Op 22 november 1944 begroeven inwoners van Veenendaal zes mannen die ze niet kenden. Twee dagen eerder waren ze doodgeschoten in de bossen tussen Rhenen en Veenendaal, en daar achtergelaten. De Duitse bezetter had ze uitgekozen als represaille, omdat er twee dagen voor hun dood op een Duitse officier was geschoten. De zes hadden daar niets mee te maken. Ze zaten al vast.
Een van hen was vierendertig jaar. Hij droeg een Bijbel bij zich en een gezangenboek, en een paar brieven. Volgens het verslag dat zijn vrouw later schreef, hielpen die spullen om hem te herkennen. Zijn naam was Bastiaan Jan Ader. Hij was hervormd predikant in Nieuw-Beerta, een dorp in het oosten van Groningen, vlak bij de Duitse grens.
Zestien dagen voor die ochtend in het bos was zijn tweede zoon geboren. Hij heeft hem nooit gezien.
In zijn dorp kenden de meeste mensen hem als hun dominee. In het verzet heette hij Domie. Vanuit zijn pastorie werd onderdak gezocht voor Joden die werden opgejaagd, voor andere onderduikers en voor neergeschoten piloten. Yad Vashem, het Holocaustcentrum in Jeruzalem, schat dat hij en zijn vrouw, met de hulp van velen, tussen de tweehonderd en driehonderd mensen in veiligheid brachten.
Hij werd niet gedood om een geloofsbelijdenis. Hij werd gedood om wat zijn geloof hem liet doen. Daarom staat hij in dit boek.
Het begon aan de kust, bij de kassen van het Westland.
EEN JONGEN UIT 'S-GRAVENZANDE
Bastiaan Jan Ader werd geboren op 30 december 1909 in ’s-Gravenzande. De meeste bronnen noemen die datum, ook de titel van een artikel over hem in het historische tijdschrift Oud Rhenen. Eén gedenksite houdt het op 29 december.
Over zijn jeugd is weinig bekend. Een gedenksite over oorlogsgraven vertelt dat hij op zijn zeventiende de middelbare school afrondde en daarna vijf jaar theologie studeerde in Utrecht. Dat hij in Utrecht studeerde, komt in twee teksten op die site terug. Andere bronnen voor zijn studiejaren heb ik niet gevonden.
In september 1935 trouwde hij met Johanna Adriana Appels uit Driebergen. Ze was in 1906 geboren, drie jaar eerder dan hij. Later zou iedereen in het verzet haar Tante Jo noemen.
OP DE FIETS NAAR PALESTINA
Er is één verhaal uit zijn jonge jaren dat ik graag zou vertellen, en ik doe het ook, met een kanttekening. Op 5 juni 1936 zou Ader op de fiets zijn vertrokken naar Palestina, het land van de Bijbel. Onderweg kreeg hij tyfus. Hij herstelde en kwam op 20 november terug, via Caïro, Griekenland en Italië. De reis had ongeveer duizend gulden gekost. Dat bedrag verdiende hij volgens het verhaal terug door lezingen te geven over wat hij gezien had.
Dit verhaal staat op één gedenksite. Ik heb het nergens anders kunnen controleren. Misschien staat het in het artikel in Oud Rhenen of in het boek van zijn vrouw. Tot iemand dat nagaat, blijft het een verhaal zonder tweede bron.
Wie het wel gelooft, ziet een jonge man die het land van de Bijbel met eigen ogen wilde zien en daar veel voor over had. Acht jaar later zou hij sterven voor de nakomelingen van het volk dat daar woonde toen Jezus er rondliep.
EEN PASTORIE AAN DE RAND VAN GRONINGEN
In oktober 1938 werd Bastiaan Jan Ader predikant van de hervormde gemeente in Nieuw-Beerta. Dezelfde gedenksite vertelt dat veel mensen in zijn gemeente de kerk de rug hadden toegekeerd. Een deel van hen was communist geworden. Ader probeerde ze terug te winnen. Ook dat komt maar uit één bron.
De pastorie stond naast de kerk. Het huis bestaat niet meer. Het werd later gesloopt.
In 1942 werd in Winschoten hun eerste zoon geboren, Basjan. Hij heette voluit Bastiaan Johan Christiaan, naar zijn vader.
Volgens het verslag op de pagina over Jo Ader-Appels veranderde de bezetting de eerste jaren weinig aan hun leven in Nieuw-Beerta. Het dorp lag ver van Amsterdam. De oorlog leek er langzamer te komen.
EEN VRAAG UIT AMSTERDAM
Dat veranderde door één vraag. Een Joodse kennis uit Amsterdam, Lilly Johanna Samuëls, vroeg of ze bij de Aders mocht onderduiken. Met haar begon het. Zo staat het op de gedenksite, die zich voor dit deel op het boek van Jo baseert.
Het verhaal van Lilly eindigt niet goed. Zij en een vriendin gingen na een tijd terug naar Amsterdam. Daar werden ze gearresteerd. Ze werden via kamp Westerbork naar Auschwitz gebracht.
Ik noem haar hier met naam, omdat ze het begin was. Het helpen van mensen begint meestal met één gezicht dat je kent, en één vraag die je niet kunt afwijzen. Wat had jij gedaan, als die brief bij jou op de mat lag? En wat als je wist dat het je leven kon kosten?
Vanaf toen werd de pastorie een schuilplaats. Er zaten Joden, andere onderduikers en neergekomen geallieerde vliegers. Volgens de gedenksite woonden er een tijd acht onderduikers in huis. Daarbij verdeelden de Aders bonkaarten, waarmee onderduikers aan eten konden komen.
ACHTSTE SEPTEMBER 1943
Een van de mensen die in de pastorie terechtkwam, heeft er zelf over geschreven. Johanna-Ruth Dobschiner, Hansie, was in 1925 in Berlijn geboren in een orthodox-Joods gezin met Nederlandse wortels. Eind jaren dertig verhuisde het gezin naar Amsterdam. Haar broers Werner en Manfred werden in 1941 opgepakt en kwamen om in Buchenwald en Mauthausen. Op 9 april 1943 werden haar ouders weggehaald. Zij zag het vanuit een raam van de crèche waar ze werkte. Haar ouders overleefden de oorlog niet.
Op 8 september 1943 kwam Domie haar halen. Hij nam haar mee naar Nieuw-Beerta. In haar boek noemt ze hem “Daddy Long-Legs”.
In de pastorie vond ze in de boekenkast van de dominee een Bijbel. Ze begon het Nieuwe Testament te lezen. Met hulp van Tante Jo en Domie, zo vertelde ze later, kwam ze tot geloof in Jezus als haar Verlosser. Later bracht Ader haar naar Limburg, waar ze bleef onderduiken tot het zuiden eind 1944 werd bevrijd. Na de oorlog verhuisde ze naar Glasgow. Haar boek verscheen in het Nederlands als Te mogen leven en in het Engels als Selected to Live.
Dit alles kennen we uit haar eigen boek en uit een samenvatting daarvan door iemand die haar verhaal heeft nageplozen. Het is een getuigenis, geen processtuk. Het is wel een getuigenis van iemand die er zelf was.
Ik moet er iets bij zeggen. Dat een Joodse onderduiker christen werd in het huis van een dominee, ligt voor veel Joodse lezers gevoelig. Hansie heeft het zelf zo beschreven, als haar eigen keuze. Ik laat het bij haar woorden.
DOMIE, OF VAN ZAANEN
Ader werkte in het verzet onder een schuilnaam. Welke precies, is niet helemaal duidelijk. De ene gedenksite schrijft Van Zaanen, een andere bron en een tweede tekst op dezelfde site schrijven Van Zaan. In zijn eigen kring noemden ze hem Domie, de Groningse vorm van dominee.
Volgens de gedenksite werkte hij binnen de LO, de Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers. Die organisatie zocht adressen, regelde bonkaarten en vervoer. De NOS schreef in 2016 dat hij een ondergrondse organisatie opzette die in heel Nederland onderdak vond voor Joden.
Wat hij daarvoor deed, kennen we vooral uit het boek van zijn vrouw, Een Groninger pastorie in de storm. Hij reisde door het land, meestal per fiets en per trein, vaak in werkkleding en vermomd. Hij gaf honderden mensen adressen waar ze konden onderduiken. Als er gevaar dichtbij kwam, glipte hij door een deurtje naar de schuur naast de pastorie. Daar werd hij nooit gevonden.
De meeste mensen in zijn eigen gemeente, schrijft een van de navertellers, wisten niet wat hun dominee doordeweeks deed. Op zondag preekte hij. Doordeweeks deelde hij adressen uit.
Ik vind dat een sterk beeld, en ik denk dat het klopt. Toch komt het bijna allemaal uit één boek, geschreven door zijn weduwe kort na de oorlog. Ze schreef het op basis van haar dagboek uit die jaren. Dat maakt het waardevol. Het maakt het ook een verhaal van één kant.
EEN PLAN VOOR WESTERBORK
In 1944 werkte Ader aan iets groters. Hij had een netwerk van verzetsmensen opgebouwd, en hij maakte een plan om Joden te bevrijden uit kamp Westerbork, het doorgangskamp in Drenthe. Vandaar vertrokken de treinen naar het oosten.
Hoe dat plan eruitzag, staat in geen van de bronnen die ik heb kunnen lezen. Eén bron zegt dat het plan uitkwam. Een andere zegt dat zijn arrestatie er een eind aan maakte. Of het ooit kans van slagen had, weten we niet.
In dezelfde periode werd hij verraden. Ook hier lopen de bronnen uiteen. De ene tekst spreekt van een dorpsgenoot, de andere van een vroegere catechisant, iemand die bij hem op catechisatie was geweest. Een derde schrijver vermoedt dat hij ergens in Holland door een van zijn contacten werd verraden. Volgens die tweede tekst moest hij in april 1944 zelf onderduiken. De onderduikers in de pastorie moesten snel andere adressen vinden.
Volgens een bespreking van het boek van Jo viel de politie de pastorie binnen. Er werden mensen gevonden die daar verborgen zaten, en zij werden naar Duitsland gebracht. Het gezin kon er daarna niet meer wonen. Wie dat precies waren en wanneer het gebeurde, kon ik niet in een tweede bron terugvinden.
HAARLEM, ZOMER 1944
In de zomer van 1944 werd Bastiaan Jan Ader gearresteerd in Haarlem. De datum verschilt per bron. Twee teksten noemen 22 juli, een andere 22 juni, een andere houdt het op juli. Eén site schrijft zelfs dat het eind 1944 was, nadat hij op weg naar Haarlem een politieman zou hebben uitgedaagd. Dat laatste past niet bij de rest van zijn verhaal en wordt nergens anders genoemd.
Hij werd overgebracht naar Amsterdam en opgesloten in het Huis van Bewaring aan de Weteringschans. Dat staat in alle beschrijvingen van zijn gevangenschap. Volgens een van de navertellers, die zich op het boek van Jo baseert, werd hij daar lichamelijk en geestelijk mishandeld. Meer details geeft de bron niet, en ik ga ze er niet bij bedenken.
Ondertussen zat Jo ergens anders, zwanger van hun tweede kind, met een zoontje van twee.
BRIEVEN OP WC-PAPIER
Vanuit de Weteringschans schreef Ader brieven aan zijn vrouw. Hij schreef ze op rollen wc-papier. Politiemensen smokkelden ze naar buiten. Zo staat het in de bespreking van haar boek.
Een andere schrijver die het boek las, zegt over die brieven dat ze een diep geloof en vertrouwen op God laten zien. Hij citeert ze niet. Ik heb ze ook niet kunnen lezen, dus ik citeer ze ook niet. Ik zou het graag doen. Een man die in een cel op wc-papier schrijft aan zijn vrouw, en daarin over God schrijft, verdient het om met zijn eigen woorden gehoord te worden. Wie het boek van Jo Ader-Appels in handen krijgt, kan ze daar vinden.
De bronnen laten hier nog iets zien. De politiemensen die de brieven naar buiten brachten, namen zelf een risico. Ook in een gevangenis van de bezetter waren er mensen die kozen voor een kleine daad van menselijkheid. We kennen hun namen niet.
Op 4 november 1944 werd in het gezin Ader een tweede zoon geboren. Hij heette Diederik Antonius Viktor Emanuël, en hij werd Erik genoemd. Zijn vader zat op dat moment in de cel.
Zestien dagen later was zijn vader dood. Dat getal komt in meerdere bronnen terug, onder andere bij de NOS. Bastiaan Jan Ader heeft zijn tweede zoon nooit gezien.
Hoe het nieuws van de geboorte hem bereikte, en of het hem bereikte, weet ik niet. De bronnen zeggen het niet.
EEN HEUVEL BIJ RHENEN
Op 18 november 1944 werd er geschoten op een Duitse officier. De bezetter antwoordde op zulke aanslagen vaak met represailles: gevangenen die al vastzaten, werden uitgekozen en gedood. Zo ging het ook nu. Er werden zes mannen gekozen. Volgens de bespreking van Jo’s boek kwamen er drie uit een gevangenis in Utrecht en drie uit de Weteringschans in Amsterdam.
Op 20 november 1944 werden ze naar een bosrijke heuvel gebracht, het Schupse bos bij Rhenen. Een van de gedenkteksten noemt als plek de kruising van de Oude Veense Grindweg en de Veenendaalsestraatweg, bij Veenendaal. Daar werden ze gefusilleerd. Bastiaan Jan Ader was vierendertig jaar.
Hij stierf met vijf anderen, en ook hun namen horen hier: Pieter Julius ter Beek, Victor Alexandre Guillaume van den Bergh, Thomas Jan Lambrechtsen van Ritthem, Philip de Leeuw en Jan Johannes van der Munnik. De jongste van hen was twintig.
Je hoort soms dat Ader in Haarlem werd gefusilleerd. In Haarlem werd hij gearresteerd. Alle bronnen die ik heb gelezen, plaatsen zijn dood in de bossen tussen Rhenen en Veenendaal.
De lichamen bleven liggen. Inwoners van Veenendaal vonden ze en begroven ze twee dagen later op de plaatselijke begraafplaats. Eind november werd Ader herbegraven bij familie in Driebergen, de plaats waar zijn vrouw vandaan kwam. Na de oorlog kreeg hij een graf op het Nationaal Ereveld Loenen, vak E, nummer 52. Daar ligt hij nog.
EEN BOEK UIT 1947
Jo Ader-Appels bleef achter met twee kleine jongens. In 1947 publiceerde ze Een Groninger pastorie in de storm, gebaseerd op het dagboek dat ze in de oorlog had bijgehouden. Het boek werd dertien keer herdrukt en vertaald in het Duits en het Fins. In 2017 verscheen een Engelse vertaling, House of Defiance. Het grootste deel van wat we over de dagelijkse kant van het verzetswerk weten, komt uit dit boek.
Ze overleefde haar man vijftig jaar en overleed in 1994. In het archief van de Wiener Holocaust Library in Londen liggen brieven van haar uit de jaren vijftig, over de uitgave van haar herinneringen in Duitsland en Engeland. Er kwam een Aderstichting, die nog steeds banden heeft met de kerkelijke gemeente in het Reiderland.
Op 22 november 1967, precies drieëntwintig jaar na zijn begrafenis in Veenendaal, erkende Yad Vashem Bastiaan Jan Ader en Johanna Adriana Ader-Appels als Rechtvaardigen onder de Volkeren. Die erkenning krijgen mensen die zonder eigenbelang Joden hebben gered. Op de Laan der Rechtvaardigen in Jeruzalem staat een boom voor hen, met een bordje met hun namen en hun land.
Het getal van tweehonderd tot driehonderd geredde mensen komt van Yad Vashem zelf, op basis van eigen onderzoek. Het gaat over iedereen die via hun netwerk werd geholpen, met de inzet van velen. Precies tellen kan niemand meer.
EEN MARMEREN STEEN NAAST DE PREEKSTOEL
In de kerk van Nieuw-Beerta hangt naast de preekstoel een gedenksteen van marmer voor dominee Ader. Er is een hoek in de kerk die aan hem en zijn vrouw herinnert. In het noorden van het land rijdt een trein met zijn naam.
De pastorie staat er niet meer. Het deurtje naar de schuur bestaat alleen nog in het boek van zijn vrouw.
Ik heb lang gezocht naar woorden van hemzelf. Een preek, een uitspraak, een zin uit een brief. Ik heb ze niet gevonden, in elk geval niet in bronnen die ik kon openen. Wat ik wel vond, zijn de sporen van wat hij deed: adressen, bonkaarten, een trein, een fiets. Een Joods meisje dat op 8 september 1943 met hem meeliep naar een dorp in Groningen. Een plan voor Westerbork dat nooit werd uitgevoerd. Rollen wc-papier met zijn handschrift.
Misschien zegt dat genoeg. Hij was een dominee die op zondag preekte en doordeweeks de deur van zijn huis openhield voor mensen die nergens anders terechtkonden.
Op een begraafplaats in Veenendaal lagen in november 1944 zes mannen die niemand daar kende. Een van hen had een Bijbel en een gezangenboek in zijn zak, en een paar brieven. De mensen die hem begroeven, wisten niet wie hij was. Ze gaven hem een graf.
Wat vaststaat en wat verteld wordt
Vaststaat (meerdere onafhankelijke bronnen): geboorte in ’s-Gravenzande eind december 1909; huwelijk met Johanna Adriana Appels in 1935; predikant in Nieuw-Beerta vanaf 1938; de pastorie als schuilplaats voor Joden, andere onderduikers en piloten; een netwerk dat landelijk onderduikadressen zocht; een plan om Joden uit Westerbork te bevrijden; arrestatie in de zomer van 1944 in Haarlem; gevangenschap in de Weteringschans; geboorte van zoon Erik op 4 november 1944; fusillade op 20 november 1944 bij Rhenen/Veenendaal als represaille, samen met vijf anderen; begrafenis in Veenendaal, Driebergen en ten slotte op het Ereveld Loenen; het boek van Jo Ader-Appels uit 1947; erkenning door Yad Vashem op 22 november 1967 met een schatting van 200 tot 300 geredde mensen; de gedenksteen in de kerk van Nieuw-Beerta.
Alleen uit eigen getuigenis: de reizen per fiets en trein in vermomming en het deurtje naar de schuur (uit het boek van zijn vrouw); de brieven op wc-papier, gesmokkeld door politiemensen, en hun inhoud; de mishandeling in de gevangenis; de herkenning aan Bijbel, gezangenboek en brieven; de inval in de pastorie; het verhaal van Lilly Samuëls; de onderduik en bekering van Hansie Dobschiner (uit haar eigen boek).
Onbevestigd: de fietstocht naar Palestina in 1936 (één gedenksite); zijn studieduur en het terugwinnen van communistische gemeenteleden; dat hij in de LO werkte; wie hem verraadde (dorpsgenoot, vroegere catechisant of contact elders); de exacte dag van zijn arrestatie (22 juni, 22 juli of later); de juiste vorm van zijn schuilnaam (Van Zaanen of Van Zaan); de herkomst van de zes gefusilleerden (drie uit Utrecht, drie uit Amsterdam).
Duiding: soms wordt gezegd dat Ader in Haarlem werd gefusilleerd. De bronnen plaatsen in Haarlem zijn arrestatie en in de bossen bij Rhenen en Veenendaal zijn dood. Het artikel van Ad J. de Jong in Oud Rhenen (2007) en het dossier bij Yad Vashem kon ik niet inzien; daar staat mogelijk meer.
Bronnen bij dit hoofdstuk
- Ad J. de Jong, “Ds. Bastiaan Jan Ader geb. 30-12-1909, gefussileerd bij Rhenen 20-11-1944”, Oud Rhenen 26 (2007), Universiteit Utrecht Repository
- Yad Vashem, Righteous Among the Nations: Ader, Bastiaan Jan & Johanna Adriana (Appels)
- WW2 Gravestone, Bastiaan Jan Ader
- WW2 Gravestone, Ader-Appels, Johanna Adriana en haar man Bastiaan Ader
- WW2 Gravestone, Bastiaan Jan Ader (tweede pagina)
- WW2 Gravestone, Jo Ader-Appels en Bastiaan Jan Ader
- TracesOfWar, Ader, Bastiaan Jan
- Christian Courier, Stan de Jong, “The parsonage that became a sanctuary”, 12 juni 2017
- Sense de Jong, “Domie and Hansie”
- NOS, “Zoon verzetsheld komt in actie voor verdreven Palestijnen”, 18 november 2016
- EO Nederland Zingt, Gezang 466
- Visit Groningen, Kerk Nieuw-Beerta
- Protestantse gemeente De Dollert, Yad Vashem 2018
- EHRI Portal, Correspondence with Ader-Appels, Johanna Adriana (Wiener Holocaust Library)
- Zochrot, artikel over Erik Ader en zijn vader