Vrouwenvan God

Deel 1 · Vrouwen van God · Hoofdstuk 1

Teresa van Ávila

de non die niet stil kon zitten

1515-1582Ávila, Spanje

Het was de vastentijd van 1554, in een klooster in de Spaanse stad Ávila. Een karmelietes van negenendertig kwam langs een beeld van Christus. Het liet Hem zien met zware wonden. Ze bleef staan.

Zo vertelde ze het later zelf, in het boek over haar leven. Ze keek naar die wonden en besefte hoe weinig ze Hem ervoor had bedankt. “Het leek of mijn hart brak,” schreef ze (vrij vertaald). Ze wierp zich naast het beeld op de grond en huilde, en vroeg Hem haar sterk te maken. Ze was op dat moment bijna twintig jaar non. Ze bad, ze zong in het koor, ze hield zich aan de regels. Maar ze had God al die jaren op een afstand gehouden, zo zag zij het achteraf.

Na die dag veranderde er iets wat ze niet meer kwijtraakte. De vrouw die voor dat beeld stond, zou zeventien kloosters stichten, door heel Spanje reizen, boeken over gebed schrijven die nu nog gelezen worden, en een onderzoek van de Inquisitie doorstaan. Bijna vierhonderd jaar na haar dood werd ze de eerste vrouw die de Rooms-Katholieke Kerk een kerklerares noemde.

Ze heette Teresa de Ahumada. Haar verhaal begint in dezelfde stad, negenendertig jaar eerder.

EEN GEEL KLEED IN TOLEDO

Teresa werd geboren op 28 maart 1515 in Ávila, een ommuurde stad op de hoogvlakte van Castilië, ten westen van Madrid. Haar vader was Alonso Sánchez de Cepeda, haar moeder Beatriz de Ahumada, zijn tweede vrouw.

Spanje wilde in die jaren een volledig katholiek land zijn. In 1492 waren de joden die zich niet lieten dopen het land uitgezet. Wie wel gedoopt was, of van gedoopte joden afstamde, heette een converso. Zulke families bleven verdacht. De Inquisitie, een kerkelijke rechtbank die ketterij opspoorde, hield ze in de gaten. Later kwamen er regels over “zuiverheid van bloed”, die nakomelingen van conversos uitsloten van ambten en hoger onderwijs.

Teresa kwam uit zo’n familie. In 1485 stond haar grootvader, Juan Sánchez de Toledo, in Toledo terecht voor de Inquisitie. Hij werd ervan beschuldigd dat hij in het geheim naar het jodendom was teruggekeerd. Zes weken lang moest hij in processies meelopen in een sanbenito, een geel boetekleed. Daarna werd dat kleed in de kathedraal opgehangen, zodat iedereen kon zien welke familie hier schuld had beleden.

Haar vader verhuisde later naar Ávila en probeerde daar die afkomst achter zich te laten. Teresa zelf schreef er in haar boeken niet over. Historici hebben het pas veel later in de archieven teruggevonden.

“VOOR ALTIJD, ALTIJD, ALTIJD”

Teresa groeide op met de levens van heiligen. Vooral de verhalen over martelaren maakten indruk op haar.

In haar levensverhaal beschrijft ze hoe ze als kind samen met een broer besloot naar het land van de Moren te gaan. Zo noemden Spanjaarden de islamitische gebieden in Noord-Afrika. Daar wilden ze om hun geloof gedood worden, zodat ze meteen bij God zouden zijn. De twee herhaalden graag samen de woorden “voor altijd, altijd, altijd”, schrijft ze, omdat de eeuwigheid hun zo groot leek. Volgens paus Benedictus XVI, die in 2011 over haar sprak, zei ze tegen haar ouders: “Ik wil God zien.”

Het plan liep op niets uit. Het verhaal kennen we alleen uit haar eigen boek. Een negentiende-eeuwse tijdlijn van haar leven plaatst het in 1522, toen ze zeven was.

Rond haar dertiende stierf haar moeder. In de jaren daarna las Teresa ook ridderromans, verhalen over helden en hofdames. Ze vertelde later dat een nicht haar in die tijd de verkeerde kant op trok. Ze schreef erover met de strengheid van iemand die achteraf terugkijkt.

VROEG IN DE OCHTEND

In 1531 bracht haar vader haar als kostleerling naar de augustinessen van Santa María de Gracia in Ávila. Ze bleef er ongeveer anderhalf jaar, tot ze ziek werd. Daarna rijpte het besluit om non te worden.

Haar vader wilde het niet. Volgens haar eigen verslag mocht ze van hem doen wat ze wilde, maar pas na zijn dood. Ze wachtte niet. Op 2 november 1535 ging ze heel vroeg in de ochtend naar het karmelietessenklooster van de Menswording, de Encarnación. Ze was twintig. Het afscheid van het huis van haar vader deed zo’n pijn, schreef ze later, dat ze dacht dat sterven niet erger kon zijn.

Oudere boeken noemen 1533 als jaar van haar intrede. Een getuige die haar kende, verklaarde later dat ze op 2 november 1535 het kloosterkleed aannam. Teresa schreef zelf in 1575 dat ze het kleed veertig jaar eerder had aangenomen. De meeste levensbeschrijvingen houden het daarom nu op 1535.

De karmelieten zijn een kloosterorde die haar naam dankt aan de berg Karmel in Israël, waar in de middeleeuwen kluizenaars samenleefden. In de loop van de eeuwen was hun oorspronkelijke strenge leefregel versoepeld. Teresa nam de naam Teresa van Jezus aan. In november 1537 legde ze haar geloften af, volgens een andere berekening een jaar eerder, de beloften waarmee een non zich voor het leven aan God en aan haar orde bindt.

VIER DAGEN VOOR DOOD

Kort daarna werd ze ernstig ziek. Wat ze precies had, weten we niet. Haar vader bracht haar voor behandeling naar het dorp Becedas. Ze wachtte die behandeling af bij haar zus María, op het platteland bij Castellanos de la Cañada. Onderweg, bij een oom aan wiens huis ze voorbijkwamen, kreeg ze een boek in handen dat haar leven zou richten: het Derde geestelijk alfabet van de franciscaan Francisco de Osuna. Het ging over innerlijk gebed, een stil gebed waarin je niet in de eerste plaats woorden opzegt, maar met aandacht bij God bent.

De behandeling maakte haar zieker. Terug bij haar vader in Ávila kreeg ze in augustus, na een feestdag van Maria, een aanval. Ongeveer vier dagen lag ze buiten bewustzijn, schreef ze. Ze kreeg het laatste oliesel. Toen ze bijkwam, zaten er druppels kaarsvet op haar oogleden. In haar klooster had anderhalve dag een graf voor haar opengelegen.

Daarna was ze ongeveer drie jaar verlamd. Ze dankte God toen ze op handen en knieën kon kruipen. Over de jaartallen zijn de geleerden het niet eens: de aanval valt in 1537 of in 1539. Haar herstel schreef ze toe aan de voorspraak van Jozef, de man van Maria. In de rooms-katholieke traditie vragen gelovigen heiligen om voor hen te bidden, zoals je een vriend om gebed vraagt. Jozef maakte dat ze weer kon opstaan en lopen, schreef ze. Die genezing kennen we alleen uit haar eigen getuigenis.

Je zou verwachten dat zo’n ervaring haar dichter bij God bracht. Het liep anders. In de jaren die volgden, gaf ze het innerlijk gebed een tijd lang op, schreef ze later. Ze vond zichzelf er te slecht voor. In 1543 stierf haar vader. Haar broers vertrokken naar Amerika.

Zo gingen bijna twintig jaar voorbij. Ik vind dit een van de eerlijkste delen van haar boek. Ze maakt zichzelf niet mooier dan ze was. Ken jij zulke jaren, waarin je niet van God wegloopt, maar ook niet echt naar Hem toe gaat?

HET BEELD EN HET BOEK

Dan komt het moment waarmee dit hoofdstuk begon. In de vastentijd van 1554 zag ze het beeld van de gewonde Christus. In dezelfde periode las ze de Belijdenissen van Augustinus, de kerkvader die in de vierde eeuw beschreef hoe hij na jaren van zoeken tot God kwam. Ze herkende zichzelf in hem. Volgens Benedictus XVI beschrijft ze in die tijd een plotseling besef van Gods aanwezigheid, zo sterk dat ze niet kon twijfelen dat Hij in haar was.

Vanaf dat moment stond Jezus als Mens centraal in alles wat ze over gebed zou zeggen. Christelijk leven was voor haar een persoonlijke vriendschap met Hem. Over de precieze jaren lopen de bronnen iets uiteen, van 1553 tot 1556.

In die jaren kwamen jezuïeten naar Ávila, leden van de jonge orde van Ignatius van Loyola. Teresa nam een van hen als biechtvader. Ze sprak ook met Francisco de Borja, een bekende jezuïet, en met de franciscaan Pedro de Alcántara. Beiden zeiden dat haar ervaringen van God kwamen. Dat had ze nodig, want wat er in haar gebeurde, was voor buitenstaanders moeilijk te plaatsen.

EEN ENGEL MET EEN GOUDEN PIJL

Rond 1556 begonnen de ervaringen die haar beroemd en verdacht zouden maken. Ze vertelde dat ze innerlijk woorden van de Heer hoorde, en dat ze soms in vervoering raakte. In 1558 kreeg ze, zo schreef ze, een visioen van de hel.

Het bekendste visioen beschrijft ze in hoofdstuk 29 van haar levensverhaal. Ze zag een engel, en “in zijn handen een grote gouden pijl”, schrijft ze, met aan de ijzeren punt iets wat op een klein vuur leek (vrij vertaald). Ze ervoer het alsof haar hart werd doorboord. De ongeschoeide karmelieten noemen dit de transverberatie, de doorboring, en gedenken het op 26 augustus. Een oude tijdlijn plaatst het in 1559.

Ik vertel deze visioenen zoals zij ze vertelde. Er waren geen andere getuigen van wat er in haar binnenste gebeurde. Wat wel vaststaat, is dat ze haar ervaringen voorlegde aan mensen die ze vertrouwde, zoals Borja en Pedro de Alcántara. Haar levensverhaal liet ze lezen door Juan de Ávila, een priester die bekendstond als leermeester in geestelijke zaken.

Het Spanje van Teresa werd in die jaren steeds wantrouwiger. In het noorden van Europa had de Reformatie de kerk gespleten. In 1559 gaf inquisiteur-generaal Fernando de Valdés een lijst uit van verboden boeken. Daarop stonden werken van Erasmus, maar ook van Luis de Granada, Francisco de Borja en Francisco de Osuna. Het boek waarmee Teresa had leren bidden, mocht niet meer gelezen worden.

Voor vrouwen was de ruimte nog kleiner. Een vrouw die zei dat God tot haar sprak, viel al snel onder verdenking. De Inquisitie voerde in die jaren zaken tegen zogenaamde alumbrados, verlichten, mensen die zich op innerlijke ingevingen beriepen. In 1574 dook Teresa’s naam voor het eerst op in de stukken van de Inquisitie, in een zaak rond die verdenking.

Protestantse lezers moeten hier misschien even schakelen. Teresa stond aan de andere kant van de breuk van de zestiende eeuw, en ze bleef haar leven lang trouw aan de Rooms-Katholieke Kerk. Ze kwam onder verdenking om iets wat veel protestanten zullen herkennen: ze geloofde dat een gewoon mens God persoonlijk kan kennen.

EEN KLEIN HUIS VOOR SAN JOSÉ

Rond 1560 spraken Teresa en een paar vriendinnen over een nieuw klooster. Ze wilden terug naar de oorspronkelijke, strenge leefregel van de karmelieten: een klein huis, armoede, veel tijd voor gebed.

Teresa zette het plan door, met hulp van haar zus Juana, met geld dat een broer uit Amerika stuurde, en met steun van bisschop Álvaro de Mendoza. Op 24 augustus 1562 werd het kleine klooster van San José geopend, het eerste huis van wat later de ongeschoeide karmelieten zouden heten. Ongeschoeid wil zeggen: op sandalen, een teken van armoede.

Er volgde onrust in de stad, en Teresa werd teruggestuurd naar het klooster van de Menswording. Pas in 1563 mocht ze in San José gaan wonen.

In die jaren schreef ze, op last van haar biechtvaders, het boek over haar leven. Een van hen, pater Ibáñez, had haar gevraagd het op te schrijven. Ze schreef het in gestolen uurtjes en klaagde dat het schrijven haar “van het spinnen afhoudt” (vrij vertaald). In 1566 volgde De weg van volmaaktheid, geschreven voor de twaalf novicen van San José. Het is een boek over gebed, met een uitleg van het Onze Vader als voorbeeld van hoe je kunt bidden.

VIJFTIGDUIZEND KILOMETER

In 1567 kwam de generaal van de karmelieten, Giovanni Battista Rossi, naar Ávila. Hij gaf haar toestemming om meer kloosters te stichten, ook voor mannen. Op 15 augustus van dat jaar opende ze een klooster in Medina del Campo. In die tijd ontmoette ze een jonge karmeliet van vijfentwintig, Juan de Yepes. Hij zou bekend worden als Johannes van het Kruis. Ook hij kwam uit een converso-familie. Op 28 november 1568 begon hij met een medebroeder in het gehucht Duruelo het eerste mannenklooster van de hervorming.

Daarna volgden de stichtingen elkaar op. Malagón en Valladolid in 1568. Toledo en Pastrana in 1569. Salamanca in 1570. Alba de Tormes in 1571. Segovia in 1574. Beas en Sevilla in 1575. Later nog Villanueva de la Jara, Palencia, Soria en, in het laatste jaar van haar leven, Burgos. Haar broer Lorenzo, die in Quito had gewerkt, in die tijd onderdeel van het Spaanse onderkoninkrijk Peru en nu de hoofdstad van Ecuador, hielp het klooster in Sevilla betalen. Over wat ze onderweg meemaakte, schreef ze het Boek van de stichtingen.

De Vaticaanse website rekent voor dat ze meer dan vijftigduizend kilometer aflegde. Hoe dat getal berekend is, zegt de bron niet. In totaal stichtte ze zeventien vrouwenkloosters.

In 1571 moest ze tegen haar zin priorin worden, overste, van het klooster van de Menswording, het grote huis waar ze ooit was ingetreden. Ze bleef er tot 1574.

“EEN RUSTELOZE, RONDZWERVENDE VROUW”

Hoe meer kloosters er kwamen, hoe groter het verzet. De karmelieten die bij de versoepelde regel bleven, de geschoeiden, zagen de hervorming als een bedreiging. In 1575 besloot een vergadering van de orde in het Italiaanse Piacenza dat Teresa moest stoppen met stichten.

In februari 1575 vroeg de Inquisitie het handschrift van haar levensverhaal op. Het ging naar de rechtbank in Valladolid en daarna naar Madrid. De dominicaan Domingo Báñez kreeg de opdracht het te onderzoeken. Op 7 juli 1575 tekende hij een gunstig oordeel. De Inquisitie hield het handschrift wel tot na haar dood in bewaring. In Sevilla gaven zusters uit een van haar eigen kloosters haar twee keer aan. Twee keer werd ze vrijgesproken.

Ook van boven kwam tegenwind. Filippo Sega, van 1577 tot 1581 de gezant van de paus in Spanje, was volgens een naslagwerk over de kardinalen een van haar felste tegenstanders. Hij kwam eind augustus 1577 in Spanje aan, al slecht over haar ingelicht in Rome. Hij noemde haar, zo vat de Vaticaanse website het samen, een rusteloze, rondzwervende vrouw die onderwees, tegen het gebod van de apostel Paulus in. In latere boeken en artikelen staat zijn uitspraak in het Spaans: “fémina inquieta, andariega, desobediente y contumaz”, een onrustige, rondzwervende, ongehoorzame en koppige vrouw. Waar die precieze woorden vandaan komen, vermelden die teksten niet. In 1578 plaatste hij haar kloosters onder het gezag van de geschoeiden. Johannes van het Kruis was in december 1577 al door geschoeide broeders opgepakt en gevangengezet. Op kerstavond van dat jaar brak Teresa haar arm.

Ze schreef brieven, ook aan koning Filips II. In 1579 vielen de zaken tegen haar en haar medestanders weg en trok Sega zijn maatregel in. In 1581 werden de ongeschoeide karmelieten een aparte provincie binnen de orde.

Midden in die storm, in 1577, schreef ze De innerlijke burcht. Ze beschrijft de ziel als een kasteel met zeven kamers. Het boek volgt de weg naar binnen, kamer na kamer. In de zevende kamer gebruikt ze de taal van het Hooglied, van bruid en Bruidegom. Ze gebruikt ook het beeld van een zijderups die sterft en als vlinder weer opstaat. Ze schreef het in een jaar waarin haar werk bijna werd stilgelegd.

DE NACHT VAN DE NIEUWE KALENDER

In het voorjaar van 1582 stichtte Teresa haar laatste klooster, in Burgos. Ze was zevenenzestig en ziek. Op de terugweg naar Ávila kwam ze in Alba de Tormes, bij het klooster dat ze daar elf jaar eerder had gesticht.

Ze stierf op 4 oktober 1582. Het was de nacht waarin Spanje overging op de nieuwe kalender van paus Gregorius XIII. Tien dagen werden overgeslagen, en de volgende dag was het 15 oktober. Op die datum wordt ze nog altijd herdacht.

Volgens de overlevering waren haar laatste woorden: “Mijn Heer, het is tijd om te gaan.” Wat daarna met haar lichaam gebeurde, hoort bij de rooms-katholieke verering van heiligen. Volgens latere verslagen werd het onvergaan teruggevonden. Delen ervan worden in verschillende steden bewaard. Protestantse lezers zullen daar met andere ogen naar kijken, en dat mag.

EEN TITEL DIE NOG NOOIT EEN VROUW HAD GEKREGEN

In 1586 haalde een van haar zusters, Ana de Jesús, het handschrift van haar levensverhaal terug. In 1588 verscheen het in Salamanca, bezorgd door Luis de León. Paus Paulus V verklaarde haar op 24 april 1614 zalig. Op 12 maart 1622 verklaarde paus Gregorius XV haar heilig.

Op 27 september 1970 noemde paus Paulus VI haar een kerklerares. Die titel krijgen heiligen van wie de kerk zegt dat hun onderwijs voor de hele kerk van waarde is. Ze was “de eerste vrouw aan wie de Kerk deze titel gaf”, zei de paus (vrij vertaald). Datzelfde jaar kreeg ook Catharina van Siena die titel.

In zijn preek ging de paus in op het bezwaar dat Sega vierhonderd jaar eerder had gemaakt: de woorden van Paulus dat vrouwen in de gemeente moeten zwijgen. Volgens Paulus VI werd dat gebod niet overtreden, omdat de titel geen leidinggevende taak in de kerk inhoudt. Zo werd de vrouw die ooit als rondzwervende vrouw was weggezet, erkend als lerares van het gebed.

ZEVEN KAMERS

Teresa van Ávila kon niet stilzitten. Ze reisde, onderhandelde, schreef brieven aan de koning. Het werk dat ze deed, begon steeds in de stilte. Ze stichtte kleine huizen waar vrouwen tijd hadden om te bidden.

Wat mij in haar levensverhaal het meest raakt, zijn niet de engelen en de vervoeringen. Het zijn de twintig jaren ervoor. Een non die alles goed deed en toch niet dichtbij kwam. Die het gebed opgaf omdat ze zichzelf er te slecht voor vond. En die op een dag langs een beeld liep en bleef staan.

Misschien sta je zelf ergens in zulke jaren. Je gelooft, je doet mee, maar de deur naar binnen blijft dicht. Teresa schreef haar laatste grote boek voor mensen die verder willen. Ze tekende een kasteel met zeven kamers, en een zijderups die sterft en als vlinder weer tevoorschijn komt.

Dossier

Wat vaststaat en wat verteld wordt

Vaststaat (meerdere onafhankelijke bronnen): geboorte op 28 maart 1515 in Ávila; de intrede op 2 november 1535 (getuigenverklaring en haar eigen opmerking uit 1575); de veroordeling van haar grootvader Juan Sánchez de Toledo door de Inquisitie in 1485; de dood van haar moeder rond 1528; de kostschool bij de augustinessen in 1531; de langdurige ziekte en ongeveer drie jaar verlamming; de komst van nuntius Sega eind augustus 1577; de stichting van San José op 24 augustus 1562; de ontmoeting met Johannes van het Kruis in 1567 en het mannenklooster in Duruelo (1568); zeventien vrouwenkloosters; het onderzoek van haar levensverhaal door de Inquisitie (1575) met het gunstige oordeel van Báñez; de tegenwerking door nuntius Sega en de gevangenneming van Johannes van het Kruis (1577); De innerlijke burcht (1577); haar dood in Alba de Tormes in de nacht van de kalenderwissel van 1582; zaligverklaring (1614), heiligverklaring (1622) en de titel kerklerares (1970).

Alleen uit eigen getuigenis of latere overlevering: het weglopen naar het land van de Moren; haar innerlijke ervaringen voor het beeld van de gewonde Christus en bij het lezen van Augustinus; de details van haar aanval (vier dagen buiten bewustzijn, kaarsvet op de oogleden, het open graf) en de genezing door voorspraak van Jozef; de innerlijke woorden, de visioenen en de doorboring door de engel; het visioen van de hel; haar laatste woorden; het onvergane lichaam.

Onbevestigd: het precieze jaar van haar ommekeer (1553 tot 1556; zelf noemde ze haar leeftijd niet, de Spaanse Academie houdt het op ongeveer 1554); het jaar van haar geloften (1536 of 1537) en van haar aanval en verlamming (1537 of 1539; de Engelse uitgave van haar levensverhaal noemt beide in noten en inleiding); de letterlijke woorden van nuntius Sega (de Spaanse formulering wordt veel aangehaald, maar geen geopende bron noemt het oorspronkelijke document); het getal van vijftigduizend kilometer (alleen van de Vaticaanse website).

Duiding: of haar visioenen van God kwamen, is een geloofsvraag. Teresa zelf legde ze voor aan mensen die ze vertrouwde, en de Inquisitie vond in haar levensverhaal geen dwaling.

Bronnen bij dit hoofdstuk

  1. World Religions and Spirituality Project, Saint Teresa of Ávila Timeline
  2. Paus Paulus VI, homilie bij de proclamatie tot kerklerares, 27 september 1970 (vatican.va)
  3. Patrick Comerford, How Saint Teresa avoided the Spanish Inquisition (2018)
  4. Vaticaanstad, Saint of the day, 15 October: Saint Teresa of Jesus
  5. The Cardinals of the Holy Roman Church (FIU), Filippo Sega
  6. Paus Benedictus XVI, algemene audiëntie over Teresa van Ávila, 2 februari 2011
  7. Teresa van Ávila, The Life of St. Teresa of Jesus, vert. David Lewis (Project Gutenberg)
  8. Vicente de la Fuente, Annals of the Saint’s Life (CCEL)
  9. Carmelite Quotes, uit het Boek van haar leven, hoofdstuk 9
  10. Ongeschoeide karmelieten, The Transverberation of St. Teresa of Jesus
  11. Carmelite Quotes, over het handschrift van het Boek van haar leven
  12. Orde der Karmelieten (O.Carm.), Teresa of Avila, Doctor of the Church
  13. Wikipedia, Fernando de Valdés y Salas (Index van 1559)
  14. Wikipedia, Teresa of Ávila (startpunt)
  15. Teresa van Ávila, Life, hoofdstuk IV (CCEL)
  16. Teresa van Ávila, Life, hoofdstuk V (CCEL)
  17. Teresa van Ávila, Life, hoofdstuk VI (CCEL)
  18. Teresa van Ávila, Life, hoofdstuk IX (CCEL)
  19. Teresa van Ávila, Life, inleiding en kroniek (CCEL, volledige tekst)
  20. Real Academia Española, Libro de la vida
  21. Carmelite Quotes, aankomst van nuntius Felipe Sega (30 augustus 1577)
  22. Studiolum, Interior castle (Spaanse formulering van Sega’s uitspraak)
Liever het hele boek?PDF downloadenE-book (EPUB)Over dit deel