De wapenrusting van God
Paulus schreef vanuit gevangenschap, waarschijnlijk met een Romeinse soldaat naast zich. Hij gebruikte diens uitrusting als beeld voor de geestelijke strijd. Klik op een onderdeel. (Efeziërs 6:10-18)
-
Gordel van de waarheid
De gordel hield alles bij elkaar. Waarheid houdt je leven bij elkaar: eerlijk zijn tegenover God, jezelf en anderen.
Vandaag: Geen dubbelleven. Wat je online doet, is wie je bent.
Waar ben je niet helemaal eerlijk?
Efeziërs 6:14
-
Borstharnas van de gerechtigheid
Het harnas beschermde het hart. Je staat niet op eigen prestaties, maar in wat Jezus voor je deed.
Vandaag: Als een aanklacht in je hoofd komt ("jij bent niks"), weet waar je staat.
Welke aanklacht hoor je vaak in je hoofd?
Efeziërs 6:14, Romeinen 8:1
-
Schoenen van het evangelie van vrede
Romeinse soldaten droegen schoenen met noppen om stevig te staan. Vrede met God geeft je grip.
Vandaag: Wees iemand die vrede brengt, thuis en op je werk.
Waar kun jij deze week vrede brengen?
Efeziërs 6:15
-
Schild van het geloof
Het grote Romeinse schild dekte het hele lichaam, en soldaten zetten hun schilden aaneen. Geloof dooft de brandende pijlen van twijfel en verleiding.
Vandaag: Je staat sterker naast andere mannen dan alleen.
Wie staat er naast je in de strijd?
Efeziërs 6:16
-
Helm van de redding
De helm beschermde het hoofd. Je gedachten zijn een slagveld. Weten dat je gered bent, beschermt je denken.
Vandaag: Let op wat je binnenlaat: beelden, nieuws, gedachten.
Welke gedachte moet je vandaag gevangen nemen?
Efeziërs 6:17, 2 Korintiërs 10:5
-
Zwaard van de Geest
Het enige aanvalswapen: het woord van God. Jezus weerstond de verleiding in de woestijn met woorden uit de Schrift.
Vandaag: Leer één Bijbeltekst uit je hoofd die past bij jouw strijd.
Welke tekst wil jij paraat hebben?
Efeziërs 6:17, Matteüs 4:1-11
-
Gebed
Paulus sluit af met bidden, op elk moment, in de Geest. Gebed is de verbinding met het hoofdkwartier.
Vandaag: Bid kort en vaak, en bid voor de mannen naast je.
Voor welke man bid jij deze week?
Efeziërs 6:18