Op 6 februari 1909, zo dateert een karmelitisch artikel het, kwam er bij Ikili, in het hart van Congo, een jonge man uit het bos. Hij kon nauwelijks lopen. Twee mannen uit de omgeving, Iyongo en Moya Mputsu, hadden hem verborgen gehouden en brachten hem naar een Europese inspecteur van de rubbermaatschappij. Die inspecteur heette Dorpinghaus. Hij schreef later op wat hij zag. Vrij vertaald: “Ik zag een man uit het bos komen, zijn rug opengereten.” De wonden waren diep en ontstoken. Volgens het Dictionary of African Christian Biography lagen op sommige plaatsen de botten bloot.
Het scapulier dat hij altijd droeg, twee lapjes bruine stof aan koordjes, had zijn baas kort daarvoor van zijn hals gerukt. Om dat stukje stof was hij geslagen.
Hij heette Isidore Bakanja. Hij was ongeveer vierentwintig jaar oud, een huisknecht, een gewone werkman. Hij was geen priester en geen officiële catechist. Hij was nog geen drie jaar gedoopt. Zes maanden later was hij dood. In 1994 noemde paus Johannes Paulus II hem op het Sint-Pietersplein in Rome “een man van heldhaftig geloof” (vrij vertaald). Paus Franciscus zette hem in 2019 in een rij jonge heiligen waar hij jongeren in de hele wereld op wees.
Om te begrijpen waarom een lapje stof zoveel woede kon wekken, moeten we terug naar het land waar hij geboren werd.
EEN KONING DIE EEN LAND BEZAT
Isidore Bakanja werd geboren in Bokendela, een dorp in het regenwoud ten noorden van de huidige stad Mbandaka, in wat nu de Democratische Republiek Congo is. Zijn ouders heetten Iyonzwa en Inyuka. Ze hoorden bij het volk van de Boangi en waren geen christenen. Zijn geboortejaar is niet zeker. De bronnen noemen jaren tussen 1880 en 1890. Het Dictionary of African Christian Biography houdt het op 1885, het Vaticaan op ongeveer 1887.
Het land waarin hij opgroeide, had een vreemde status. Op de Berlijnse conferentie van 1884 en 1885 erkenden de Europese mogendheden de aanspraken van de Belgische koning Leopold II op het enorme stroomgebied van de Congo. Het werd de Congo-Vrijstaat. De naam klinkt vrij, maar het land was het privébezit van één man. Leopold bestuurde het vanuit Brussel en is er zelf nooit geweest.
Het grootste deel van het land werd tot staatsgrond verklaard. Dorpen moesten vaste hoeveelheden rubber en ivoor leveren. Een leger, de Force Publique, dwong dat af. Wie te weinig bracht, kon worden gegeseld met de chicotte, een zweep van gedroogde nijlpaardenhuid. Vrouwen werden gegijzeld tot hun mannen genoeg rubber hadden verzameld. Soldaten hakten handen af als bewijs. De Ierse diplomaat Roger Casement reisde in 1903 door het gebied en publiceerde in februari 1904 een rapport over wat hij had gezien. Het maakte in Europa veel los.
Onder druk van buiten nam de Belgische staat het land op 15 november 1908 van de koning over. Vanaf toen heette het Belgisch-Congo. Voor Isidore Bakanja is die datum van belang. Wat hem in 1909 overkwam, gebeurde dus al onder Belgisch bestuur. Het systeem van rubbermaatschappijen met eigen agenten en eigen plantages ging na de overname door.
Een van die maatschappijen was de Société anonyme belge pour le commerce du Haut-Congo, kortweg SAB. Ze was in 1888 in Brussel opgericht. Vanaf 1893 legde ze rubberplantages aan langs de rivier de Busira, niet ver van Bakanja’s geboortedorp.
MONNIKEN UIT WESTMALLE
Rond 1904 trok de jonge Bakanja stroomafwaarts naar Mbandaka. De Belgen noemden de stad toen Coquilhatville. Hij zocht werk en vond het in de bouw, als hulpje van een metselaar.
In Mbandaka werkten missionarissen van de trappisten. Trappisten zijn monniken van de orde van de cisterciënzers, bekend om hun strenge leven van gebed en handenarbeid. Deze trappisten kwamen uit de abdij van Westmalle, bij Antwerpen.
Wie Bakanja voor het eerst over Jezus vertelde, weten we niet zeker. Een artikel van de karmeliet Patrick Mullins noemt een zekere Linganga. Het geloofsonderricht kreeg hij van de paters, volgens Mullins Gregory Van Dun en Robert Brepols. Op 6 mei 1906 werd hij gedoopt. Hij kreeg de doopnaam Isidore. Over de parochie verschillen de bronnen, en ook over de datum van zijn vormsel. Dat hij in 1906 gedoopt is, staat vast. Zijn doopregister is het oudste document over zijn leven dat we kennen.
DE ROZENKRANS EN HET SCAPULIER
De trappisten leerden de nieuwe christenen bidden met de rozenkrans en gaven hun een scapulier. Voor een protestantse lezer is dat woord misschien onbekend. Oorspronkelijk is een scapulier een lange strook stof die monniken over hun habijt dragen. Er bestaat ook een kleine vorm: twee lapjes stof, verbonden met koordjes, die je onder je kleding over je schouders draagt, een lapje op de borst en een op de rug. Het is een teken dat je bij een kloosterorde of een geloofsbroederschap hoort.
Bakanja droeg het bruine scapulier van Onze Lieve Vrouw van de Karmel, de devotie van de karmelieten. Volgens Mullins liet hij zich inschrijven in de broederschap van het scapulier. Voor hem was het een zichtbaar teken dat hij bij Christus en bij de kerk hoorde. Een rooms-katholiek zou zeggen: een sacramentale, iets wat je helpt om aan God te denken. Een protestant hoeft die vorm van vroomheid niet te delen om te begrijpen wat er gebeurde. Een jonge man wilde niet verbergen dat hij christen was.
En hij vertelde erover. Hij nam geen officiële taak in de kerk, maar hij hielp andere geloofsleerlingen en sprak met iedereen die wilde luisteren. Zo beschrijven de karmelitische bronnen hem. Paus Johannes Paulus II zei het in 1994 zo: hij was “werkelijk een catechist”, ook zonder die titel (vrij vertaald).
Hoe zou jij je geloof laten zien als je werkte op een plek waar niemand het deelde?
EEN BAAN BIJ DE RUBBER
In 1907 besloot Bakanja terug te gaan naar zijn eigen streek. Volgens het Dictionary of African Christian Biography waarschuwden vrienden hem. Hij nam toch werk aan bij de rubbermaatschappij in Busira, als huisknecht van een Europese agent die Reynders heette.
Reynders werd in 1908 overgeplaatst naar Ikili, en Bakanja ging mee. De plantage in Ikili werd geleid door een andere Belg, André Van Cauter. Van Cauter had een hekel aan het christendom en aan de missionarissen. Reynders zag het aankomen en raadde zijn knecht aan zijn geloof voor zich te houden. Bakanja deed dat niet.
Hier wil ik even iets zeggen over die Belgen. Ik wil van dit verhaal geen afrekening met een heel volk maken. Het waren Belgische monniken die Bakanja leerden bidden. Het was een Belgische plantagebaas die hem daarvoor liet slaan. En het was een Europese inspecteur die hem later uit het bos haalde. Van Cauter, zo schrijft het Dictionary of African Christian Biography, was fel tegen het christendom en ook tegen de missionarissen zelf.
“STRAKS BIDT HET HELE DORP”
Van Cauter verbood Bakanja om andere arbeiders over het geloof te vertellen. Volgens een getuige in het latere onderzoek zou hij hebben gezegd dat Bakanja de arbeiders allerlei onzin leerde. Een Ierse karmelietenpagina geeft een andere zin van hem door, vrij vertaald: “Straks bidt het hele dorp en werkt niemand meer.” Die woorden komen uit de overlevering rond de zaligverklaring. Ze zijn niet in een verslag uit 1909 bewaard. Ze passen wel bij wat vaststaat: Van Cauter wilde geen christelijke invloed op zijn plantage en hij eiste dat Bakanja zijn scapulier afdeed.
Bakanja weigerde. Van Cauter liet hem daarop een eerste keer geselen. Volgens de bronnen onderging hij het zonder zich te verzetten.
Kort daarna zag Van Cauter hem tijdens een rustpauze bidden. Hij werd woedend, rukte het scapulier van zijn hals en liet zijn opzichter hem ter plekke slaan. Over de zweep verschillen de bronnen. Het Dictionary of African Christian Biography spreekt van nijlpaardenhuid, de karmelieten van olifantenhuid. Allemaal zeggen ze dat er spijkers aan het uiteinde zaten. Over het aantal slagen verschillen ze ook. De meeste karmelitische bronnen zeggen dat de omstanders na honderd slagen ophielden met tellen. Het Dictionary noemt er meer dan tweehonderdvijftig. Een harde telling bestaat niet.
Wanneer dit precies gebeurde, is evenmin helemaal zeker. De karmelieten en de stukken van het zaligverklaringsproces noemen 2 februari 1909. Andere bronnen noemen 22 april. De datum van februari past het best bij wat volgt, want alle bronnen zeggen dat hij daarna nog ongeveer zes maanden leefde.
Volgens de karmelitische overlevering mompelde hij onder de slagen: “Mijn God, ik ga dood.” Een in 1995 gepubliceerd fragment uit het procesdossier zegt dat hij het uitschreeuwde, zo hard dat mensen die op afstand sliepen wakker werden. Hij was geen held uit een legende die niets voelde. Hij was een man die pijn had en het uitschreeuwde.
GEKETEND IN DE RUBBERLOODS
Na de tweede geseling liet Van Cauter hem in kettingen leggen. Volgens Mullins werd hij opgesloten in een ruimte van de rubberfabriek, uit het zicht. Er was een inspectie op komst. Van Cauter stuurde zijn gewonde knecht weg naar Isoko, zodat de inspecteur hem niet zou zien.
Bakanja kwam niet ver. Hij kon nauwelijks lopen en verborg zich in het bos. Daar vonden Iyongo en Moya Mputsu hem. Na een paar dagen brachten ze hem naar de inspecteur, Dorpinghaus. Volgens Mullins was dat op 6 februari 1909. Zo komen we terug bij het begin van dit hoofdstuk, bij de man die uit het bos kwam.
Dorpinghaus liet hem per boot vervoeren om zijn wonden te laten verzorgen. Hij schreef ook een verslag over wat hij had aangetroffen. Volgens Mullins bracht hij Van Cauter later voor het gerecht. In de archieven van het Centre Aequatoria in Mbandaka ligt een rapport van het parket in Coquilhatville, gedateerd 31 juli 1909, en een dossier over het proces. Het Dictionary of African Christian Biography schrijft dat Van Cauter door zijn werkgevers werd vervolgd en een gevangenisstraf kreeg. De precieze uitspraak heb ik niet zelf kunnen inzien.
“IK STERF OMDAT IK CHRISTEN BEN”
De boot stopte in Ngomb’Isongo. Daar lukte het niet om de ontsteking te stoppen. Bakanja werd verder gebracht naar Busira, waar een Congolese catechist voor hem zorgde. Een fragment uit het procesdossier zegt dat zijn wonden overgingen in zweren met koudvuur. De medicijnen in Isongo en Busira hielpen niet.
Aan bezoekers vroeg hij iets door te geven, aan zijn moeder, aan de rechter of aan een priester. Vrij vertaald: “Zeg hun dat ik sterf omdat ik christen ben.” Aan de missionarissen legde hij uit waarom hij geslagen was. De blanke hield niet van christenen, zei hij. Hij had tegen hem geschreeuwd als hij bad, en hij wilde niet dat hij het scapulier droeg.
Die zinnen komen uit de verklaringen die getuigen jaren later aflegden, toen de kerk onderzoek deed naar zijn leven. Ze zijn op heel veel plaatsen overgeleverd, maar het blijven woorden die via anderen tot ons komen.
TWEE MONNIKEN BIJ EEN STERVENDE KNECHT
Op 24 en 25 juli 1909 kwamen twee trappisten bij hem langs. Ze gaven hem de laatste sacramenten: de biecht en de ziekenzalving, het gebed met olie voor wie ernstig ziek is. Een van hen noemt Mullins pater Grégoire.
De missionarissen drongen er bij hem op aan om voor Van Cauter te bidden. Het antwoord dat bewaard is gebleven, luidt vrij vertaald: “Zeker zal ik voor hem bidden. Als ik in de hemel ben, zal ik veel voor hem bidden.” Een andere zin die de karmelieten doorgeven, klinkt nuchterder, bijna droog: “De blanke heeft mij geslagen, dat is zijn zaak.” Het oordeel liet hij over aan God.
Ik lees die twee zinnen naast elkaar en ik vind ze allebei waar klinken. Hij doet niet alsof er niets gebeurd is. Hij noemt het wat het was. En hij weigert er de rest van zijn leven aan te geven. Ken jij iemand van wie je nooit een excuus zult krijgen? Bakanja kreeg het ook niet.
Hij stierf op 15 augustus 1909 in Busira. Sommige bronnen houden 8 augustus open, maar de meeste noemen de vijftiende, de dag waarop de rooms-katholieke kerk de tenhemelopneming van Maria viert. Hij had de rozenkrans in zijn hand en het scapulier om. Hij was ruim drie jaar gedoopt.
EEN GRAF IN BOKOTE
Na zijn dood bleef zijn naam rondgaan. In augustus 1913 begon een kerkelijk onderzoek, zo blijkt uit het archief van Aequatoria. Op 7 juni 1917 werd zijn stoffelijk overschot opgegraven en herbegraven bij de parochie van de Onbevlekte Ontvangenis in Bokote, een missiepost in dezelfde streek.
Daarna werd het lang stil. Volgens Mullins sprak paus Johannes Paulus II in 1980, tijdens een reis door Afrika, al met lof over hem. Het land heette toen Zaïre. Dezelfde paus zou hem veertien jaar later zalig verklaren.
WAT EEN ZALIGVERKLARING IS
Voor lezers uit een protestantse traditie eerst een woord uitleg. In de rooms-katholieke kerk kan iemand na zijn dood officieel zalig en daarna heilig worden verklaard. Bij een zaligverklaring stelt de kerk na een lang onderzoek vast dat iemand een voorbeeldig christelijk leven heeft geleid, en mag hij in een bepaalde streek of orde openlijk worden vereerd en herdacht. Heiligverklaring is de stap daarna, voor de hele wereldkerk. Bij een martelaar onderzoekt de kerk ook of iemand werkelijk om zijn geloof is gedood. Protestantse kerken kennen dit niet. Ze spreken liever van geloofsgetuigen, zoals de lange rij in Hebreeën 11.
Het onderzoek naar Bakanja ging niet zonder vragen. Uit het dossier dat de Congregatie voor de Heiligverklaringen gebruikte, publiceerde The New York Times in januari 1995 een fragment. Sommige adviseurs twijfelden of hij echt aan de wonden was gestorven, omdat hij nog een half jaar leefde. Misschien had hij ook een ziekte gehad, schreven ze. Een adviseur vroeg zich af of de zaak de oude haat in Zaïre tegen de Belgen zou aanwakkeren. Negen theologische adviseurs stemden uiteindelijk unaniem voor. Uit de getuigenverklaringen bleek volgens hen dat hij geslagen was omdat hij christen was.
EEN ZONDAG IN APRIL
Op zondag 24 april 1994 verklaarde paus Johannes Paulus II hem zalig op het Sint-Pietersplein in Rome. In Rome vergaderden toen de bisschoppen van Afrika in een bijzondere synode. Op dezelfde dag werden twee Italiaanse vrouwen zalig verklaard, Gianna Beretta Molla en Elisabetta Canori Mora.
De paus sprak Bakanja in zijn preek rechtstreeks aan. Hij noemde hem een jonge leek uit Zaïre. Hij zei dat Bakanja gegeseld was zoals zijn Meester en dat hij zijn vervolgers had vergeven zoals zijn Meester aan het kruis. Hij noemde zijn liefde voor iedereen, zonder onderscheid van ras of maatschappelijke positie. Veel van zijn collega’s waren geen christen en hadden toch respect voor hem.
De dag ervoor had de paus pelgrims uit Zaïre ontvangen. Hij vroeg hun om, naar het voorbeeld van Bakanja, mensen van dialoog en vrede te zijn. In zijn preek noemde hij het voorbeeld van Bakanja een uitnodiging tot eensgezindheid en toenadering tussen kinderen van dezelfde hemelse Vader.
Zijn gedenkdag is 15 augustus. De karmelieten en de kerk in Afrika vieren hem op 12 augustus. In 2019 schreef paus Franciscus een brief aan jongeren, Christus vivit. Daarin noemt hij Bakanja een leek uit Congo die getuigde van zijn geloof. Het proces om hem heilig te verklaren loopt nog.
TWEE LAPJES STOF
Isidore Bakanja schreef geen boek en stichtte geen kerk. Er bestaat geen foto van hem. Wat we van hem weten, komt uit een doopregister, een paar rapporten van de koloniale overheid, en de herinneringen van mensen die hem in zijn laatste maanden zagen.
Het is weinig. Maar het is genoeg om te zien wie hij was. Een jonge Congolese werkman in een systeem dat mensen als werkvee behandelde. Hij hoefde maar één ding te doen om van de slagen af te zijn: een stukje stof van zijn hals halen. Hij deed het niet. En toen hij daarvoor bijna doodgeslagen was, zei hij dat hij voor de man zou bidden die het had laten doen.
Hij stierf in Busira, aan de rivier waarlangs de rubberplantages lagen. Hij stierf met een rozenkrans in zijn hand. En om zijn hals hing weer het scapulier, twee lapjes bruine stof.
Wat vaststaat en wat verteld wordt
Vaststaat (meerdere onafhankelijke bronnen): geboorte in Bokendela bij Mbandaka, rond 1885 (jaar onzeker); werk als hulpmetselaar in Mbandaka (Coquilhatville); onderricht door trappisten uit Westmalle; doop op 6 mei 1906; werk als huisknecht bij agent Reynders van een Belgische rubbermaatschappij in Busira en Ikili; het verbod van plantagebaas Van Cauter op het geloof en het scapulier; de twee geselingen in 1909; het vinden door inspecteur Dorpinghaus; de laatste sacramenten door twee trappisten eind juli 1909; overlijden in augustus 1909; een gerechtelijk dossier tegen Van Cauter; herbegrafenis in Bokote in 1917; zaligverklaring op 24 april 1994 op het Sint-Pietersplein; vermelding in Christus vivit (2019). De koloniale context (Congo-Vrijstaat vanaf 1885, rubberregime, Casement-rapport 1904, Belgische overname op 15 november 1908) is algemeen bevestigd.
Alleen uit eigen getuigenis of latere overlevering: zijn uitspraken op het ziekbed (“ik sterf omdat ik christen ben”, het gebed voor zijn vervolger, “dat is zijn zaak”) en zijn woorden onder de zweep komen uit getuigenverklaringen in het zaligverklaringsproces en uit karmelitische bronnen; de uitspraken van Van Cauter over het bidden; het citaat van Dorpinghaus (alleen in een devotioneel artikel gevonden); de namen Linganga, Iyongo en Moya Mputsu en de priesternamen (alleen in één karmelitisch artikel).
Onbevestigd of betwist: de datum van de mishandeling (2 februari of 22 april 1909); het aantal slagen (meer dan honderd of meer dan tweehonderdvijftig) en het soort zweep; de sterfdatum (15 of 8 augustus); zijn geboortejaar (1880 tot 1890); de parochie van zijn doop en de datum van vormsel en eerste communie; de hoogte en het jaar van de straf voor Van Cauter.
Duiding: het Dictionary of African Christian Biography plaatst de gebeurtenissen in de Congo-Vrijstaat, maar in 1909 was Congo al Belgisch-Congo. De vraag of hij aan zijn wonden of mede aan een ziekte stierf, is in het proces zelf gesteld; de kerk erkende hem als martelaar.
Bronnen bij dit hoofdstuk
- Dictionary of African Christian Biography, “Bakanja, Isidore” (Aylward Shorter)
- Johannes Paulus II, homilie bij de zaligverklaring, 24 april 1994 (vatican.va)
- Johannes Paulus II, toespraak tot pelgrims uit Zaïre, 23 april 1994 (vatican.va)
- Dicasterie voor de Heiligverklaringen, “Isidore Bakanja”
- Franciscus, Christus vivit (2019), par. 59
- Patrick Mullins O.Carm., “The Christian Testimony of Bl. Isidore Bakanja”, DARE
- Karmelieten (ocarm.org), “Bl. Isidore Bakanja, martyr”
- Karmelieten (ocarm.org), “Feast of Isidore Bakanja, martyr to the scapular devotion”
- EWTN, “Bl. Isidore Bakanja”
- Irish Carmelites, “Blessed Isidor Bakanja”
- National Shrine of Saint Jude, 30 jaar zaligverklaring
- Aleteia, 8 april 2018
- Fragment uit The New York Times, 29 januari 1995 (Carmelite Quotes)
- Centre Aequatoria, catalogus Fonds Isidore Bakanja
- National Museum of Ireland, “Casement in the Congo Free State”
- Wikipedia, “Congo Free State”
- Wikipedia, “Société anonyme belge pour le commerce du Haut-Congo”
- Wikipedia, “Isidore Bakanja”
- Britannica, “Scapular”