Uit allevolken

Deel 3 · Uit alle volken · Hoofdstuk 5

Francisco Olazábal

de Azteek die zijn eigen kerk begon

1886-1937Mexico en Texas

In 1923 stapte een Mexicaanse predikant uit een Amerikaans pinksterkerkgenootschap. Hij heette Francisco Olazábal. Zeven jaar eerder was hij bij de Assemblies of God geordend, een jonge Amerikaanse pinksterkerk die ook onder Mexicanen werkte. Nu ging hij weg. Zijn reden vatte hij samen in één korte zin, die de historicus Gastón Espinosa later optekende: “De gringo’s hebben de controle” (vrij vertaald). Gringo is in Mexico het woord voor een witte Amerikaan.

Het was geen ruzie om leerstellingen. Olazábal bleef geloven wat hij geloofde: dat de Heilige Geest ook vandaag mensen vervult, en dat God ook vandaag geneest. De vraag was wie de Spaanstalige gemeenten zou leiden. Een witte zendeling, of de Mexicanen zelf?

Nog datzelfde jaar begon hij iets nieuws. Uit die stap groeide het Concilio Latino Americano de Iglesias Cristianas, volgens de bronnen het eerste zelfstandige kerkgenootschap van Latijns-Amerikaanse protestanten in de Verenigde Staten. De man die het stichtte, zou de jaren daarna door Texas, Californië, Chicago, New York, Mexico en Puerto Rico trekken. Zijn volgelingen noemden hem El Azteca, de Azteek.

Om te begrijpen waarom die ene zin zoveel gewicht had, moeten we terug naar een moeder in een Mexicaanse havenstad.

EEN MOEDER IN MAZATLÁN

Francisco Olazábal werd op 12 oktober 1886 geboren in El Venado, in de staat Sinaloa, aan de westkust van Mexico. Die datum en die plaats komen uit de naslagwerken die steunen op het onderzoek van Espinosa.

Mexico was in die jaren een rooms-katholiek land. Er waren protestantse zendingen, onder meer van Amerikaanse methodisten, maar ze waren klein. Wie overstapte, viel op.

In 1898 deed zijn moeder, Refugio Velázquez, precies dat. In Mazatlán, de havenstad van Sinaloa, werd ze methodist. Volgens het verslag van het Christian History Institute werd ze zelfs evangelist, een vrouw die rondtrok om over Jezus te vertellen. Zijn vader, Juan Olazábal, verliet daarna het gezin. Twee onafhankelijke bronnen vertellen dat hij wegging nadat zijn vrouw protestant was geworden. Wat er precies tussen hen gebeurde, staat er niet bij.

Francisco was toen elf of twaalf. Hij groeide op bij een moeder die haar geloof had betaald met haar huwelijk.

Ik blijf bij dat detail hangen. We kennen geen woord dat zij zei, geen brief, geen foto. We weten alleen dat ze koos, en dat haar zoon dertig jaar lang zou preken in de taal waarin zij het evangelie had gehoord.

ZESTIEN JAAR, OP WEG NAAR ZEE

In 1902 ging Francisco naar San Francisco, in Californië. Hij was zestien en wilde, zo schrijft het Christian History Institute, het leven van een zeeman leiden. Hij logeerde bij familie.

In San Francisco kwam hij in aanraking met George en Carrie Judd Montgomery. Carrie Judd Montgomery was in die tijd een bekende Amerikaanse prediker over goddelijke genezing. Zij en haar man brachten de jongen ertoe zijn leven opnieuw aan Christus te geven. Opnieuw, want hij was via zijn moeder al met het geloof opgegroeid.

Hij ging niet naar zee. Hij ging terug naar Mexico, en terug naar de methodistenkerk.

Wat er in die maanden in hem omging, weten we niet. Er is geen dagboek, geen eigen verslag dat ik heb kunnen inzien. Wat vaststaat, is de richting. Een jongen die weg wilde, kwam terug.

BIJBELS VERKOPEN IN EEN LAND IN ONRUST

Van 1908 tot 1910 studeerde Olazábal aan de wesleyaanse theologische school in San Luis Potosí, een opleiding van de methodisten in het hart van Mexico. Daarna verkocht hij een tijd Bijbels in zijn land, als colporteur. Dat laatste noemt alleen het Christian History Institute.

In 1910 brak de Mexicaanse Revolutie uit. Tien jaar lang vochten legers en rebellen om de macht. Volgens de Assemblies of God trokken in die jaren meer dan een miljoen Mexicanen als vluchteling naar de Verenigde Staten. Velen kwamen terecht in kampen langs de grens, waar ziekte heerste.

Olazábal ging dezelfde kant op. In 1911 werd hij predikant van een Spaanstalige methodistengemeente in El Paso, de Texaanse stad tegenover het Mexicaanse Ciudad Juárez. Hij emigreerde naar de Verenigde Staten. Zijn gemeente sprak Spaans, net als hij.

EEN SEMESTER BIJ TORREY

In datzelfde jaar 1911 volgde hij één semester aan het Moody Bible Institute in Chicago. Daar kwam hij onder het gehoor van Reuben A. Torrey, een van de bekendste Amerikaanse predikers en Bijbelleraren van die tijd.

Torrey leerde dat de doop in de Heilige Geest een aparte ervaring is, na de bekering, die elke christen nodig heeft. Volgens de Engelse naslag op basis van Espinosa wees Olazábal dat toen af. Hij was een methodist, en zo had hij het niet geleerd.

Torrey zag iets in hem. Hij nodigde hem uit naar Los Angeles, om onder Spaanstaligen te evangeliseren voor de Church of the Open Door, de grote kerk waar Torrey toen werkte. Daarna was Olazábal voorganger en evangelist in Pasadena en in de omgeving van San Francisco.

In 1914 trouwde hij met Macrina Orozco. Ze kenden elkaar al van jongs af. Meer dan haar naam en het jaar van het huwelijk heb ik over haar niet gevonden, ook niet of ze kinderen kregen.

TWEE WIJDINGEN IN ÉÉN JAAR

Het jaar 1916 is het scharnier van zijn leven. In dat jaar wijdde bisschop A. W. Leonard hem tot methodistenpredikant. Na jaren werk in de methodistenkerk was hij nu ook officieel predikant.

En in hetzelfde jaar liet hij die kerk achter zich.

George en Carrie Judd Montgomery, het echtpaar dat hem in 1902 in San Francisco tot keuze had gebracht, waren intussen pinkstergelovigen geworden. Dat gebeurde in de jaren na de opwekking in de Azusa Street in Los Angeles, waar vanaf 1906 de moderne pinksterbeweging ontstond. Pinkstergelovigen leerden wat Torrey ook leerde, de doop in de Geest als aparte ervaring, en ze zagen het spreken in tongen als teken daarvan. De Montgomerys moedigden Olazábal aan dezelfde stap te zetten. Dat deed hij. Efraim Espinoza, die bij de Assemblies of God het Spaanstalige werk coördineerde, schrijft dat hij in hun huis in Californië de doop in de Geest ontving, en noemt daarvoor 1917. De andere bronnen houden 1916 aan.

Hij verliet de methodisten om, zoals de Engelse bronnen het noemen, het “volle evangelie” te preken: bekering, de doop in de Geest, genezing en de verwachting van Jezus’ terugkomst. Op 24 september 1916 werd hij geordend door de General Council van de Assemblies of God.

Eén naslagwerk noemt ook een ordinatie op 14 februari 1918, door Robert J. Craig. Hoe die twee data zich tot elkaar verhouden, kon ik niet nagaan.

Wat beweegt iemand om in één jaar een wijding te ontvangen en dan toch een andere kerk te kiezen? Olazábal heeft daar, voor zover ik kon nagaan, geen eigen verslag over nagelaten. Heb jij ooit iets losgelaten op het moment dat je het eindelijk in handen had?

“DE GRINGO’S HEBBEN DE CONTROLE”

Binnen de Assemblies of God kwam Olazábal terecht in een werk dat volop in beweging was. De Amerikaanse zendeling Henry C. Ball, eerst methodist en daarna pinkstergelovig, begon volgens Espinosa in 1915 het Latijnse werk van de kerk. Volgens de Assemblies of God zelf richtte Ball in 1918 samen met de Mexicaanse leidster Isabel Flores de Latijns-Amerikaanse Conferentie op, die de Mexicaanse pinkstergemeenten bij de kerk bracht. Met de Engelse zendelinge Alice Luce gaf Ball een blad en een liedboek in het Spaans uit.

Het grensgebied van Texas was in die jaren hard. In 1922 schreef Ball in het blad van de kerk over een Mexicaanse gemeente bij Edna, waar ook zwarte Amerikanen meezongen in het Spaans. Een witte man kon daar nauwelijks preken, schreef hij, vanwege de rassenwetten. Dat waren de wetten in het zuiden van de VS die witte en zwarte mensen gescheiden hielden.

In die wereld werkte Olazábal als evangelist in Los Angeles, El Paso en verder door Texas. In 1920 begon hij in El Paso de missie Buenas Nuevas, Goed Nieuws. In 1922 stichtte hij er een Bijbelschool. Hij was lang en fors, schrijft Espinosa, en hij trok mensen.

Toen kwam de botsing. Volgens Espinosa ging het tussen Olazábal, Ball en de witte leiding van de Assemblies of God om de vraag wie de Latijnse gemeenten in Zuid-Texas zou leiden, en om de vorming van een eigen Latijns district. Espinosa beschrijft Balls houding tegenover Mexicanen als koppig en betuttelend, en noemt die houding een oorzaak van een grote scheuring. In haar bespreking van zijn boek schrijft Angela Tarango dat Espinosa de beweegredenen aan alle kanten uitlegt.

Dat wil ik ook doen. Ball had het Spaanstalige werk met veel inzet opgebouwd, in een tijd waarin weinig witte Amerikanen naar Mexicanen omkeken. Olazábal zag dat Mexicaanse leiders onder toezicht bleven staan, ook als ze het werk zelf droegen. Beide dingen kunnen waar zijn.

In 1923 vertrok hij, met de zin waarmee dit hoofdstuk begon.

EEN KERK ZONDER VOOGD

Nog in 1923 stichtte Olazábal de Interdenominational Mexican Council of Christian Churches. Volgens Efraim Espinoza gebeurde dat in Houston, samen met andere predikanten. Later kreeg die de naam Concilio Latino Americano de Iglesias Cristianas, het Latijns-Amerikaanse Concilie van Christelijke Kerken. Zowel het Christian History Institute als de naslag op basis van Espinosa noemen het het eerste zelfstandige Latijns-Amerikaanse kerkgenootschap van protestanten in de Verenigde Staten. Een kerk dus die Latino’s zelf bestuurden, zonder Amerikaanse moederkerk erboven.

In Los Angeles kwam Olazábal in contact met Aimee Semple McPherson, de bekendste vrouwelijke evangelist van Amerika in die jaren en stichter van de Foursquare-kerk. Volgens de Engelse naslag noemde zij hem de “Mexicaanse Billy Sunday”, naar een beroemde Amerikaanse opwekkingsprediker. In maart 1927 bezocht hij met zijn gemeente haar Angelus Temple. Die details komen uit één naslagwerk.

Wat beter vaststaat, is wat daarna gebeurde. McPherson stelde voor het Concilio op te laten gaan in haar kerk. Het Concilio zei nee. Twee bronnen vermelden dat. De man die was weggegaan omdat anderen de controle hadden, gaf die nu niet uit handen, ook niet aan een bewonderaar.

“ZE HADDEN ER HONGER NAAR”

Zijn werk in Mexico zelf begon met een uitnodiging. Volgens het Christian History Institute, dat steunt op een Amerikaans biografisch naslagwerk uit 1938, nodigde een Mexicaanse predikant hem uit om te preken in een grote kerk in Mexico-Stad. Op de eerste avond kwamen er ongeveer vijftienhonderd mensen. Aan het eind van de week zat de kerk elke avond vol met ongeveer vierenhalfduizend.

Olazábal zei er later over: “Ze hadden er honger naar!” (vrij vertaald).

Een jaartal van die campagne staat er niet bij. De aantallen komen uit een bron die kort na zijn dood verscheen en die vermoedelijk op zijn eigen kring steunt. Ik geef ze door zoals ze daar staan, met die kanttekening.

Ik vind die korte uitroep veelzeggend. Hij zei niet hoe goed hij gepreekt had. Hij zei iets over de mensen die kwamen.

VAN CHICAGO TOT SPANISH HARLEM

Vanaf het eind van de jaren twintig trok Olazábal met grote evangelisatie- en genezingscampagnes door de Spaanstalige wijken van Amerika. Die wijken heten in de VS barrio’s. Espinosa noemt Los Angeles, El Paso, Chicago, New York en Puerto Rico. Het Christian History Institute voegt San Antonio en Mexico-Stad toe.

In 1929 hield hij een genezingscampagne in Chicago. In 1931 volgde New York, in Spanish Harlem, een wijk in Manhattan waar veel Puerto Ricanen woonden. Volgens de Engelse naslag op basis van Espinosa kwamen er meer dan honderdduizend mensen op af, en waren er ook diensten in een baptistenkerk in Brooklyn. Dat aantal heb ik in geen tweede bron teruggevonden. Het is een schatting van bezoekers over een hele campagne, geen telling van bekeerlingen.

En de genezingen? Ze waren het hart van zijn campagnes. Espinosa schreef zijn eerste grote artikel over Olazábal met genezing al in de titel. Maar in de bronnen die ik kon openen, staat geen enkel concreet genezingsverhaal met een naam, een datum en een getuige. Ik vertel er hier dus geen. Wie ze wil lezen, moet bij het werk van Espinosa zijn.

Volgens het naslagwerk uit 1938 stichtte Olazábal in Texas tachtig kerken. Ook dat getal komt uit één bron. Efraim Espinoza noemt voor zijn hele beweging aan het eind van de jaren dertig vijftig kerken en naar schatting vijftigduizend aanhangers.

EEN EILAND DAT AMERIKAANS WAS GEWORDEN

Puerto Rico was sinds 1898 een gebied van de Verenigde Staten, een eiland met Spaanstalige bewoners onder Amerikaans bestuur. Ook daar was in de jaren dertig een pinksteropwekking gaande, onder meer in 1933 in Bayamón.

Zijn campagne heette “Puerto Rico para Cristo”, Puerto Rico voor Christus. Over het jaar zijn de bronnen het niet eens. Een artikel van het Hispanic Theological Initiative noemt 1934. De Engelse naslag noemt 1936 en schrijft dat de campagne als mislukt gold. Het Christian History Institute meldt, met het woord “naar verluidt”, twintigduizend bekeerlingen en dertig nieuwe kerken.

Twintigduizend bekeerlingen of een mislukking. Die twee berichten passen slecht bij elkaar. Misschien gaat het om twee verschillende campagnes, misschien om twee manieren van tellen. Ik kan het niet beslissen, en ik laat het daarom open. Wat wel blijft hangen, is een familieherinnering. De schrijfster van dat artikel hoorde haar tante vertellen over genezingsbijeenkomsten op het eiland in de jaren dertig, en zag daarin de campagnes van Olazábal terug.

EEN WEG IN ZUID-TEXAS

In 1936 zocht Olazábal opnieuw aansluiting bij een grotere kerk. Op 10 september van dat jaar kondigde hij aan dat hij zich wilde verbinden met de Church of God van A. J. Tomlinson, een pinksterkerk uit Tennessee die later Church of God of Prophecy ging heten. Volgens Harold D. Hunter, die de geschiedenis van de Church of God of Prophecy beschrijft, gebeurde dat voor de voltallige jaarvergadering van die kerk. Olazábal had daar in 1932 al de jaarlijkse genezingsdienst geleid. Met hem zou een achterban van vijftigduizend Spaanstaligen meekomen. De vereniging kwam er nooit.

Hij maakte intussen plannen voor campagnes in Zuid-Amerika.

Op 1 juni 1937 raakte hij zwaargewond bij een auto-ongeluk in Texas. Twee bronnen noemen als plaats “Alice Springs, Texas”. Een plaats met die naam is in Texas niet bekend. Waarschijnlijk gaat het om het stadje Alice, in het zuiden van de staat, maar dat staat er niet. De andere bronnen houden het op Texas. Acht dagen later, op 9 juni 1937, overleed hij in het ziekenhuis aan inwendige bloedingen. Hij was vijftig jaar.

Volgens de Engelse naslag werd hij begraven op de Evergreen-begraafplaats in East Los Angeles.

DE AZTEEK EN DE BRUINE MOZES

Na zijn dood raakte Olazábal in de Engelstalige kerkgeschiedenis grotendeels uit beeld. Geschiedenissen van de Assemblies of God vertelden het Latijnse werk vooral via de witte zendelingen. Gastón Espinosa begon dat in de jaren negentig te veranderen. In 1998 schreef hij in Christian History over de “stille pinkstergelovigen”, de Latino’s die het verhaal van de pinksterbeweging mee hadden gemaakt maar er nauwelijks in voorkwamen. In 1999 volgde zijn wetenschappelijke artikel over Olazábal, met de titel El Azteca.

Espinosa werkte aan een boek met de werktitel Brown Moses, Bruine Mozes. Hij ziet in Olazábal wat de Duitse socioloog Max Weber een charismatische profeet noemde: iemand die aan de rand van een bestaande religie opstaat en er een eigen beweging tegenover zet. Volgens Espinosa helpt zijn leven verklaren waarom vandaag meer dan vijf miljoen Latino’s in de Verenigde Staten zich pinkstergelovig noemen. Dat getal komt van Espinosa, de verbinding met Olazábal is zijn duiding.

Ik wil de man niet groter maken dan de bronnen hem maken. Veel getallen rond zijn campagnes zijn niet te controleren. Van de genezingen weten we vooral dat er massaal voor gebeden werd. Over zijn huwelijk en zijn gezin weten we bijna niets. En over de breuk van 1923 hoor je in de geschiedenis twee kanten, terecht.

Wat overblijft, is een levenslijn die je wel kunt volgen. Een moeder in Mazatlán die methodist werd en daarvoor haar man verloor. Een zoon die naar zee wilde en terugkwam. Een predikant die twee keer in één jaar gewijd werd en dan een andere weg koos. Een leider die zei dat Mexicanen hun eigen kerk konden besturen, en die dat ook deed.

Hij stierf na een ongeluk op een weg in Zuid-Texas, met de campagnes in Zuid-Amerika nog in zijn plannen.

Dossier

Wat vaststaat en wat verteld wordt

Vaststaat (meerdere onafhankelijke bronnen): de overgang van zijn moeder naar het methodisme in 1898 en het vertrek van zijn vader; de reis naar San Francisco in 1902 en de rol van George en Carrie Judd Montgomery; de opleiding in San Luis Potosí; de methodistengemeente in El Paso en het semester aan het Moody Bible Institute; het werk voor Torrey in Los Angeles; de methodistische wijding door bisschop A. W. Leonard en de overgang naar de pinksterbeweging in 1916; de ordinatie door de Assemblies of God op 24 september 1916; het vertrek uit de Assemblies of God in 1923 en het conflict met Henry C. Ball en de witte leiding; de stichting van het latere Concilio Latino Americano de Iglesias Cristianas in 1923; de bijnaam El Azteca; het afgewezen fusievoorstel van Aimee Semple McPherson; campagnes in Los Angeles, El Paso, Chicago, New York en Puerto Rico; de aangekondigde aansluiting bij de Church of God van Tomlinson op 10 september 1936, die nooit werd voltooid; het auto-ongeluk op 1 juni 1937 en zijn dood acht dagen later.

Alleen uit eigen getuigenis of latere overlevering: de aantallen in Mexico-Stad (1.500 en 4.500) en zijn uitroep daarover, uit een naslagwerk van 1938; de tachtig kerken in Texas; de vijftig kerken en vijftigduizend aanhangers aan het eind van de jaren dertig (cijfers uit pinksterkerken zelf); de stichting van het Concilio in Houston en het jaar 1917 voor zijn doop in de Geest (één artikel van Efraim Espinoza); de twintigduizend bekeerlingen en dertig kerken in Puerto Rico (“naar verluidt”).

Onbevestigd: de meer dan honderdduizend bezoekers in New York in 1931 (één bron); het jaar van de campagne in Puerto Rico (1934 of 1936) en of die geslaagd of mislukt was; de tweede ordinatie op 14 februari 1918; de plaats van het ongeluk (“Alice Springs, Texas”, waarschijnlijk Alice; het Handbook of Texas kon ik niet raadplegen); de details uit één naslagwerk: geboortedatum en geboorteplaats, het huwelijk met Macrina Orozco in 1914, de naam “Mexicaanse Billy Sunday”, het bezoek aan Angelus Temple in 1927, de begraafplaats.

Duiding: concrete genezingsverhalen heb ik in de geopende bronnen niet gevonden, dus dit hoofdstuk vertelt er geen. Of de genezingen in zijn campagnes wonderen van God waren, is een geloofsvraag. Het beeld van Olazábal als charismatische profeet en zijn betekenis voor de Latino-pinksterbeweging van vandaag is de duiding van Gastón Espinosa.

Bronnen bij dit hoofdstuk

  1. Wikipedia, “Francisco Olazábal” (startpunt; steunt op Espinosa)
  2. Dan Graves, Christian History Institute, “The Holy Spirit Had Olazábal Preach to Mexicans”
  3. Gastón Espinosa, “The Silent Pentecostals”, Christian History 58 (1998)
  4. Gastón Espinosa, “El Azteca: Francisco Olazábal and Latino Pentecostal Charisma, Power, and Faith Healing in the Borderlands”, Journal of the American Academy of Religion 67/3 (1999)
  5. Louisville Institute, “Brown Moses: Francisco Olazabal and Latino Pentecostal Charisma, Power, and Faith Healing in the Borderlands”
  6. Angela Tarango, bespreking van Gastón Espinosa, Latino Pentecostals in America, The Christian Century (2015)
  7. Darrin J. Rodgers, “This Week in AG History, July 8, 1922”, AG News
  8. Isabel Gonzalez, “Cultural Memory from the Margins”, HTI Open Plaza
  9. Scott Seay, “The Spirit Poured Out on All Flesh: Stone-Campbell Missions and the Emergence of Early Global Pentecostalism”, Disciples History
  10. Efraim Espinoza, “Hispanic Pentecostalism”, Latino Leadership Circle (2006)
  11. Harold D. Hunter, “Snapshots of a Spiritual Journey Part 2”, Church of God of Prophecy
Liever het hele boek?PDF downloadenE-book (EPUB)Over dit deel