Gods generaalsin Nederland

Deel 1 · Volg hun geloof na · Hoofdstuk 3

Johannes de Heer

de orgelman die op de Koning wachtte

1866-1961Rotterdam

In november 1895 lag in Rotterdam een meisje van vier ernstig ziek. Ze heette Dina. Haar vader werkte in de Rotterdamse muziekhandel. Hij ging naar de Gereformeerde Kerk in de stad om te vragen of er voor zijn kind gebeden kon worden. Die zondag preekte professor N. van Nes over Psalm 91, de psalm over de schaduw van de Almachtige. De vader vond er troost in. Zijn dochter werd niet beter. Op 3 januari 1896 stierf ze.

Zo staat het in de Duitse biografie die Petrus Huigens in 1967 over hem schreef. Huigens had jaren met hem samengewerkt en baseerde zich grotendeels op wat de vader zelf vertelde. Dat Dina begin 1896 stierf, vier jaar oud, melden ook andere bronnen. De preek en de precieze datum kennen we alleen uit zijn eigen herinnering. Later vatte hij het samen in een zin die Huigens in het Duits optekende: “Het sterfbed van ons kind werd ook het keerpunt van ons leven.”

De vader heette Johannes de Heer. Hij zou de man worden achter de zangbundel die nog altijd zijn naam draagt, en achter het blad Het Zoeklicht. Op het hoogtepunt lazen veertigduizend abonnees zijn blad, dat steeds op één boodschap terugkwam: Jezus komt terug. Hij stond aan de wieg van de christelijke radio in Nederland. Hij werd vierennegentig.

Maar in januari 1896 was hij een vader die een kind had begraven, en die niet wist of hij zelf wel van God was.

DE ZOON VAN DE SMID

Johannes de Heer werd geboren op 23 mei 1866 in Rotterdam. Zijn vader was smid. Zijn moeder stierf toen hij ongeveer een jaar oud was. Volgens een artikel in Het Zoeklicht uit 2011 was zij een biddende vrouw, en behandelde zijn stiefmoeder hem daarna als haar eigen kind. Dat laatste komt uit de kring van zijn eigen beweging. Een tweede bron heb ik er niet voor gevonden.

Over de kerk van zijn jeugd zijn de bronnen het niet eens. Het Zoeklicht spreekt van een oud-gereformeerd gezin. Andere bronnen noemen hem van huis uit hervormd. Ik laat het hier open.

Zijn vader wilde dat hij in de smederij kwam werken. Dat paste niet bij hem. Johannes was muzikaal. Volgens een levensschets op een Rotterdamse familiewebsite kochten zijn ouders een klein serafineorgeltje, en kreeg hij les van een bevriende scheepsmaker. Geld voor echte muziekles was er niet. De rest leerde hij zichzelf.

Hij ging naar de lagere school tot zijn elfde. Op zijn twaalfde of dertiende, de bronnen verschillen een jaar, kwam hij in de leer bij de muziekhandel van Lichtenauer in Rotterdam. Zo begon een leven tussen orgels, harmoniums en bladmuziek.

In 1886 werd hij eerste bediende bij de muziekfirma Alsbach & Co, ook in Rotterdam. Hij was twintig. Op 30 oktober 1889 trouwde hij met Catharina Frederika Beindorff. In februari 1891 werd hun dochter Dina geboren.

Het huwelijk was gelukkig, zo schreef Het Zoeklicht later. Geestelijk was het arm, voegde het blad eraan toe. Hij twijfelde over de uitverkiezing, de vraag of God hem wel had gekozen. Die twijfel maakte hem onverschillig. Hij wilde eerst nog genieten van het leven. In zijn vrije tijd speelde hij schaak.

Ken jij die twijfel? De vraag of het evangelie ook voor jou bedoeld is, kan iemand jarenlang op afstand houden. Bij Johannes de Heer deed hij dat tot zijn dertigste.

Er overleed in het gezin ook een zoontje, binnen negen maanden na zijn geboorte. Het Zoeklicht noemt dat verlies vóór de dood van Dina, een andere bron erna. Hoe het precies ging, weet ik niet. Vast staat dat het jonge gezin twee kinderen verloor, en dat er later nog een zoon en een dochter kwamen.

EEN ZONDAGAVOND IN 1896

Na de dood van Dina veranderde er iets. Hij begon de Bijbel te lezen in plaats van te schaken. Hij zocht. Volgens zijn eigen verhaal was het op een zondagavond in het voorjaar van 1896 dat hij God vroeg of hij Zijn kind mocht worden. De precieze datum wist hij later zelf niet meer. Vanaf die avond geloofde hij dat Jezus Christus zijn Verlosser was. De volgende dag, vertelde hij, voelde hij een grote vreugde.

In zijn zoektocht kwam hij ook bij de Zevendedags Adventisten terecht. Hij bleef er enkele jaren, volgens een overzicht van 1896 tot 1902. Toen nam hij afscheid. Hij legde zijn vertrek uit in een brochure met de titel Waarom ik op zaterdag niet meer gesloten ben. Later wees hij elke verwantschap met de adventisten af, zo noteerde het Reformatorisch Dagblad in 1979.

Ik vind het mooi dat dit zo open in zijn levensverhaal staat. Hij zocht, hij ging een weg die hij later verliet, en hij schaamde zich er niet voor om dat uit te leggen.

HARMONIUMS AAN HUIS

Bij Alsbach kon hij niet blijven. Volgens de Rotterdamse levensschets stond hij niet meer achter de muziek die hij daar moest verkopen. In 1898 begon hij voor zichzelf, een muziekwinkel aan huis. Hij gaf orgelles, gaf bladmuziek met christelijke liederen uit en verkocht harmoniums.

Een muziekzaak met zijn naam bestaat nog. Joh. de Heer schrijft op haar website dat haar geschiedenis in 1898 in Rotterdam begon. Ze verkoopt nog steeds orgels.

Rond 1902 kwam hij in contact met de Rotterdamse stadsevangelisatie Jeruël. In 1903 sloot hij zich daar aan. Hij begeleidde er de samenzang.

EEN TEKST OP EEN WITTE MUUR

Volgens de Rotterdamse levensschets besloot hij in het voorjaar van 1903 een eigen zangbundel te maken. Hij reisde naar Londen en vond daar in Paternoster Row, de straat van de boekhandels en uitgevers, een Engelse liedbundel die hem op weg hielp. In december 1903 lag de kopij klaar, met 673 nummers. Veel liederen kwamen uit de Engelse bundel Victory Songs, vertaald door hemzelf en door anderen.

Toen kwamen de berichten uit Wales. In 1904 brak daar een opwekking uit, met Evan Roberts als bekendste gezicht. De Heer reisde erheen. Over de datum verschillen de bronnen. Huigens spreekt van het najaar van 1904. Het Zoeklicht en de Rotterdamse levensschets noemen 17 februari 1905, toen hij met enkele vrienden vanuit Vlissingen vertrok. Een van hen was T. van Essen.

In Wales gebeurde iets wat hij zijn leven lang zou vertellen. Tijdens een getuigenisavond, mogelijk in Briton Ferry, zag hij volgens zijn eigen verhaal woorden op een witte muur verschijnen. Niemand anders zag ze. Het was een zin van koning Hiram aan Salomo, over het hout voor de tempel: Maar dan moet u mijn wens uitvoeren door voedsel voor mijn huis te geven. (1 Koningen 5:9).

Wat de tekst voor hem betekende, vertellen de bronnen niet helemaal gelijk. Bij Huigens werd het de bevestiging dat hij zich volledig als evangelist moest inzetten. In de andere verhalen bevestigde het zijn plan met de liederen: voedsel voor Gods huis. Misschien hoorde het voor hem bij elkaar. Volgens Huigens heeft hij er nooit aan getwijfeld.

Dit verhaal kennen we alleen uit zijn eigen getuigenis. Er was een vriend bij, maar een verslag van die vriend heb ik niet gevonden. Hoe God precies tot hem sprak, kan ik niet controleren. Wel wat er daarna gebeurde.

VIJFDUIZEND BOEKJES

De eerste uitgave van de bundel verscheen in 1904 of 1905. Ook daarover zijn de bronnen het niet eens. De eerste druk met muziek telde vijfduizend exemplaren. Hij werd voor het eerst gebruikt op een conferentie in Hilversum.

Daarna ging het hard. Het voorwoord bij de achttiende druk, ondertekend in Driebergen in het voorjaar van 1955, sprak van 185.000 exemplaren met muziek en 640.000 tekstuitgaven. In 2016 telde het Reformatorisch Dagblad meer dan dertig drukken en ruim 300.000 muziekbundels. De dertigste druk, uit 2004, loopt tot nummer 1011. Het waren eenvoudige liederen. Ze gingen over Jezus, over het kruis, over de hemel en over de wederkomst. Theologen en letterkundigen hadden kritiek op de verzen, en De Heer verdedigde ze. Ook later bleven er vragen. Sommige liederen hebben een remonstrantse kleur, en in bevindelijk gereformeerde kringen werd soms gezegd: zing dat vers maar niet.

Maar de liederen bleven. Ze werden gezongen in evangelisatiezalen, in gezinnen rond het harmonium, bij de Evangelische Omroep en op begrafenissen. In 2016, honderdvijftig jaar na zijn geboorte, werd het Groot Johannes de Heer Koor opgericht.

EEN TENT IN APELDOORN

Na Wales werd De Heer evangelist. Wat volgde, kennen we vooral uit de biografie van Huigens. Volgens hem kwamen er na zijn terugkeer veel mensen tot geloof. Hij noemt een christelijke jongemannenvereniging met tweehonderd leden.

In 1906 ontstond volgens Huigens een Nederlandse tentzending, gedragen door een comité van christenen uit verschillende kerken. De Heer trok met de tent van plaats naar plaats. In september 1906 zou de tent in Apeldoorn officieel zijn geopend in aanwezigheid van koningin Wilhelmina. In 1908 werd hij leider van de stadszending in Den Haag. In 1910 reisde hij met een Duitse groep naar Palestina.

Ik noem deze feiten omdat ze in de enige uitgebreide biografie staan. Een tweede bron heb ik er niet voor gevonden. Zeker het verhaal over de koningin zou ik graag in een krant uit 1906 terugzien.

ZEVEN MENSEN IN ZEIST

In 1914 brak de Eerste Wereldoorlog uit. Nederland bleef neutraal. De Heer zag dat mensen in onzekere tijden meer openstonden voor het evangelie. Hij begon te spreken over de tekenen der tijden. Hij schreef artikelen over de wederkomst van Christus in het blad Maran-Atha. Later trok hij zich daar terug, omdat er stukken verschenen waar hij het niet mee eens was.

Maranatha betekent: de Heer komt. Volgens Zoeklicht-redacteur J. Kits was het de roep van de eerste christelijke gemeente. Het laatste boek van de Bijbel sluit met die roep: Ja, Ik kom spoedig. Amen. Ja, kom, Heere Jezus! (Openbaring 22:20). Dat woord werd de rode draad van zijn verdere leven.

In 1915 werd hij ernstig ziek. Hij was negenenveertig en woonde aan de Herenstraat in Zeist. Volgens Huigens rekende iedereen op zijn dood en was de begrafenis al besproken. Na gebed herstelde hij. Hij ervoer het als een nieuwe levensopdracht. Dat hij in die jaren zwaar ziek was, bevestigt ook Het Zoeklicht. Het blad voegt eraan toe dat hij daarna vaak zwak bleef.

Na zijn herstel begon hij in Zeist een Maranatha-avond. Er kwamen zeven mensen. Volgens Huigens groeide het uit tot grote bijeenkomsten, uiteindelijk in de kerk van de Hernhutter Broedergemeente in Zeist. In 1920 volgde een Maranatha-conferentie in Arnhem, in 1921 in Doetinchem en Den Helder. In juli 1927 was er in Zeist de eerste Maranatha-tentdag. Voor de Tweede Wereldoorlog leidde hij grote conferenties in Zeist en Utrecht. Ook die gegevens komen uit de biografie van Huigens.

Godsdienstwetenschapper S.J. Vellenga schreef er in 1998 over als de Maranathabeweging van Johannes de Heer. Hij wilde er geen kerk van maken. Hij bleef zijn hele leven lid van de Nederlandse Hervormde Kerk en ging daar aan het avondmaal. Hij sprak veel in Vrije Evangelische Gemeenten en bij het Leger des Heils. Zijn bedoeling was de verwachting van de wederkomst terug te brengen in de kerken die er al waren.

1 JULI 1919

In juni 1919 zette De Heer advertenties in kranten. Hij kondigde een nieuw christelijk blad aan, dat twee keer per maand zou verschijnen. Er kwamen ongeveer vijfduizend aanvragen binnen. Op 1 juli 1919 verscheen het eerste nummer van Het Zoeklicht, acht pagina’s dik. Het ging eerst mee als bijblad van De Amsterdammer.

In dat eerste nummer schreef hij dat het blad zich vooral wilde bezighouden met het onderzoek van de profetieën, in verband met wat er in de wereld gebeurde. Huigens citeert er een zin uit die zijn toon goed laat horen: de tijd van gezellige beschouwingen en stichtelijke verhaaltjes was voorbij.

Volgens Huigens ging De Amsterdammer in 1922 failliet. De Heer nam de verspreiding zelf ter hand. Het blad had toen al tienduizend abonnees. Hij gaf het verder in eigen beheer uit. In de jaren dertig kwam de oplage op dertigduizend en soms op veertigduizend. Dat laatste getal noemde het Reformatorisch Dagblad in 1979 ook. Er verscheen volgens Huigens zelfs een Russische editie.

Rond zijn vijfenvijftigste, omstreeks 1921, verhuisde hij naar een villa in Driebergen. Daar zou hij de rest van zijn leven wonen.

ISRAËL, LANG VOOR 1948

Al vóór de Eerste Wereldoorlog schreef De Heer over de terugkeer van het Joodse volk naar het land van Israël. In 1918 verscheen in Rotterdam zijn brochure Israëls herstel en terugkeer naar Palestina. Hij betoogde daarin dat de profetieën over Israël letterlijk in vervulling zouden gaan. Het boekje werd tot in 1990 herdrukt.

Volgens Huigens zag hij het nationale herstel van Israël als een teken van de eindtijd. Eerst zou het volk in ongeloof terugkeren, daarna zou er geestelijke vernieuwing komen. In 1937 gaf hij in een enquête een duidelijk ja op de vraag of het Joodse volk een toekomst had.

Hij maakte het nog mee dat in 1948 de staat Israël werd uitgeroepen. Wat hij daar zelf over schreef, heb ik niet kunnen nagaan. Wel bleef Israël het grote thema van Het Zoeklicht, ook na zijn dood.

Niet iedereen was enthousiast. Kerken hadden vanaf het begin kritiek op het blad: het zou eenzijdig zijn en weinig oog hebben voor de belijdenisgeschriften. Een recensent in de jaren dertig noemde hem een radicale figuur. Dezelfde recensent zag ook waar zijn kracht zat. De macht die hij over de menigte had, schreef hij, kwam door de “muzikale bezieling” die van hem uitging.

EEN STEM DOOR DE ETHER

Op 4 april 1924 sprak De Heer voor de Hilversumsche Draadloze Omroep. Zijn toespraak heette Hoe wij door de draadloze de geestelijke dingen verstaan. Huigens noemt het de eerste Bijbelstudie die een Nederlander via de radio hield. Dat heb ik niet onafhankelijk kunnen controleren.

Op 15 november 1924 werd in Den Haag de Nederlandsche Christelijke Radio Vereeniging opgericht, de NCRV. Meerdere bronnen zeggen dat De Heer aan de wieg ervan stond. Hij zat volgens Huigens lang in het uitvoerend comité. Volgens de Rotterdamse levensschets verzorgde hij voor de oorlog 155 uitzendingen en bijna honderd liederenuurtjes. Hij zong ook zelf.

Zo kwamen zijn stem en de liederen uit zijn bundel in huiskamers waar nooit een evangelist over de vloer kwam. Niet overal was dat welkom. In een familieverhaal op de Rotterdamse website komen ouderlingen langs om bezwaar te maken tegen de radio. De moeder des huizes liet De Heer gewoon doorzingen.

WEDUWNAAR IN DRIEBERGEN

In 1928 stierf zijn vrouw Catharina. Ze waren bijna veertig jaar getrouwd. Over de jaren daarna is minder bekend. Volgens Huigens leefde hij volgens een strak dagschema. Hij schreef veel. Huigens spreekt van meer dan vijftig titels, met vertalingen in onder meer het Duits, Zweeds en Russisch. Zijn boek Het duizendjarig vrederijk gold in zijn beweging als standaardwerk en werd nog in 1984 herdrukt.

In mei 1940 viel Duitsland Nederland binnen. De samenwerking met Huigens hield toen op. Hoe het Zoeklicht door de bezettingsjaren kwam, heb ik in de bronnen niet gevonden.

Na de oorlog bleef hij spreken en schrijven, tot op hoge leeftijd. Volgens Huigens kregen zijn zeventigste, tachtigste en negentigste verjaardag veel aandacht in kranten en op de radio. Bij zijn negentigste verjaardag, in 1956, stuurde de synode van de Nederlandse Hervormde Kerk hem een gelukwens. Voor een man die zo vaak kritiek uit de kerken had gekregen, zei dat iets. Volgens Huigens kreeg hij ook een koninklijke onderscheiding, in de Orde van Oranje-Nassau.

Johannes de Heer stierf op 16 maart 1961 in Driebergen. Hij was vierennegentig. Huigens schrijft dat hij op zijn sterfbed nog werd aangevochten. Meer vertelt hij er niet over.

Hij werd begraven op de Oude Algemene Begraafplaats in Driebergen, in het familiegraf. Op zijn grafmonument staat een regel uit zijn eigen bundel, uit lied 523.

Wat bleef, is groter dan hijzelf. Het Zoeklicht werd een vereniging, met conferenties door heel het land. Het centrum kwam later in Het Brandpunt, een rijksmonument in de bossen bij Doorn, waar met Pinksteren 1976 een kapel werd geopend. In 1984 vierde de vereniging haar vijfenzestigjarig bestaan met ruim drieduizend bezoekers. Een kleinzoon, Lex de Heer, sprak er. Het blad verschijnt nog steeds.

De muziekzaak met zijn naam bestaat nog. Het koor dat zijn naam draagt, zingt nog. En in veel huizen staat nog een versleten bundel in de kast, met een harmonium of een piano ernaast.

NEEM DE NAAM VAN JEZUS MEDE

Ik denk aan de jonge vader in Rotterdam, in de winter van 1895 op 1896. Een man die schaak speelde, muziek verkocht en niet zeker wist of God hem wel wilde. Een kind dat ziek werd. Een preek over Psalm 91 die troost gaf, maar geen genezing. Je zou verwachten dat zo iemand bitter werd.

Hij begon te lezen. Hij begon te zoeken. En de man die zijn dochter niet terugkreeg, ging de rest van zijn leven vertellen dat er een dag komt waarop de Heer terugkomt en alles nieuw maakt. Ik weet niet of hij het zo bedoelde. Maar ik hoor het verdriet van 1896 door die verwachting heen.

Het Zoeklicht noemt als zijn levensmotto de regel: “Neem de Naam van Jezus mede in een wereld vol van kwaad.”

Op een begraafplaats in Driebergen staat zijn graf, met een regel uit lied 523. En ergens in het land, in een huiskamer of een kerkzaal, slaat iemand dezelfde bundel open.

Dossier

Wat vaststaat en wat verteld wordt

Vaststaat (meerdere onafhankelijke bronnen): geboorte op 23 mei 1866 in Rotterdam als zoon van een smid; opleiding in de Rotterdamse muziekhandel (Lichtenauer, Alsbach); huwelijk op 30 oktober 1889; de dood van zijn dochtertje begin 1896; tijdelijke aansluiting bij de Zevendedags Adventisten; eigen muziekwinkel aan huis vanaf 1898 (een zaak met zijn naam, begonnen in 1898 in Rotterdam, bestaat nog); aansluiting bij de evangelisatie Jeruël (1903); de reis naar de opwekking in Wales; de zangbundel (eerste druk 1904 of 1905) en haar oplagen; de ernstige ziekte rond 1915; Het Zoeklicht vanaf 1 juli 1919, eerst als bijblad van De Amsterdammer, met op het hoogtepunt rond de veertigduizend abonnees; de brochure over Israël uit 1918; de radiotoespraak in april 1924 en zijn rol bij het ontstaan van de NCRV; levenslang lidmaatschap van de Hervormde Kerk; de gelukwens van de synode in 1956; overlijden op 16 maart 1961 in Driebergen en begrafenis daar.

Alleen uit eigen getuigenis of eigen kring: de preek van prof. Van Nes over Psalm 91 en de exacte sterfdatum van Dina; zijn twijfel over de uitverkiezing en het schaken; de bekering op een zondagavond in 1896; de tekst op de witte muur in Wales; de stiefmoeder als liefdevolle opvoeder; het herstel na gebed in 1915 en de Maranathaavond met zeven mensen; de aanvechting op zijn sterfbed; zijn levensmotto.

Onbevestigd: de opening van de tent in Apeldoorn in aanwezigheid van koningin Wilhelmina (1906), de stadszending in Den Haag (1908), de reis naar Palestina (1910), de conferenties van 1920, 1921 en 1927, de Russische editie van het blad, de Orde van Oranje-Nassau en de aanspraak dat hij de eerste radiobijbelstudie van Nederland hield (alleen de biografie van Huigens); de aantallen radio-uitzendingen (één bron); de kerk van zijn jeugd (oud-gereformeerd of hervormd); de volgorde van de dood van zijn twee kinderen; het precieze jaar van de eerste druk van de bundel en de datum van de reis naar Wales.

Duiding: het centrum van Het Zoeklicht in Doorn kwam pas na zijn dood; hij woonde vanaf ongeveer 1921 in Driebergen. Of het woord op de muur in Wales van God kwam, is een geloofsvraag. Dat hij er de rest van zijn leven naar handelde, staat vast.

Bronnen bij dit hoofdstuk

  1. P. Huigens, Johannes de Heer, Zeugen des gegenwärtigen Gottes 176 (1967)
  2. Henk Schouten, “Johannes de Heer, 23 mei 1866-16 maart 1961”, Zoeklicht 2011
  3. Marten Mulder, “Heer, Johannes de”, Stichting Dodenakkers.nl
  4. “Johannes (Johan) de Heer kwam ook uit Rotterdam”, engelfriet.net
  5. “Johannes de Heer”, Prijs met Johannes de Heer
  6. Reformatorisch Dagblad, 9 augustus 1979, “Joh. de Heers Zoeklicht viert zestigjarig bestaan” (Digibron)
  7. Reformatorisch Dagblad, 27 augustus 1984, “Het Zoeklicht herdacht stichting door De Heer” (Digibron)
  8. Jaco van der Knijff, “Bundel Johan de Heer bleef”, Reformatorisch Dagblad, 28 mei 2016 (Digibron)
  9. Bibliotheek.nl, Israëls herstel en terugkeer (oorspronkelijk 1918)
  10. Boekbespreking van P.H. Ritter jr., Joh. de Heer (DBNL)
  11. DBNL, “Oprichting VARA volgt na NCRV”
  12. Joh. de Heer muziekinstrumenten, “Our team”
  13. Joh. de Heer muziekinstrumenten, 125 jaar
  14. Groot Johannes de Heer Koor, “Over ons”
  15. MAX Vandaag, “Het Groot Johannes de Heer Koor”
  16. Zoeklicht, “Welkom in de Brandpunt Kapel”
  17. S.J. Vellenga, “Apocalyptiek in Nederland in de twintigste eeuw: De Maranathabeweging van Johannes de Heer” (UvA-DARE)
Liever het hele boek?PDF downloadenE-book (EPUB)Over dit deel