Tot inde dood

Deel 1 · Tot in de dood · Hoofdstuk 3

Elisabeth Dirks

de lerares die geen namen noemde

gestorven 1549Leeuwarden

Op 15 januari 1549 werd in Leeuwarden een huis doorzocht. De mannen die binnenkwamen, vonden een boek. Het was een Nieuw Testament in het Latijn. Voor hen was dat genoeg. Een vrouw met een Latijnse Bijbel in huis was in hun ogen geen gewone vrouw. Ze zeiden dat ze de lerares te pakken hadden. En ze vroegen waar haar man was: Menno Simons, de leraar.

Ze had geen man. Dat zou ze een paar dagen later zelf zeggen, voor de raadsheren van het Hof van Friesland. Maar de vraag zegt veel. De mannen die haar oppakten, dachten dat ze iemand belangrijks in handen hadden. Ze dachten dat deze vrouw de sleutel was tot een hele kring van dopers in Friesland. Ze wilden namen.

Ze kregen ze niet.

Deze vrouw heet in de boeken Elisabeth Dirks, of Lijsbeth Dirksdochter. In de oudste verslagen heet ze alleen Elisabeth. Ze werd verhoord, gemarteld en in 1549 in Leeuwarden verdronken, omdat ze doopsgezind was en weigerde te zeggen met wie ze haar geloof deelde. Ruim vierhonderd jaar later wordt ze in naslagwerken een lerares genoemd, misschien zelfs de eerste diacones van de doopsgezinden. Over haar leven vóór die januaridag weten we bijna niets zeker. Over de weken daarna weten we verrassend veel.

Dit hoofdstuk begint dan ook met een vraag die bij haar meer dan bij anderen nodig is. Hoe weten we wat we over haar weten?

DRIE LAGEN PAPIER

Wie over Elisabeth leest, leest eigenlijk drie soorten teksten door elkaar. Ik wil ze even uit elkaar halen, omdat het verhaal er eerlijker van wordt.

De oudste laag is een tekst in Het Offer des Heeren, een doopsgezind martelaarsboek dat voor het eerst in 1562 verscheen. Daarin staat een stuk met de titel “Dit is de Belijdinge van een teeder Meysken, geheeten Elisabeth.” Het vertelt hoe ze gevangen werd genomen en wat ze tegen haar rechters zei. Het is geen officieel verslag van het Hof. Het is een tekst die onder doopsgezinden rondging om elkaar moed te geven. Wie hem opschreef, weten we niet. Hij staat wel dicht bij de gebeurtenissen: hooguit dertien jaar later lag hij gedrukt op tafel.

De tweede laag is de Martelaersspiegel van Thieleman van Braght uit 1660. Van Braght nam het verhoor over en gaf ook de marteling en het vonnis door. Bij sommige andere martelaren vermeldt hij uit welk archief hij zijn gegevens haalde. Bij Elisabeth doet hij dat niet.

De derde laag komt uit de negentiende en twintigste eeuw. Doopsgezinde historici, onder wie Antje Brons in Oost-Friesland, schreven levensverhalen waarin Elisabeth een jeugd kreeg, een klooster, een vlucht en een vriendin. Christian Neff vatte dat in 1956 samen in de Mennonite Encyclopedia. Uit die laag komen de meeste verhalen die je vandaag over haar online leest.

De eerste laag is het dichtst bij haar. De derde laag is het mooist verteld. Ik zal steeds zeggen uit welke laag een verhaal komt.

“EEN BAGIJNKEN GEWEEST”

In de titel van de belijdenis in Het Offer des Heeren staat één klein biografisch gegeven. Elisabeth was “een Bagijnken geweest”, een begijntje. Begijnen waren vrouwen die samen een religieus leven leidden, vaak zonder de strenge geloften van nonnen. Meer zegt de titel er niet over. Geen plaats, geen jaartal, geen reden waarom ze er wegging.

In de inleiding bij een latere uitgave van datzelfde martelaarsboek staat nog een tweede kleine zin: “Elisabeth van Leeuwarden verstaat Latijn.” Dat past bij het Latijnse Testament dat in haar huis gevonden werd. Een vrouw die Latijn kon lezen, had dat ergens geleerd. In haar tijd was een religieuze gemeenschap een van de weinige plekken waar een meisje dat kon leren.

Meer is er uit de vroegste bron niet over haar jeugd te halen. Wie ze was voordat ze doopsgezind werd, waar haar ouders woonden, hoe oud ze was toen ze stierf: het staat er niet.

HET KLOOSTER BIJ LEER EN HET MELKMEISJE

Wie in moderne boeken of op internet over Elisabeth leest, vindt een veel rijker verhaal. Als kind zou ze naar het klooster Tienge zijn gebracht, bij Leer in Oost-Friesland, net over de huidige grens met Duitsland. Rond haar twaalfde zou ze gehoord hebben dat er een ketter was verbrand omdat hij de sacramenten afwees. Dat liet haar niet los. Ze zou een Bijbel hebben gekregen en die hebben gelezen, en ze zou steeds meer zijn gaan twijfelen aan wat de kerk leerde.

Het verhaal gaat verder. Ze zou een jaar zijn opgesloten op verdenking van ketterij. De nonnen zouden om haar vrijlating hebben gevraagd, waarna ze onder strenge controle bleef. Uiteindelijk zou ze zijn gevlucht, verkleed als melkmeisje. In Leer zou ze bij een doopsgezind gezin terecht zijn gekomen en zich bij de broeders hebben aangesloten. Volgens de Duitse Wikipedia kwam haar familie vermoedelijk uit Groothusen, ook in Oost-Friesland.

Het is een sterk verhaal. Het verklaart het Latijn, het begijntje uit de oude titel en de Latijnse Bijbel. Maar ik moet eerlijk zijn over waar het vandaan komt. Het staat niet in Het Offer des Heeren. Het staat niet in de Martelaersspiegel. Ik ben het pas tegengekomen in literatuur vanaf de negentiende eeuw. De Mennonite Encyclopedia noemt Antje Brons als een van haar bronnen, en Brons schreef ruim driehonderd jaar na Elisabeths dood. Een oudere bron voor het klooster bij Leer, de opsluiting of de vlucht als melkmeisje heb ik niet gevonden.

Het kan zijn dat Brons in Oost-Friesland een overlevering kende of een stuk in een archief had gezien. Het kan ook zijn dat het verhaal is gegroeid rond die ene zin: ze was een begijntje geweest. Ik weet het niet. Ik vertel het dus als een verhaal dat later verteld wordt, niet als iets dat vaststaat.

Herken je dat, dat je een verhaal over een held liever mooier wilt hebben dan het is? Ik herken het bij mezelf. Elisabeth heeft dat niet nodig. Wat er in de oudste bron over haar staat, is al genoeg.

LEEUWARDEN, EEN STAD DIE HET AL EERDER HAD GEZIEN

Toen Elisabeth in Leeuwarden woonde, was de stad al bekend met terechtstellingen van dopers. In 1531 was daar Sikke Frerichs gedood. Volgens de Blokhuispoort, het voormalige gevangeniscomplex van Leeuwarden, werden zowel de eerste als de laatste doopsgezinde martelaar van Nederland in deze stad terechtgesteld.

In april 1535 hadden radicale dopers het Oldeklooster bij Bolsward bezet. Na de herovering werden veel van hen gedood, onder wie tientallen vrouwen die werden verdronken. Wie zich opnieuw liet dopen, liep in Friesland vanaf dan groot gevaar.

In die stad, vijftien jaar na Oldeklooster, woonde Elisabeth. Volgens het latere verhaal van de Mennonite Encyclopedia woonde ze er stil, in het huis van een doopsgezinde vrouw die Hadewijck heette. De man van Hadewijck zou zijn gevlucht nadat hij zich positief had uitgelaten over Sikke Frerichs. Ook dit detail komt uit de latere laag. In het verslag van de arrestatie wordt Hadewijck niet genoemd.

“WAAR IS UW MAN?”

Terug naar 15 januari 1549. Het verslag in Het Offer des Heeren geeft de datum precies, en voegt eraan toe dat het jaar gerekend is vanaf nieuwjaar. Ze werd in haar huis gevangengenomen. Er werd een Latijns Testament gevonden. De mannen zeiden dat ze de lerares hadden, en ze vroegen naar haar man, Menno Simons.

Menno Simons was in die jaren de bekendste leider van de vreedzame dopers in de Nederlanden. Hij was rooms-katholiek priester geweest voordat hij zich bij de dopers aansloot. Naar hem zijn de mennonieten genoemd. Over hem gaat dit hoofdstuk niet. Wat ertoe doet, is dat de overheid hem zocht en dacht dat deze vrouw hem kende. Dat ze zijn vrouw zou zijn, klopte niet. Latere schrijvers hebben uit de vraag afgeleid dat ze nauw met hem samenwerkte. De bron zegt alleen dat de ondervragers dat dachten.

De Mennonite Encyclopedia vertelt nog iets. Hadewijck zou met haar zijn opgepakt en zijn ontsnapt. Ze zou in Emden oud zijn geworden. Ook dat verhaal staat niet in het oudste verslag.

Elisabeth werd eerst naar het raadhuis gebracht. De volgende dag ging ze naar het Blokhuis, de gevangenis van Leeuwarden.

JA JA, NEE NEE

Voor de raadsheren moest ze eerst zweren. De vraag was eenvoudig: had ze een man? Ze weigerde de eed. Doopsgezinden zwoeren geen eden, omdat ze de woorden van Jezus in de Bergrede letterlijk namen. In de marge van het oude verslag staan de verwijzingen erbij, naar Mattheüs en Jakobus. Jezus zei daar: laat uw woord ja ja zijn (Mattheüs 5:37).

Ze zei dat haar woord ja of nee moest zijn, en dat ze geen man had.

Het lijkt een klein punt. Voor de rechters was het dat niet. Een verdachte die weigert te zweren, weigert de basis van de rechtspraak. Voor Elisabeth was het ook geen klein punt. Als haar woord zonder eed niet te vertrouwen was, wat was haar geloof dan waard? Ik vind het opvallend dat ze al bij de eerste vraag liet zien hoe ze zou blijven antwoorden: kort, eerlijk, en zonder iets te geven wat ze niet kon geven.

OVER HAAR GELOOF WEL, OVER HAAR VRIENDEN NIET

De raadsheren vertelden haar wat ze van haar dachten. Ze was een lerares die veel mensen had misleid. Ze wilden weten wie haar vrienden waren. Ze vroegen naar haar ouders. Ze vroegen wie ze onderwezen had. Ze vroegen wie erbij waren geweest toen ze gedoopt werd.

Op al die vragen gaf ze geen antwoord. Volgens het verslag in de Martelaersspiegel vroeg ze hen haar daarmee met rust te laten. Ze bood iets anders aan. Over haar geloof wilde ze graag vertellen. Ze maakte een scherp onderscheid. Wat zij geloofde, was van haar en daar mocht iedereen naar vragen. Wie haar vrienden waren, was niet van haar om weg te geven.

Daarna kwamen de vragen over de leer, en die beantwoordde ze uitgebreid. Ze sprak over de kerk, over de mis, over de kinderdoop, over de macht van priesters om zonden te vergeven, over de zalving van zieken uit de brief van Jakobus. Bijna steeds antwoordde ze met teksten uit de Bijbel. Toen ze gevraagd werd naar het allerheiligste sacrament, zei ze dat ze in de Bijbel nooit over een heilig sacrament had gelezen, wel over het Avondmaal van de Heer.

Ze ontkende dat ze opnieuw gedoopt was. Ze was één keer gedoopt, zei ze, op haar geloof. Haar doop als baby telde voor haar niet als doop. Toen werd ze gevraagd of ze dan dacht dat die doop haar redde. Nee, antwoordde ze. Al het water van de zee kon haar niet redden. Het behoud was in Christus.

Ik merk dat ik bij die zin even stil word. De rechters zagen haar doop als de kern van haar misdaad. Zij zag haar doop als gehoorzaamheid, niet als haar redding. Haar redding lag ergens anders.

SCHROEVEN IN HET BLOKHUIS

Wat daarna gebeurde, ken ik alleen uit de Martelaersspiegel. Ik vertel het kort.

Omdat ze geen namen noemde, werd ze gemarteld. De beul, die in het verslag meester Hans heet, zette schroeven op haar duimen en vingers. Het verslag zegt dat er bloed onder haar nagels uit kwam. Ze riep God aan. Daarna, zo staat het er, ging de pijn weg, en ze zei tegen de heren dat ze haar maar moesten vragen, omdat ze geen pijn meer voelde.

Toen werden er schroeven op haar scheenbenen gezet. Ze viel flauw. Toen ze bijkwam, werden de schroeven weggehaald.

Ze had geen enkele naam genoemd.

Ik weet niet wat er precies in die kamer gebeurde, en jij ook niet. We hebben alleen de woorden van mensen die haar verhaal wilden bewaren. Of de pijn werkelijk wegging zoals ze zei, kan geen historicus controleren. Wat wel vaststaat, is dat de rechters niets kregen. In geen enkel verslag staat dat er na haar verhoor andere mensen zijn opgepakt omdat zij hun naam had genoemd.

Wat doe je als iemand van je vraagt de mensen te verraden met wie je bidt? De meeste van ons zullen die vraag nooit hoeven te beantwoorden. Elisabeth moest het met schroeven aan haar handen.

“MET MIJN DOOD BEZEGELEN”

Er volgde een laatste verhoor. Ze werd gevraagd of ze wilde herroepen wat ze eerder had bekend. Herroepen had haar leven kunnen redden, of in elk geval een snellere dood kunnen opleveren. In de Engelse vertaling van de Martelaersspiegel staat haar antwoord zo: “No, my lords, but I will seal it with my death.” Nee, heren, ik zal het met mijn dood bezegelen.

Het vonnis was kort. Ze werd veroordeeld om in een zak te worden verdronken.

Hier wordt het lastig, en ik vind dat je dat mag weten. Volgens de Martelaersspiegel werd het vonnis uitgesproken op 27 maart 1549. Veel boeken en websites maken daar haar sterfdag van.

De Mennonite Encyclopedia zegt iets anders. Daar staat dat ze verdronken werd op 27 mei 1549, en dat Van Braght zich vergiste met maart. De Blokhuispoort, die zich baseert op een modern martelaarsboek van Willem Westerbeke uit 2019, houdt beide data aan: op 27 maart kreeg ze haar vonnis te horen, op 27 mei werd ze verdronken.

Welke bron uit 1549 aan die datum in mei ten grondslag ligt, heb ik niet kunnen vinden. Het kan een vonnisboek van het Hof van Friesland zijn, maar dat heb ik niet zelf ingezien. Het is dus zeker dat ze in het voorjaar van 1549 in Leeuwarden stierf. Of dat op 27 maart of op 27 mei was, durf ik niet met zekerheid te zeggen. Mei heeft de betere papieren, maar niet de papieren die ik zelf heb gezien.

Als het mei was, zat ze ruim vier maanden in het Blokhuis. Twee daarvan na haar vonnis.

EEN VROUW DIE LEERDE

In de oudste bron wordt Elisabeth door haar vijanden een lerares genoemd. Meer weten we niet over haar werk in de doopsgezinde kring. We weten niet wie ze onderwees, hoeveel mensen het waren, of waar ze samenkwamen. Zij zweeg erover, en daardoor weten wij het ook niet.

Latere schrijvers hebben daar een titel aan gegeven. De Mennonite Encyclopedia noemt haar voorzichtig misschien de eerste doopsgezinde diacones. De Duitse Wikipedia schrijft dat ze de eerste vrouw zou zijn die in een doopsgezinde gemeente onderwees. Dat zijn duidingen, geen feiten uit 1549. Ze laten wel zien hoe haar verhaal later gelezen werd: als het verhaal van een vrouw die de Bijbel kende en anderen hielp hem te begrijpen.

Haar eigen antwoorden in het verhoor laten zien waarom ze die naam kreeg. Ze kende haar Bijbel. Ze kon de vragen van geleerde raadsheren beantwoorden met teksten die ze uit haar hoofd wist. Voor de raad zat een vrouw die het Latijn verstond en de rechters antwoord gaf uit de Bijbel.

EEN LIED IN DE AUSBUND

Het verhaal van Elisabeth werd al snel gezongen. Over haar dood werd een lied gemaakt dat in de liedbundel bij Het Offer des Heeren werd opgenomen. De website literatuurgeschiedenis.org noemt een lied uit 1549 over een zekere Elisabeth uit Leeuwarden, die weigerde onder ede te zeggen of ze getrouwd was. Doopsgezinden zongen zulke liederen om elkaar te bemoedigen, vaak zonder dat de dichter zijn naam erbij zette.

Het lied reisde ver. Het werd vertaald en opgenomen in de Ausbund, de oudste liedbundel van de dopers. Daar staat het als lied nummer 13, volgens de Duitse Wikipedia in achtendertig strofen. Zo werd er ver buiten Friesland gezongen over een vrouw uit Leeuwarden van wie we niet eens zeker weten hoe ze heette.

Er is nog een spoor. In een liedbundel uit Hoorn van 1618 zou een lied staan dat zij zelf geschreven zou hebben. Welk lied dat is, is volgens de Mennonite Encyclopedia nooit vastgesteld. Ik laat het daarom bij deze ene zin.

EEN TESTAMENT IN HET LATIJN

Het verhaal van Elisabeth Dirks is voor een groot deel een verhaal van wat we niet weten. Haar geboortejaar ontbreekt. Haar ouders ontbreken, want die noemde ze niet. Haar leerlingen ontbreken, want die noemde ze ook niet. Zelfs haar sterfdag staat niet helemaal vast.

Maar dat zwijgen was haar keuze. Het meeste van wat we over haar missen, ontbreekt omdat zij het onder de schroeven voor zich hield. De gaten in haar levensverhaal zijn de mensen die ze beschermde.

Wat overblijft, is wat ze wel wilde zeggen. Dat ze één keer gedoopt was, op haar geloof. Dat haar woord ja of nee was. Dat al het water van de zee haar niet kon redden, en dat haar behoud in Christus lag.

En er blijft een beeld over uit die eerste januaridag. Een paar mannen in een huis in Leeuwarden, met een boek in hun handen dat voor hen genoeg bewijs was. Een Testament in het Latijn, opengeslagen op een tafel van een vrouw die het wel kon.

Dossier

Wat vaststaat en wat verteld wordt

Vaststaat (meerdere onafhankelijke bronnen): Elisabeth was een doopsgezinde vrouw in Leeuwarden; ze werd op 15 januari 1549 gevangengenomen; er werd een Latijns Testament bij haar gevonden en haar ondervragers dachten dat ze de vrouw van Menno Simons was; ze weigerde de eed en noemde geen namen; ze werd veroordeeld tot de dood door verdrinking en stierf in het voorjaar van 1549 in Leeuwarden; over haar dood werd een lied gemaakt dat in Het Offer des Heeren en in de Ausbund (nr. 13) staat.

Alleen uit het geloofsverslag van haar medegelovigen: de woorden van het verhoor (de eed, ja ja en nee nee, het Avondmaal, het water van de zee, de weigering te herroepen) komen uit de belijdenis in Het Offer des Heeren (vanaf 1562) en de Martelaersspiegel (1660), geen officieel protocol van het Hof; de marteling met duim- en beenschroeven en het wegtrekken van de pijn kennen we alleen uit de Martelaersspiegel; dat ze een begijntje was geweest staat in de titel van de oudste belijdenis.

Onbevestigd: het klooster Tienge bij Leer, de opsluiting van een jaar en de vlucht als melkmeisje (pas in literatuur vanaf de negentiende eeuw); haar familie uit Groothusen; het verblijf bij Hadewijck, haar ontsnapping en haar oude dag in Emden; een lied dat Elisabeth zelf geschreven zou hebben (1618); de achternaam Dirks of Dirksdochter, die in de oudste verslagen niet voorkomt.

Betwist: de sterfdag. De Martelaersspiegel noemt 27 maart 1549 als datum van het vonnis; de Mennonite Encyclopedia en de Blokhuispoort noemen 27 mei 1549 als datum van de verdrinking. De archiefbron voor 27 mei heb ik niet zelf gezien.

Duiding: dat ze lerares was, zeiden haar ondervragers. Dat ze de eerste doopsgezinde diacones of de eerste lerares in een doopsgezinde gemeente was, is een latere duiding.

Bronnen bij dit hoofdstuk

  1. Het Offer des Heeren, inhoudsopgave (DBNL)
  2. Het Offer des Heeren, inleiding bij de uitgave (DBNL)
  3. The Sacrifice of the Lord (1580), p. 54: de belijdenis van Elisabeth (Source Library)
  4. Martyrs Mirror, Elizabeth, A.D. 1549 (homecomers.org)
  5. Christian Neff, “Elisabeth Dirks (d. 1549)”, Global Anabaptist Mennonite Encyclopedia Online
  6. Blokhuispoort, “Elisabeth, 1549”
  7. Literatuurgeschiedenis.org, “Leven en sterven voor het geloof”
  8. Christian History Institute, “Tortured to betray friends, Elizabeth Dirks refused”
  9. Wikipedia (Duits), “Elisabeth Dirks”
Liever het hele boek?PDF downloadenE-book (EPUB)Over dit deel