Tot inde dood

Deel 1 · Tot in de dood · Hoofdstuk 8

Frans van der Lugt

de pater die in Homs bleef

1938-2014Den Haag en Homs

Eind januari 2014 zette iemand in Homs een filmpje op YouTube. Er staat een oude man in beeld, bij wat lijkt op het altaar van een kerk. Hij is mager. Hij spreekt Arabisch, de taal van de mensen om hem heen, en hij vraagt de wereld om hulp. De oude stad van Homs was op dat moment een jaar en zeven maanden belegerd, zei hij. Het grootste probleem was honger. Daarna kwam het gebrek aan medische zorg. Er waren in de stad nog ongeveer zeventig christenen, en zij waren niet de enigen die geen eten hadden.

Eén zin uit die oproep ging de wereld rond: “Wij weigeren in Homs van honger te sterven.”

De man was Frans van der Lugt, een Nederlandse jezuïet uit Den Haag. Hij was vijfenzeventig en had bijna vijftig jaar in Syrië gewoond. Hij had er een boerderij gesticht waar mensen met een beperking werkten, en hij had duizenden jonge Syriërs door de bergen laten lopen, moslims en christenen samen. Toen de oorlog kwam, bleef hij. Twee maanden na dat filmpje was hij dood.

Het begon in een katholiek gezin met zeven kinderen.

EEN BANKIERSZOON UIT DEN HAAG

Frans van der Lugt werd in 1938 geboren in Den Haag. De gangbare opgave is 10 april, al heb ik die datum alleen in Wikipedia gevonden. Een jezuïtische bron schrijft dat hij stierf een paar dagen voor zijn zesenzeventigste verjaardag, en dat past daarbij. Hij was een van vijf zonen en twee dochters, zo staat in het in memoriam van de Nederlandse jezuïeten. Zijn vader was bankier.

Het gezin woonde later in Amsterdam. Frans ging daar naar het Sint-Ignatiuscollege, een school van de jezuïeten. Als jongeman leidde hij een vrij uitgaansleven, zo schreef hij later zelf. Hij ging de oppervlakkigheid ervan steeds meer tegenstaan.

In 1959 trad hij in bij de jezuïeten, in Grave. Het noviciaat duurde twee jaar. Daarna studeerde hij drie jaar filosofie, in het Berchmanianum in Nijmegen. Wat hem precies naar de orde trok, heb ik in de bronnen niet gevonden. Ik ga het er dus ook niet bij verzinnen.

DERTIG NEDERLANDERS NAAR HET OOSTEN

In 1964 vertrok hij naar het Midden-Oosten om Arabisch te leren. Hij was niet de enige. Ongeveer dertig Nederlandse jezuïeten gingen in die jaren naar Libanon, Syrië en Egypte, schrijft zijn medebroeder Jan Stuyt. Een van de eersten was Peter-Hans Kolvenbach, die later de wereldwijde leider van de orde zou worden.

Frans leerde Arabisch in Libanon. Hij deed er ook een snelcursus in het Libanese dialect, zodat hij snel met gewone mensen kon praten. Dat zegt al iets over hem. Hij wilde niet met een tolk tussen zichzelf en de mensen leven.

Daarna studeerde hij theologie in Lyon, aan Fourvière. Hij studeerde ook psychologie, en volgens het in memoriam psychoanalyse. In 1971 werd hij priester gewijd. Op die dag zei hij volgens zijn medebroeders: “We moeten aanvaarden dat onze handen leeg zijn.”

Een priester met lege handen. Wat zou jij met die zin doen op de dag dat je aan je levenswerk begint?

SYRIË, MAAR WANNEER PRECIES?

Hier lopen de bronnen uiteen, en ik wil dat eerlijk laten zien. Kranten en nieuwsdiensten schreven bij zijn dood dat hij sinds 1966 in Syrië woonde. Het in memoriam van de jezuïeten noemt Aleppo vanaf 1976 en Damascus van 1987 tot 1993. Jan Stuyt schrijft in een artikel uit 2019 dat Frans in 1980 naar Syrië kwam en dat hij twaalf jaar in Damascus werkte. Die jaartallen passen niet allemaal in elkaar. Waarschijnlijk kwam hij al in de jaren zestig in Syrië en vestigde hij zich er later vast, maar een sluitende tijdlijn heb ik niet kunnen maken.

Wel staat vast dat hij in 1982 in Homs zijn plechtige geloften aflegde, de laatste beloften van een jezuïet aan zijn orde. In die jaren werkte hij als pastor voor studenten. Hij gaf godsdienstles, begeleidde jongeren en religieuzen en gaf retraites. Hij schreef ook een klein boekje in het Arabisch, over mislukken en slagen.

Hij was priester, maar ook geschoold in de psychologie. Hoe hij die twee in zijn gesprekken samenbracht, vertellen de bronnen niet.

“DE TOCHT BRENGT MENSEN SAMEN”

In 1980 begon hij met iets dat zijn handtekening zou worden. Met studenten uit zijn parochie ging hij wandelen in het Jebel Ansariya, een bergketen in het westen van Syrië. Dat schreef de BBC in 2014, in een uitgebreid portret.

Die wandelingen groeiden uit tot een jaarlijkse tocht van acht dagen dwars door het land. Volgens de BBC liepen er twee- tot driehonderd jonge Syriërs mee, van verschillende geloven. Frans leidde de tocht zelf, ook toen hij al in de zeventig was. Zijn medebroeders noemen het zware, uitdagende tochten. Hij zei er zelf over: “De tocht brengt mensen samen.”

Wie acht dagen samen een berg op loopt, samen eet en samen slaapt, ziet de ander anders. Daar ging het hem om. Hij geloofde niet in gesprekken over gedeelde wortels van godsdiensten, schreef de BBC. Hij begon liever bij de ontmoeting zelf, bij mensen die moe worden en elkaar helpen.

Jaren later, in 2017, liepen ongeveer 240 mensen in Nederland een tocht ter nagedachtenis aan hem, van Helvoirt naar Nijmegen. Het waren vooral Syrische jongeren die in Europa terecht waren gekomen. Een van de organisatoren, Rasha Yousef, had in Syrië zelf met hem gelopen. Ze vertelde de NOS: “Pater Frans had een heel bijzondere geest, zat vol humor.”

De tocht duurde vier dagen, met een rustdag voor workshops. De avond voor de start was er een herdenkingsdienst in Den Bosch. Een andere jezuïet, Jan Peters, hielp bij de organisatie. Hij legde de NOS uit wat Frans met zulke tochten wilde: hij vond dat je mensen zich moest laten inspannen, tot het einde van hun krachten. Een jongen van zeventien was er speciaal voor uit Duitsland gekomen. Hij was tien toen zijn ouders uit Syrië vluchtten.

DE AARDE

In 1993 keerde hij terug naar Homs. Hij werd overste van de jezuïeten in de stad. In diezelfde jaren kreeg hij een stuk landbouwgrond, zo’n vijftien kilometer ten zuidwesten van Homs. Hij noemde het Al Ard, Arabisch voor “de aarde”.

Over de omvang verschillen de bronnen. De BBC spreekt van een paar akkers. Het in memoriam noemt een landgoed van vijftig hectare dat hij van de Syrische overheid kreeg. Zijn familie en Nederlandse vrienden steunden het werk met geld.

Op Al Ard groeiden groenten, druiven en olijven, zonder onkruidverdelgers of bestrijdingsmiddelen. Elke ochtend reed Frans met een oude Volkswagenbus langs de dorpen in de buurt. Hij haalde mensen met een beperking op en bracht ze naar de boerderij om te werken. Vanaf 2000 woonden en werkten er volgens het in memoriam veertig mensen met een verstandelijke beperking. In een land waar zulke mensen vaak binnen bleven, was dat bijzonder. De wijngaard hielp om het werk betaalbaar te houden.

Al Ard was ook een plek voor stilte. Er kwamen mensen van alle geloven voor retraites. Frans bouwde er een lichte ruimte voor meditatie en yoga. Hij mediteerde zelf elke ochtend in stilte en had zich lang verdiept in zen.

Hier wil ik even naast je komen staan. Misschien schuif je bij dat woord yoga ongemakkelijk op je stoel, of bij een priester die zei dat hij niet zoveel met godsdiensten had en vooral geloofde in de geestelijke ervaring waar geloof uit voortkomt. Zo vertelde hij het de BBC. Ik deel niet al zijn keuzes. Ik schrijf ze op omdat ze bij hem horen. Wie zijn leven alleen gladgestreken wil vertellen, vertelt het niet.

Een Belgische schrijfster, Babs Mertens, bezocht hem in 2009 op Al Ard. Ze schreef later dat hij zichzelf geen vreemdeling voelde. Hij noemde zich een “Syriër onder de Syriërs”. Het Syrische volk had hem zoveel gegeven, zei hij tegen haar.

ZEVEN FAMILIES IN ÉÉN KEUKEN

In 2011 begon de oorlog in Syrië. Medio dat jaar moest Frans Al Ard verlaten. Het werk stopte. Anderen namen de gebouwen in, en de wijngaarden werden later verwoest. Hij trok in bij het jezuïetenhuis in de oude stad van Homs, bij de kleine gemeenschap waar hij overste van was.

In april 2012 schreef hij een brief voor het Vlaamse tijdschrift Streven. Zes weken eerder, schreef hij, hadden ze zeven families in huis opgenomen, samen ongeveer veertig mensen. Ze waren één grote familie geworden en deelden één keuken. Een deel van die gasten was moslim. Voor Palmzondag maakten zij de kerk schoon. Een week later waren ze bij de paasviering.

Volgens zijn medebroeders vertrouwden de leiders van een oude moskee in de buurt hem hun eeuwenoude documenten toe. Die stukken hebben de oorlog overleefd. Dat verhaal komt alleen uit de kring van de jezuïeten.

Rond de zomer van 2012 werd de oude stad ingesloten. Er kon bijna geen voedsel meer in. De meeste inwoners vluchtten. Christenen, die in Homs ooit een grote gemeenschap vormden, vertrokken bijna allemaal. Frans bleef.

“IK ZIE IN DE EERSTE PLAATS MENSEN”

Waarom bleef hij? Hij heeft het zelf vaak uitgelegd. Hij was overste van het huis en voelde zich verantwoordelijk. Hij voelde zich thuis bij het Syrische volk. Tegen The Tablet zei hij een paar maanden voor zijn dood: “Zolang er één persoon van onze gemeenschap over is, blijf ik bij hen.”

En hij maakte geen onderscheid. In februari 2014 sprak hij met de Jezuïeten Vluchtelingendienst. Hij was toen de enige priester en de enige buitenlander in zijn deel van de stad. “Ik zie geen moslims of christenen,” zei hij. “Ik zie in de eerste plaats mensen.”

Hij bleef bij de mensen in de straten. Hij bezocht zieken, begroef doden en sprak mensen moed in, schreef Babs Mertens later. Hoe dat er per dag uitzag, weten we nauwelijks. Er waren geen camera’s. Er was vooral honger.

Op 6 februari 2014 sprak hij telefonisch met een katholiek persbureau. Er was geen eten, zei hij. Gewonden mochten de stad niet uit. Pasgeboren kinderen stierven snel, omdat er geen melk was. Er waren mensen van honger gestorven.

Kort daarna kwam er een tijdelijk bestand. De Verenigde Naties en de Rode Halve Maan haalden in februari ongeveer 1.400 burgers uit de oude stad. Frans had mee kunnen gaan. Hij deed het niet.

Hoe kon hij weggaan, vroeg hij in het interview met de vluchtelingendienst. Hij noemde het onmogelijk.

LEGE HANDEN

Ik probeer me voor te stellen hoe het is om op je vijfenzeventigste in een belegerde stad te zitten. Ik kan het niet. Ik weet wel wat hij deed met die laatste maanden. Hij bleef in het huis van de jezuïeten, hij deelde wat er was en hij bleef praten tegen een wereld die nauwelijks luisterde. In zijn filmpje vroeg hij om voedsel en om een veilige doortocht voor wie weg wilde.

Zijn medebroeders schrijven dat hij er in die tijd verzwakt uitzag. Hij weigerde op camera te zeggen wat strijders van hem wilden horen. Hij koos in de oorlog geen partij, schreef Katholiek Nieuwsblad later. Dat maakte hem niet bij iedereen geliefd.

Drie dagen voor zijn dood belden zijn medebroeders met hem. Hij zei dat het beleg snel voorbij zou zijn. Ze nodigden hem uit om naar Nederland te komen en uit te rusten. Hij zei ja. Eerst wilde hij naar Damascus, om zijn verblijfsvergunning te verlengen. Dan wist hij zeker dat hij terug kon komen.

Op zondag 6 april stuurde hij nog een bericht met nieuws uit Homs. Christenen vroegen hem wat ze konden doen, schreef hij. Zijn antwoord was eenvoudig. Een mens kan weinig doen. Wel kan hij geloven dat God met hem is in zijn moeite.

Het was zijn laatste bericht.

MAANDAGOCHTEND, 7 APRIL 2014

Op maandagochtend 7 april 2014 kwam een gemaskerde man naar het jezuïetenhuis in de wijk Bustan al-Diwan. Hij nam Frans mee naar buiten en schoot hem in het hoofd. Frans van der Lugt was meteen dood, meldde het persbureau AP. Over de precieze plek, de tuin of de stoep van het huis, verschillen de verslagen.

Wie hem doodde, is nooit vastgesteld. De dader is niet gevonden. De strijdende partijen in Syrië wezen elkaar aan. Volgens de NOS willen de jezuïeten ook geen arrestatie, uit angst voor wraak op de christenen die er nog wonen. Ook het motief is onbekend. Katholiek Nieuwsblad schreef dat politieke redenen waarschijnlijker zijn dan haat tegen het geloof, maar ook dat is niet bewezen.

Hij werd begraven in de tuin van het jezuïetenhuis. Volgens het in memoriam gebeurde dat nog dezelfde dag, volgens Jan Stuyt de dag erna.

Op woensdag 9 april sprak paus Franciscus over hem tijdens zijn wekelijkse audiëntie in Rome. Hij noemde Frans een medebroeder en vertelde dat hij voor iedereen in Syrië had gezorgd. “Hij werd daarom door christenen en moslims geliefd en zeer gewaardeerd.” De Verenigde Naties en de Nederlandse regering veroordeelden de moord. Kranten in de hele wereld schreven over de Nederlandse priester die niet was weggegaan.

Niet lang daarna kwam er een bestand, en de oude stad werd ontruimd. Frans maakte het niet meer mee.

EEN GRAF IN DE TUIN

Een jaar na zijn dood bezocht Jan Stuyt het huis in Homs. Hij schreef dat het graf een bedevaartsplaats was geworden, voor christenen en voor moslims. Vooral jongeren kwamen er. Ook de NOS en de jezuïeten zelf melden dat mensen van beide geloven er bidden.

Was hij een martelaar? Die vraag is gesteld, ook binnen zijn eigen kerk. In de rooms-katholieke kerk is een martelaar iemand die gedood wordt uit haat tegen het geloof. Bij hem is dat niet vastgesteld, omdat niemand weet wie hem doodde of waarom. Een boek over hem uit 2015, onder redactie van Paul Begheyn, heet Bruggenbouwer en martelaar in Syrië. In 2019 lieten de jezuïeten weten dat een proces voor zijn zaligverklaring was begonnen.

In januari 2022 meldde Katholiek Nieuwsblad dat dat proces stillag, waarschijnlijk voorgoed. De krant noemde daarvoor meerdere redenen, op gezag van een bron die niet bij naam genoemd werd. De orde heeft de zaak in het openbaar niet verder toegelicht. Ik laat het daarom bij deze feiten.

Hoort hij dan in een boek over martelaren? Ik denk het wel, en ik zeg erbij waarom. Hij werd gedood op de plek waar hij uit trouw bleef, terwijl hij weg had gekunnen. Waarom hij bleef, heeft hij zelf gezegd. Het waren zijn mensen. Hij had beloofd bij hen te blijven zolang er nog één over was. Of de man met het masker iets van zijn geloof wist, weet niemand. Frans wist het wel.

VOORUIT

Bij de tiende sterfdag, in 2024, schreef de wereldwijde leider van de jezuïeten een brief over hem. Frans gebruikte vaak een Arabisch woord, schreef hij: “Ilal’amam”. Het betekent “vooruit”. Pater Sosa schreef ook dat Frans zei dat hij zoveel gaf, omdat hij nog meer van het Syrische volk had ontvangen.

In Amsterdam was een herdenkingsmis. In Homs kwamen mensen bij elkaar. Een groep kinderen nam een lied voor hem op.

Misschien sta jij ook ergens waar je niet weg kunt, of niet weg wilt omdat er mensen zijn die je niet in de steek laat. Je handen zijn leeg. Je hebt weinig te geven, behalve dat je er bent.

In de tuin van een huis in de oude stad van Homs ligt een Nederlander begraven. Mensen die er komen bidden, zijn moslim of christen. Ze lopen dezelfde tuin in.

Dossier

Wat vaststaat en wat verteld wordt

Vaststaat (meerdere onafhankelijke bronnen): geboorte in 1938 in Den Haag; vader bankier; jeugd in Amsterdam; vertrek naar het Midden-Oosten in 1964 en Arabisch leren in Libanon; bijna vijftig jaar in Syrië; de jaarlijkse bergtochten met jongeren van verschillende geloven; de boerderij Al Ard bij Homs met werk voor mensen met een beperking; verhuizing naar het jezuïetenhuis in de oude stad in 2011; de video-oproep van eind januari 2014; zijn weigering om bij de evacuatie van februari 2014 te vertrekken; zijn dood door een gemaskerde schutter op 7 april 2014; begrafenis in de tuin van het jezuïetenhuis; de woorden van paus Franciscus op 9 april 2014; het graf als bedevaartsplaats voor christenen en moslims; de herdenkingstocht in Nederland in 2017.

Alleen uit eigen getuigenis of uit de jezuïetenorde: zijn uitgaansleven voor de intrede; intrede in Grave in 1959; zijn uitspraak bij de priesterwijding; Aleppo vanaf 1976 en de jaren in Damascus; de plechtige geloften in 1982; het Arabische boekje over mislukken en slagen; de vijftig hectare van de overheid en de veertig bewoners van Al Ard vanaf 2000; de documenten van de moskee; de brief uit Streven van 2012; het laatste telefoongesprek en het laatste bericht van 6 april 2014; het woord “Ilal’amam”.

Onbevestigd: de geboortedatum 10 april (alleen Wikipedia, wel passend bij een jezuïtische bron); het precieze jaar waarin hij zich in Syrië vestigde (1966, 1976 of 1980 volgens verschillende bronnen); de omvang van Al Ard; of hij werd begraven op de dag van zijn dood of de dag erna; de precieze plek van de schoten; wie hem doodde en waarom.

Duiding: of Frans van der Lugt een martelaar in kerkelijke zin is, is niet vastgesteld; het proces daarvoor ligt volgens Katholiek Nieuwsblad sinds 2022 stil. Dat hij bleef uit trouw aan de mensen om hem heen, staat in zijn eigen woorden.

Bronnen bij dit hoofdstuk

  1. Jezuïeten, In memoriam Nederlandse jezuïeten 2014 (pdf)
  2. Jan Stuyt SJ, “Frans van der Lugt, bridge builder and martyr”, La Civiltà Cattolica, 25 juli 2019
  3. Daniel Silas Adamson, “Frans van der Lugt: A Dutch priest in Homs”, BBC News Magazine, 26 april 2014 (herplaatst door Souria Houria)
  4. Radio Vaticana, 29 januari 2014
  5. ReliefWeb (Jezuïeten Vluchtelingendienst), 10 februari 2014
  6. The Tablet, 7 april 2014
  7. America Magazine, 7 april 2014
  8. Middle East Eye, “Dutch priest shot dead in Syria’s Homs”
  9. Irish Jesuits International, “A Jesuit martyr for peace”, april 2014
  10. Paus Franciscus, algemene audiëntie 9 april 2014
  11. Jan Stuyt SJ, Kerknet, 27 april 2015
  12. Babs Mertens, “Plots besefte ik wat christen zijn tot het uiterste betekent”, Otheo
  13. NOS, 8 april 2017, “Voettocht van Syriërs in Nederland voor vermoorde pater Frans”
  14. NOS, 6 april 2019, “Pater Van der Lugt weigerde belegerd Homs te verlaten en werd martelaar”
  15. Anton de Wit (Katholiek Nieuwsblad) via Crux, 22 januari 2022
  16. DutchNews, 21 januari 2022
  17. Jesuits.global, “The murder of Fr Frans van der Lugt, 10 years later”, 6 april 2024
Liever het hele boek?PDF downloadenE-book (EPUB)Over dit deel