Ergens in de winter van 1539 zat in Rotterdam een vrouw gevangen die wist dat ze zou sterven. Ze had een zoontje. Hij heette Esaias en was nog heel klein. Voor hem schreef ze een brief, of liet ze die opschrijven, die hij pas jaren later zou kunnen lezen.
De woorden van die brief zijn bewaard. Ze werden nog in het jaar van haar dood gedrukt, in een klein boekje. Later kwamen ze terecht in Het Offer des Heeren, de eerste grote bundel van doperse martelaarsteksten uit de Nederlanden. Daar staat boven de brief een kop die alles in een paar regels zegt: “Hier begint het Testament dat Anneken Esaias haren Sone bestelt heeft.” Daarna volgen een datum, 24 januari 1539, en een plaats, Rotterdam. Ze had het geschreven toen ze bereid was te sterven.
Anneken Jans werd een van de bekendste vrouwen uit de vroege doperse beweging. Haar testament werd eeuwenlang overgeschreven, herdrukt en voorgelezen. Er werd een lied aan haar toegeschreven dat in de jaren rond Münster werd gezongen. Haar verhaal kreeg in de Martelaersspiegel van 1685 een ets van Jan Luyken. En rond haar laatste uur groeide een verhaal over een bakker en een kind dat bijna iedere doperse lezer kent.
Wat is daarvan waar? Die vraag loopt door dit hoofdstuk. Het antwoord is minder compleet dan ik zou willen, en ik zal steeds zeggen waar de bronnen ophouden.
Het begon in Den Briel.
EEN DOCHTER VAN ESAIAS
Anneken werd rond 1509 of 1510 geboren in Den Briel, het stadje op Voorne-Putten aan de monding van de Maas. Het precieze jaar weten we niet. Het is teruggerekend uit latere opgaven van haar leeftijd. Een Amerikaans geschiedenishandboek schrijft dat ze uit een welgesteld gezin kwam.
Haar naam verwart soms. In Het Offer des Heeren heet ze Anneken Esaias, en in sommige naslagwerken Anneke Esaiasdochter. Dat wijst op haar vader, die Esaias geheten moet hebben. De naam Jans of Jansz, waaronder ze het meest bekend is, hoorde bij haar man. Later heette ze ook gewoon Anneken van Rotterdam, naar de stad waar ze stierf.
Haar man heette Arent, soms Adriaan, Jansz. Een artikel in het Rotterdamsch Jaarboekje van 1918 noemt hem een barbier in de Coppoenstraat in Den Briel. Het artikel bedoelt daarmee een chirurgijn, een heelmeester. Een Nederlandse database van vrouwelijke schrijvers geeft hem de familienaam Van der Lint. Over hun huwelijk zelf, wanneer en waar het gesloten werd, heb ik niets gevonden.
EEN HUIS IN DE COPPOENSTRAAT
In de jaren dertig van de zestiende eeuw ging er een golf door de Nederlanden die veel mensen in beweging zette. Na Luther hadden velen de Bijbel zelf gaan lezen. Een deel van hen kwam tot de overtuiging dat de doop hoorde bij iemand die zelf geloofde. Een kind kon dat nog niet. Ze lieten zich daarom als volwassene opnieuw dopen. Tegenstanders noemden hen wederdopers. Zelf spraken ze van broeders en zusters.
Volgens het artikel uit 1918 preekten rond Kerst 1533 twee doperse predikers in Den Briel. Een van hen was Jan Beukelsz, de kleermaker uit Leiden. Zijn naam zal verderop in dit hoofdstuk nog terugkomen. Kort daarna, in 1534, liet het echtpaar zich dopen. De man die hen doopte, heette Meyndert van Emden. Anneken was toen ongeveer vierentwintig.
Het huis van de barbier werd een plek waar de nieuwe gelovigen samenkwamen. Lang duurde dat niet. Op 17 september 1534 werd in Den Briel een verbanningsvonnis uitgesproken, en de kleine gemeente werd vervolgd en uiteengedreven. Arent vluchtte naar Engeland. Anneken bleef eerst achter.
Ik sta even stil bij die doper, Meyndert van Emden. Het artikel van 1918 noemt hem een van de radicaalste mannen van die jaren. Hij was betrokken bij plannen om Amsterdam met geweld in te nemen. Anneken werd dus gedoopt in de stroming die later de Münsterse zou heten. Daar moet ik eerlijk over zijn, en daarover gaat de volgende paragraaf.
HET JAAR VAN MÜNSTER
In het voorjaar van 1534 trok een Haarlemse bakker, Jan Matthijsz, naar de Duitse stad Münster. Daar had een groep dopers de macht gekregen. Matthijsz nam de leiding. Wie zich niet liet dopen, moest de stad uit. Privébezit werd afgeschaft. Rond Pasen 1534 sneuvelde hij bij een uitval tegen de troepen van de bisschop die de stad belegerden.
Zijn opvolger was diezelfde Jan Beukelsz, die we kennen als Jan van Leiden. Hij liet zich tot koning kronen en voerde de veelwijverij in, met een beroep op het Oude Testament. Vanuit Münster werd Amsterdam aangewezen als de stad voor een tweede rijk. In juni 1535 viel Münster. De meeste mannen in de stad werden gedood. In januari 1536 werden drie leiders terechtgesteld, en hun lichamen werden in ijzeren kooien aan de kerktoren gehangen.
In die jaren werd Anneken gedoopt. Wie haar daarom bij Münster indeelt, gaat te snel. Voor zover bekend heeft ze er nooit gewoond, en er is geen enkele aanwijzing dat ze ooit een wapen heeft opgenomen.
Het helpt om te weten dat de doperse beweging uit verschillende stromen bestond. Er waren groepen die het einde der tijden met geweld wilden versnellen. Er waren ook groepen die vanaf het begin elk geweld afwezen. Na de val van Münster kozen veel dopers in de Nederlanden voor een stille, weerloze weg. Menno Simons zou rond 1540 een groot deel van hen verzamelen, en naar hem zijn de mennonieten genoemd. De doopsgezinden in Nederland staan in die lijn.
Anneken koos na Münster voor een andere leider: David Joris uit Delft.
EEN LIED OVER BAZUINEN
Aan Anneken Jans wordt een lied toegeschreven dat in het Engels het Trumpet Song heet, het bazuinenlied. Het is een fel lied. Het gebruikt beelden uit de Bijbel over het oordeel van God, en het roept op tot wraak over de vervolgers. De doperse geleerde Gerald Mast en een geschiedenishandboek verbinden het met de verwachtingen die in de Münsterse jaren leefden. Onder doperse liederen is zo’n oproep tot wraak zeldzaam.
Wanneer ze het schreef, is niet zeker. Zeker is wel dat David Joris het na haar dood liet drukken, samen met haar testament. Het artikel uit 1918 meldt dat daarvan nog maar één exemplaar bestaat, in Hamburg. Joris nam het lied ook op in een geestelijk liedboekje, waarvan één exemplaar in Den Haag bewaard is.
Er is nog een tweede lied dat vaak aan haar wordt toegeschreven, met de beginregel “Een groote vreught”. Volgens de Nederlandse liedkenner Wieder, die de oorspronkelijke druk van 1539 onderzocht, stond daar een ander lied bij haar testament. “Een groote vreught” komt in de drukken van Het Offer des Heeren van vóór 1570 niet voor. Het werd waarschijnlijk geschreven door de man die de bundel van 1570 samenstelde. Wie dat lied leest als haar eigen woorden, leest dus vermoedelijk een latere stem.
Hoe kijk je naar een vrouw die een wraaklied zong en daarna een zachte brief aan haar kind schreef? Ik weet het niet precies. Misschien veranderde ze. Misschien zaten beide dingen tegelijk in haar, zoals bij zoveel mensen. De bronnen laten het open, en ik laat het ook open.
EEN BRIEF UIT ENGELAND
In 1536 kwam Arent nog kort terug uit Engeland. Volgens een Amerikaanse preek over haar leven, die op het martelaarsboek en op de literatuur leunt, vond hij het niet prettig hoe nauw zijn vrouw inmiddels met David Joris verbonden was. Hij ging terug. Anneken volgde hem later naar Engeland.
Vanuit Engeland schreef ze een brief aan Joris. Volgens het artikel uit 1918 ontving hij die rond 1 december 1536. Het was de eerste van een reeks brieven die Joris later zelf noemde in een verslag van een debat in Straatsburg uit 1538. Daarin erkende hij dat haar woorden hadden meegewogen in zijn overtuiging dat God hem als profeet riep.
David Joris is een moeilijke figuur. Hij wees het geweld van Münster af en legde de nadruk op wat er van binnen in een mens moest gebeuren. Maar hij zag zichzelf als een bijzondere gezant van God, en Menno Simons nam later scherp afstand van hem. De historicus van 1918 schreef ook met weinig sympathie over Anneken zelf. Hij noemde haar overspannen en suggereerde dat haar bewondering voor Joris verder ging dan geloof. Bewijs gaf hij niet. Ik neem dat vermoeden hier niet over.
Wat wel vaststaat: Anneken hoorde in de jaren na Münster bij de kring rond Joris, die in Delft zijn gemeente had. Ze was een Davidjoriste, zoals het artikel het noemt. Een mennist, zoals latere martelaarsboeken haar graag zagen, was ze niet.
EEN KIND DAT ESAIAS HEETTE
In Engeland werd haar zoon geboren. Ze noemde hem Esaias, dezelfde naam die haar vader gedragen moet hebben. Wanneer hij precies geboren werd, weet ik niet. Een Canadees doopsgezind blad schrijft dat hij vijftien maanden oud was toen ze terugreisde, maar ik heb dat getal nergens anders gevonden.
Over Arent wordt het daarna stil. Volgens sommige auteurs stierf hij in Engeland. Een andere schrijver vermoedt dat hij omkwam bij de vervolging van dopers die daar in november en december 1538 begon. Geen van beide heb ik met een bron uit die tijd kunnen bevestigen.
Wat ik wel weet: eind 1538 maakte Anneken de reis terug naar Holland. Ze nam haar zoontje mee. Ze reisde samen met een andere vrouw, Christina Michiel Barentsdochter uit Leuven. Christina was de vrouw van een geneesheer, Matthijs van der Donck. Volgens het artikel uit 1918 had ze zich in 1534 samen met haar man laten dopen, in hun eigen huis aan de Steenstraat in Leuven.
Waarom ging Anneken terug, met een klein kind, naar een land waar dopers gezocht werden? Het artikel uit 1918 zegt dat ze naar Delft wilde, waar ze blijkbaar hoopte Joris te ontmoeten. Meer weten we niet over haar beweegredenen.
EEN LIED OP DE WEG NAAR ROTTERDAM
Ze kwam niet ver. In december 1538 werden Anneken en Christina opgepakt. Volgens het artikel van 1918 gebeurde dat onderweg van IJsselmonde naar Rotterdam, op het moment dat ze in de schuit naar Delft wilden stappen.
Over de aanleiding bestaat een verhaal dat in de martelaarstraditie steeds terugkomt. Een medereiziger zou de twee vrouwen een doperslied hebben horen zingen. Hij gaf hen aan. Het geschiedenishandboek zegt er voorzichtig bij dat het zo later verteld werd. De Rotterdamse historicus van 1918 waagde een gok: “Misschien is ’t wel haar eigen bazuinenlied geweest, dat zij zong.” Een gok is het, meer niet.
Wat volgde, was een verhoor in Rotterdam. Volgens het artikel uit 1918 leverde dat de overheid belangrijke gegevens op over de gemeente in Delft. Begin januari 1539 werd bijna de hele Delftse kring rond Joris gearresteerd. Joris zelf ontkwam. In Delft werden in die maanden negenentwintig mensen terechtgesteld, onder wie zes vrouwen.
Ik weet niet wat er in die verhoorkamer gezegd werd, en hoe. Het verslag is mij niet bekend, en ik ga niet raden. Wie ooit bang is geweest, weet hoe weinig een mens zichzelf in de hand heeft. Laat het daarbij.
ROTTERDAM, JANUARI 1539
Op 23 januari 1539 werd het vonnis uitgesproken. Anneken en Christina zouden worden verdronken.
Over de dag van de terechtstelling zijn de bronnen het niet helemaal eens. Het onderschrift bij de ets in de Martelaersspiegel van 1685 noemt 23 januari. De kop boven haar testament in Het Offer des Heeren noemt 24 januari als de dag waarop ze het testament aan haar zoon gaf. De meeste moderne auteurs houden het op 24 januari. Ze was ongeveer dertig jaar.
Meer wil ik over haar dood niet zeggen dan wat er staat. Ze werd in Rotterdam verdronken, samen met Christina uit Leuven. In het onderschrift bij de ets van Luyken worden de twee vrouwen samen genoemd, met de woorden “verdronken tot Rotterdam”. Christina’s naam wordt in de navertellingen vaak vergeten. Ze hoort hier wel.
EEN SMALLE WEG VOOR EEN KLEINE JONGEN
Het testament is het hart van haar verhaal. Hoe het precies tot stand kwam, weten we niet. Sommigen zeggen dat ze het in de nacht voor haar dood schreef, anderen op de dag zelf. Het ging met haar zoon mee, of met iemand die voor hem zou zorgen.
Ze spreekt hem aan als haar zoon. Ze vraagt hem de weg te gaan van de profeten, de apostelen en de martelaren. Het is een smalle weg, schrijft ze, met gevaar aan beide kanten. Ze vraagt hem aansluiting te zoeken bij een kleine, arme, verachte kudde, en ze zegt dat waar van het kruis gesproken wordt, Christus is. Ze vraagt hem zijn naaste lief te hebben, zijn brood te delen met wie honger heeft en de naakten te kleden. Ze eindigt met een gebed dat zijn leven naar het evangelie gevormd mag worden.
Wie dat leest, hoort de woorden van Jezus over de twee wegen: maar de poort is nauw en de weg is smal die naar het leven leidt, en weinigen zijn er die hem vinden (Mattheüs 7:14). Anneken schreef het voor een kind dat geen letter kon lezen, en dat haar gezicht waarschijnlijk niet zou onthouden.
Wat zou jij opschrijven, als je één brief mocht nalaten aan iemand die je nooit zou zien opgroeien?
Het valt me op wat er niet in staat. Geen wraak. Geen oordeel over de mensen die haar veroordeeld hadden. Het felle lied over bazuinen en het zachte testament liggen ver uit elkaar. Misschien zat er tussen die twee een weg die ze zelf gegaan was. Ik kan het niet bewijzen. Ik kan alleen lezen wat ze aan het eind aan haar kind meegaf.
EEN BAKKER IN DE MENIGTE
Dan het verhaal dat iedereen kent die met de Martelaersspiegel is opgegroeid. Ik vertel het zoals het overgeleverd is, en ik zeg er meteen bij dat ik het niet heb kunnen controleren.
Op weg naar de plaats van de terechtstelling zou Anneken haar kind hebben opgehouden en gevraagd wie het wilde opvoeden. Ze bood er geld voor, of haar bezit. Volgens het geschiedenishandboek, dat zich op het martelaarsboek beroept, stapte een arme bakker naar voren die zelf zes kinderen had. Hij nam de jongen aan. Later zou de bakker rijk zijn geworden. De Amerikaanse preek voegt toe dat hij met haar geld zijn zaak uitbreidde en twee brouwerijen bouwde. En Esaias zou als volwassene burgemeester van Rotterdam zijn geworden.
Er hangt nog een tweede verhaal aan. De man die de vrouwen had aangegeven, zou op weg naar de terechtstelling zijn verdronken toen een brug onder hem bezweek.
Ook het artikel uit 1918 noemt de bakker en het burgemeesterschap, maar als iets wat bekend is, zonder archiefbron. Ik heb geen stuk uit die tijd gevonden dat de bakker bij naam noemt, of een burgemeester Esaias die de zoon van Anneken was. Misschien bestaat het. Tot het gevonden is, blijft dit overlevering uit de martelaarsboeken, en bij de brug gaat het waarschijnlijk om een legende.
Ik begrijp waarom het verhaal bleef. Het geeft een moeder die alles verloor nog één daad van zorg. Jan Luyken maakte er in 1685 een ets van: een vrouw die op weg naar haar dood haar kind uit handen geeft. Wie die prent eenmaal gezien heeft, vergeet hem niet. Maar een prent van anderhalve eeuw later is iets anders dan een getuige.
VAN EEN KLEIN BOEKJE TOT DE MARTELAERSSPIEGEL
Wat wel goed te volgen is, is de weg die haar woorden aflegden. Nog in 1539, het jaar van haar dood, verscheen haar testament als een los boekje. David Joris liet het drukken met het bazuinenlied en een brief over de martelaren van Delft. Daarna drukte Dirk van Borne in Deventer het testament opnieuw, waarschijnlijk vóór 1545, ditmaal zonder lied. Van Borne drukte meer geschriften van Joris en zat er in 1545 voor gevangen.
In 1562 werd het testament opgenomen in de oudste bekende druk van Het Offer des Heeren. Die bundel werd in de jaren daarna vele keren herdrukt. Via die weg kwam het in 1660 en 1685 in de Martelaersspiegel van Thieleman van Braght terecht, het grote martelaarsboek van de doopsgezinden.
Er gebeurde onderweg iets opmerkelijks. De Davidjoriste Anneken werd in de latere boeken een doopsgezinde martelares in de lijn van Menno Simons. De historicus van 1918 wees erop dat ze daar niet bij hoorde. De mennisten waren voor 1540 nog maar in een paar streken te vinden. Haar woorden werden dus bewaard door een gemeenschap die met haar eigen leider weinig op had. Het testament sprak blijkbaar ook tot hen. De smalle weg, de kleine kudde, het kruis: dat herkenden ze.
Zo bleef het testament leven. Ruim vierhonderd jaar later wordt het in doopsgezinde kerken in Amerika nog gelezen en in preken aangehaald.
WAT IN HAMBURG LIGT
Ik heb geprobeerd uit te zoeken wat er van Anneken Jans zeker is. Het is weinig, en het meeste is pas in de twintigste eeuw uit archieven en oude drukken opgediept. Haar geboortejaar is een schatting. Het lot van haar man is onbekend. Over haar zoon weten we na januari 1539 bijna niets wat buiten de martelaarstraditie staat.
Er blijft een vrouw over die in een onrustige beweging gedoopt werd, die een fel lied op haar naam heeft staan, die een omstreden leider volgde, en die aan het eind een brief schreef die eeuwen overleefde. Het is geen glad heiligenleven. Ik denk dat het daardoor dichterbij komt.
In een bibliotheek in Hamburg ligt, volgens het artikel van 1918, het enige bekende exemplaar van het boekje dat Joris in 1539 liet drukken. Een klein boekje, met bovenaan de naam van een vrouw uit Den Briel en daaronder een brief aan een jongen die toen nog niet kon lezen.
Wat vaststaat en wat verteld wordt
Vaststaat (meerdere onafhankelijke bronnen): geboorte in Den Briel rond 1509 of 1510 (jaar onzeker); de naam Anneken Esaias of Esaiasdochter; haar man Arent (Adriaan) Jansz, barbier; doop in 1534 door Meyndert van Emden; de vlucht van haar man naar Engeland; haar verbinding met David Joris en haar brief aan hem van eind 1536; de geboorte van haar zoon Esaias in Engeland; de terugreis eind 1538 met Christina Michiel Barentsdochter uit Leuven; de arrestatie in december 1538; het vonnis en de dood door verdrinking in Rotterdam in januari 1539, samen met Christina; het testament aan haar zoon, gedrukt in 1539 en opgenomen in Het Offer des Heeren (1562) en de Martelaersspiegel; de ets van Jan Luyken (1685).
Alleen uit latere martelaarsboeken en navertellingen: de medereiziger die de vrouwen hoorde zingen en aangaf; de bakker die haar zoon opnam (volgens één handboek een arme bakker met zes kinderen); de rijkdom van de bakker en zijn brouwerijen; het burgemeesterschap van Esaias in Rotterdam; de verrader die verdronk toen een brug bezweek.
Onbevestigd: of het lied dat de vrouwen zongen haar eigen bazuinenlied was (vermoeden uit 1918); de precieze dag van de terechtstelling (23 januari volgens de Martelaersspiegel, 24 januari volgens het Offer des Heeren en de meeste moderne auteurs); hoe en wanneer haar man stierf; de leeftijd van Esaias bij haar dood; de datering van het bazuinenlied; dat het lied “Een groote vreught” van haar is (volgens Wieder waarschijnlijk van de samensteller van 1570); het vermoeden uit 1918 dat haar band met Joris meer dan geestelijk was (geen bewijs).
Duiding: Anneken werd gedoopt in de radicale stroming rond Münster, maar er is geen aanwijzing dat zij zelf geweld steunde of gebruikte. Na Münster volgde zij David Joris, die geweld afwees. Latere martelaarsboeken maakten van haar een doopsgezinde in de lijn van Menno Simons; historisch was zij een Davidjoriste.
Bronnen bij dit hoofdstuk
- Het Offer des Heeren (herdruk 1904 naar de editie 1570), DBNL
- Het Offer des Heeren, inhoud, DBNL
- Het Offer des Heeren, inleiding, DBNL
- Rotterdamsch Jaarboekje 1918, p. 17
- Rotterdamsch Jaarboekje 1918, p. 18
- Rotterdamsch Jaarboekje 1918, p. 19
- Rotterdamsch Jaarboekje 1918, p. 20
- Rotterdamsch Jaarboekje 1918, titelblad van het testament
- Rotterdamsch Jaarboekje 1918, p. 23
- Van Duyse, Het oude Nederlandsche lied, commentaar, DBNL
- Jan Luyken, Anneken Jans uyt den Briel (1685), Sacrifiles, Universiteit van Bologna
- Shewrote, Radboud Universiteit: Anneke Esaiasdr.
- McKay e.a., Individuals in Society: Anna Jansz of Rotterdam
- Joel Miller, Anna Jansz of Rotterdam, Anabaptist World
- Canadian Mennonite, over Anna Jansz
- Recensie van L. Panhuysen, De beloofde stad (BMGN)
- Executed Today, 24 januari 2015