer. En ergens in de microprint, te klein om zonder vergrootglas te lezen, de woorden van een man die ooit hoopte dat hij niet de laatste zou zijn.

Dossier

Wat vaststaat en wat verteld wordt

Vaststaat (meerdere onafhankelijke bronnen): geboorte op 28 september 1872 in Point McLeay (Raukkan); ouders James Ngunaitponi, de eerste christen en evangelist van de missie, en Nymbulda; stichting van de missie in 1859 door de Aborigines’ Friends’ Association met George Taplin als eerste leider; terugkeer naar de missie in 1890; huwelijk met Katherine Carter op 4 januari 1902; uitvinding van het scheerhandstuk in 1909 en latere octrooiaanvragen tot 1944; dienstverband bij de Aborigines’ Friends’ Association vanaf 1913; jarenlang preken in kerken van verschillende richting; de uitspraak over de Bijbel; verzamelen van legenden in 1924-1925 en publicatie ervan door Ramsay Smith in 1930 zonder naamsvermelding; de boekjes van 1927 tot 1929; getuigenissen voor koninklijke commissies (1913, 1926), hulp bij het onderzoek van Bleakley en het pleidooi van 1934; geweigerd onderdak op zijn reizen; Coronation Medal (1953); overlijden op 7 februari 1967 in Tailem Bend; de biljetten van 1995 en 2018.

Alleen uit eigen getuigenis of latere overlevering: zijn angst als kind voor de liederen over het bloed van Jezus en zijn dankbaarheid voor het voorbeeld van zijn vader (uit zijn eigen terugblik, via AIATSIS).

Onbevestigd of tegenstrijdig in de bronnen: het jaar waarin hij naar C.B. Young vertrok (1885 of 1887); of hij in 1909 een volledig of alleen een voorlopig octrooi kreeg, en of het om tien of negentien uitvindingen ging; of hij de helikopter zelf voorzag of ideeën van anderen herhaalde; zijn geboortejaar (één bron noemt de late jaren zeventig). Verhalen over een boete wegens landloperij in 1926 en over zijn afwijzing van de Day of Mourning in 1938 heb ik niet in een geopende primaire bron kunnen controleren en zijn daarom weggelaten.

Duiding: of zijn nadruk op aanpassing aan de Europese samenleving overtuiging was of een manier om te overleven in een systeem dat zijn volk klein hield, is onder historici omstreden.

Bronnen bij dit hoofdstuk

  1. Australian Dictionary of Biography, Philip Jones, “Unaipon, David (1872-1967)”
  2. Australian Dictionary of Biography, “Unaipon, James (1835-1907)”
  3. AIATSIS, “A brilliant Australian: David Ngunaitponi (Unaipon)”
  4. Reserve Bank of Australia, “$50 Banknote”
  5. Reserve Bank of Australia, mediabericht 2018, “$50 Design Reveal”
  6. RBA Museum, “First Nations Peoples and Australian Banknotes: Innovation”
  7. State Library of South Australia, gids David Unaipon
  8. State Library of South Australia, SA Memory, “David Unaipon”
  9. State Library of South Australia, gids Point McLeay Mission
  10. State Records of South Australia, “David Unaipon, the man on the $50 note”
  11. National Portrait Gallery, “David Unaipon”
  12. Reading Australia, Billy Griffiths, “Legendary Tales of the Australian Aborigines”
  13. Eternity, John Harris, “The first Aboriginal evangelists”
  14. Eternity, “New $50 note keeps face of evangelist David Unaipon and the little Raukkan Church”
  15. Australian Human Rights Commission, Bringing Them Home, bijlage 6: Zuid-Australië
Liever het hele boek?PDF downloadenE-book (EPUB)Over dit deel