Gods generaalsin Nederland

Deel 1 · Volg hun geloof na · Hoofdstuk 1

Ottho Gerhard Heldring

de dominee die een put liet graven

1804-1876Hoenderloo

Op de Veluwe, midden in de heide, lag een gehucht van plaggenhutten. Het heette Hoenderloo. Er was geen school en geen kerk. Er was zelfs geen put. Wie water nodig had, haalde het uit een regenton.

In 1843 kwam er een put. Het geld was er gekomen na een oproep van een predikant uit de Betuwe, die over het gehucht had geschreven in een volksalmanak die hij zelf redigeerde. Toen de put klaar was, kwam hij erbij staan en sprak de bewoners toe. Hij koos het verhaal uit Johannes 4, over de Samaritaanse vrouw bij de bron, en hij sprak over een dorst naar gerechtigheid. Volgens een artikel in het Reformatorisch Dagblad werd die dag binnen twee uur vijfhonderd emmers water opgehaald, en stond het water daarna snel weer op peil. Een ander blad bewaarde zijn uitroep: “Welk een voorraad van water!”

De predikant heette Ottho Gerhard Heldring. Hij was dominee van een gemeente van ongeveer honderdvijftig zielen, en hij bleef dat veertig jaar. Vanuit die kleine pastorie begon hij werk dat in heel Nederland bekend werd: een tehuis voor vrouwen die uit de prostitutie wilden, tehuizen voor verwaarloosde meisjes, een school, een kerk op een heuvel tegen het hoge water, en een zendingsfeest waar duizenden op afkwamen. Later kreeg hij de bijnaam vader van de Inwendige Zending: het werk van de kerk onder de armen en verlorenen in eigen land.

Zelf zei hij dat het allemaal heel vroeg begonnen was.

“HET LEVEN DER ARMEN LIEFKRIJGEN”

Ottho Gerhard Heldring werd geboren op 17 mei 1804 in Zevenaar. Het stadje hoorde toen nog bij Pruisen. Pas in 1816 werd het Nederlands. Zijn vader, die ook Ottho Gerhard heette, was er predikant. Zijn moeder was Louisa Geertruida Janssen, de dochter van een predikant in Pfalzdorf, een dorp bij Kleef aan de Duitse kant van de grens. Over zijn plaats in het gezin zijn de bronnen het niet eens. De ene noemt hem het derde van vijf kinderen, een andere de derde zoon, een derde het vierde kind.

Het was een gelovig gezin. Volgens het Biografisch Woordenboek Gelderland groeide hij op in een piëtistische sfeer, en die kwam vooral van zijn moeder. In zijn eigen levensverhaal schreef hij later dat haar geloof hem een blijvende band met de Bijbel gaf.

Nicolaas Beets, de dichter en predikant, schreef een jaar na Heldrings dood een levensbericht over hem. Daarin staat een zin die Heldring vaker zei: dat hij als kind “het leven der armen” had leren liefkrijgen. Waar dat precies gebeurde, vertelt Beets niet. Maar de zin verklaart veel van wat daarna kwam.

SPADE EN BIJL IN PFALZDORF

In september 1820 ging hij, zestien jaar oud, theologie studeren in Utrecht. Het werd geen gelukkige tijd. De theologie die hij daar hoorde, was rationalistisch en verlicht. Heldring raakte van zijn geloof vervreemd. Hij las Duitse denkers als Herder, en een van de oude naslagwerken zegt dat hij zijn geloof in Gods openbaring kwijtraakte. Hij studeerde door, maar hij was overwerkt en moedeloos. Aan het eind van zijn studie zat hij vast.

Van maart tot september 1826 woonde hij bij zijn grootvader Janssen in Pfalzdorf. Hij werkte daar buiten, tussen de arbeiders, met spade, bijl en schaar. Volgens Beets herstelde hij daardoor, en raakte hij voor altijd vertrouwd met gewone werkende mensen. Het Biografisch Woordenboek Gelderland voegt eraan toe dat ook het contact met eenvoudige gelovigen hem hielp.

In Pfalzdorf las hij ergens een zin die hij nooit meer vergat: “Die Wüste soll zum Acker werden.” De woestijn zal akker worden. Jaren later zou die zin zijn motto worden.

Op 5 oktober 1826 deed hij zijn proponentsexamen. Volgens het Biografisch Woordenboek Gelderland had hij zelf liever een eenvoudig leven van handenarbeid geleid. Hij volgde de wens van zijn vader. Op 25 maart 1827 bevestigde die vader hem als predikant van Hemmen, in de Betuwe. Hij was tweeëntwintig.

KERSTMIS IN HEMMEN

Hemmen was klein. De bronnen spreken van ongeveer honderdvijftig zielen, of vijfentwintig gezinnen. Het dorp had een kerk met een vijftiende-eeuws koor. Het zou zijn enige gemeente blijven.

In het eerste jaar gebeurde er iets in hem. Met Kerstmis 1827 las hij een Duitse kerstpreek, van de predikant Sack. Zo vertelde hij het zelf, in de herinneringen die zijn zoon na zijn dood uitgaf. Hij zag, schreef hij, “dat de innerlijkste beweegredenen van mijn hart zondig en schuldig waren”. Wat hij op de universiteit als leer had gehoord, rechtvaardiging door het geloof alleen, werd voor hem nu een ervaring.

Ik vind het opvallend hoe stil dit begin is. Geen stem, geen visioen. Een jonge dominee in een klein dorp leest een preek van iemand anders, en ziet ineens zijn eigen hart. Heb jij ooit zo’n moment gehad, waarop een tekst die je al kende ineens over jou ging?

Niet iedereen was er even zeker van. Een recensent die in 1881 zijn levensverhaal besprak, vond deze bekering twijfelachtig, eerder een teken van innerlijke onrust. Beets noemt geen datum. Hij schrijft alleen dat Heldrings godsdienstleven in deze jaren krachtig ontwaakte. Wat er die Kerstmis precies gebeurde, weten we dus alleen van Heldring zelf.

Wel staat vast wat er daarna te zien was. Al in zijn eerste jaar in Hemmen kwam hij in aanraking met de armoede in de Betuwe. Hij liet die niet meer los.

JENEVER ERGER DAN DE CHOLERA

Heldring werd een schrijver voor het gewone volk. In 1833 verscheen De natuur en de mensch. Daarna kwamen de Winteravondlectuur van pachter Gerhard, verhalen voor boeren die ook over armenzorg gingen. Van 1835 tot 1847 redigeerde hij de Geldersche Volksalmanak. Later zouden Beets en anderen dat soort volksverhalen ook schrijven.

In 1838 publiceerde hij een boekje met een titel die bleef hangen: De jenever erger dan de cholera. Het Biografisch Woordenboek Gelderland vermeldt dat hij het baseerde op officiële cijfers uit honderdachttien Gelderse gemeenten. Hij wilde met cijfers laten zien wat drank aanrichtte. Hij geldt daardoor als een van de eersten die in Nederland de drank bestreed.

In 1839 schreef hij De nimmer rustende Israëliet tot rust gekomen, een verhaal over het geloof dat rust geeft. Het boek liet zien waar hij stond, en het kostte hem vrienden. Hij raakte vervreemd van verlichte verenigingen als de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen. Zijn vroegere medestanders spraken over deugd. Hij sprak nu over genade.

Op 24 oktober 1833 trouwde hij met Anna Elisabeth Deuffer Wiel, geboren in Schalkwijk. Twee oude bronnen noemen oktober 1832, de nieuwere 1833. Ze kregen acht kinderen. Volgens het Gereformeerd Weekblad namen ze ook drie pupillen in huis.

“DIE WÜSTE SOLL ZUM ACKER WERDEN”

Hoenderloo ontdekte hij op een tocht over de Veluwe. Over het jaar verschillen de bronnen: de meeste noemen 1841, een krantenartikel 1839. Ook het aantal hutten verschilt. Beets spreekt van ongeveer veertien, andere bronnen van vierentwintig. Vast staat dat de mensen er arm waren en dat er niets was.

Heldring deed wat hij in Pfalzdorf had gezien. In 1843 kwam de put, waarover je aan het begin van dit hoofdstuk las. In 1846 kwam er een school, met als eerste onderwijzer B. Gangel. Bij de eerste steenlegging sprak Heldring de woorden van Jezus uit Mattheüs 6: zoek eerst het Koninkrijk van God. Volgens het Reformatorisch Dagblad kwam koningin Anna Paulowna later de school bekijken. Toen ze naar de schoolboeken vroeg, wees de meester haar op de Bijbel. Dat verhaal heb ik maar in één bron gevonden.

In 1851 kwam er een doorgangshuis voor verwaarloosde jongens, met Gangel als directeur, en in 1858 een kerk. Over het jaartal van het jongenshuis lopen de bronnen uiteen, maar 1851 wordt het vaakst genoemd. Uit dat huis groeide een instelling voor jongens die er lang na hem nog bestond.

De woestijn werd akker. Hoenderloo is nu een dorp.

AAN DE VRIENDEN DES HEEREN

Rond 1840 kwam Heldring in contact met mannen van het Réveil, de opwekkingsbeweging onder vooral welgestelde protestanten in Amsterdam en Den Haag. Hij leerde Isaac da Costa kennen, Abraham Capadose, Koenen en Guillaume Groen van Prinsterer. Zij spraken over persoonlijk geloof en over Christus. Heldring vond dat dat geloof iets moest doen.

In mei 1845 stuurde hij een rondschrijven rond met de titel Aan de vrienden des Heeren. Hij riep geloofsgenoten op om samen iets te ondernemen tegen de nood in het land. Het werd het begin van de Christelijke Vrienden, een kring die tot 1854 twee keer per jaar in Amsterdam bijeenkwam. Heldring was er de centrale figuur. Het Biografisch Woordenboek Gelderland noemt hem de brug tussen het innerlijke Réveil en het Réveil dat de straat op ging.

Datzelfde jaar sloeg de aardappelziekte toe. In de Betuwe was de nood groot. Heldring schreef er een verslag over in het Algemeen Handelsblad. Hij zette de feiten op een rij, zonder mooie woorden. Er kwam veel geld binnen. Aan het eind van de jaren veertig hielp hij Betuwse gezinnen om naar de nieuwe Anna Paulownapolder in Noord-Holland te trekken, waar een Geldersche Buurt ontstond. In 1849 schreef hij in Christendom en armoede waar hij van overtuigd was: alleen arbeid kon de armoede oplossen.

EEN BEZOEK IN GOUDA

In 1847 bezocht Heldring de gevangenis voor vrouwen in Gouda. Beets schrijft dat wat hij daar zag het fundament werd van zijn volgende werk.

Een jaar eerder was in Amsterdam een vereniging opgericht om zulke vrouwen te helpen. Ze plaatste hen bij christelijke gezinnen, maar dat lukte niet goed. Heldring kwam met een ander plan: een eigen huis, buiten de stad, waar vrouwen konden wonen, werken en leren. Historicus O.W. Dubois, die de archieven van de stichting onderzocht, schrijft dat het idee van Heldring kwam. Drie Amsterdammers traden toe tot het eerste bestuur.

Er was geld nodig. In het najaar van 1847 reisde Heldring door het hele land om het op te halen. Overal, zo schrijft Dubois, preekte hij over Ezechiël 34. Daar verwijt God de herders van Israël dat zij het afgedwaalde niet terugbrengen en het verlorene niet zoeken.

Hij kocht in Zetten, een dorp vlak bij Hemmen, een oude brouwerij die Steenbeek heette. Een oud naslagwerk noemt een prijs van ongeveer twaalfduizend gulden. Andere bronnen geven geen bedrag.

TWINTIG MEISJES EN EEN DIRECTRICE

Op 1 januari 1848 werd Petronella Voûte directrice van het asiel Steenbeek. Ze was een Amsterdamse, geboren in hetzelfde jaar als Heldring. Ze zou er bijna dertig jaar blijven, tot haar dood in 1877. Haar grafsteen ligt naast die van Heldring.

Begin 1848 werden de eerste meisjes opgenomen. In de zomer waren het er twintig. Het geldt als het eerste huis van deze soort in Nederland. Wie kwam, bleef in principe twee jaar. Ze stonden om vijf uur op. Ze leerden naaien, wassen, koken, matten vlechten en het fijne linnengoed verzorgen. Na twee jaar konden ze als dienstbode aan het werk. Weggaan mocht altijd. Wie echt weg wilde, ging.

Ongeveer een jaar na de opening schreef Heldring in een brief over wat hij in Steenbeek zag: “een tooneel van genade en liefde”. In 1850 werd het vergrote asiel ingewijd.

Niet alles ging vanzelf. In de notulen van 1851 staat een conflict tussen Heldring en Voûte over het huishouden. Het bestuur bevestigde dat Heldring de eindverantwoordelijkheid had. Een jaar later was de verhouding weer goed. Twee sterke mensen in één huis: dat schuurt soms, en ook dat hoort bij dit verhaal.

NEGENENVEERTIG TERUGGEVALLEN

Na tien jaar maakte het asiel de balans op. Dubois heeft de cijfers uit de notulen samengevat. Tussen 1848 en 1858 werden 277 meisjes opgenomen. Van hen waren er 128 goed terechtgekomen: eenenveertig waren getrouwd, vierenzestig werkten als dienstbode, drieëntwintig woonden bij familie of elders. Negentien waren overleden. Zesenveertig waren uit het zicht geraakt. Drie zaten in de bedelaarskolonie Ommerschans. Tweeëndertig woonden er nog. En negenenveertig waren teruggevallen in hun oude leven.

Die laatste regel staat er gewoon. Er werd niets weggepoetst.

Volgens Dubois weken de cijfers van Steenbeek daarin af van vergelijkbare huizen in Europa, die vaak hoge succespercentages opgaven. Heldring wilde niet tellen hoeveel er gered waren. Hij stelde zichzelf een andere vraag: deed hij wat hem gevraagd was, het ene afgedwaalde schaap zoeken? Historicus Jeroen Dekker, die het boek van Dubois te bewonderend vindt, neemt juist dit punt over: Heldring was realistisch.

Ik vind dit een van de mooiste dingen uit zijn leven. Het is makkelijk om over een werk te vertellen als alles lukt. Heldring bleef zoeken, ook toen hij wist dat bijna een op de vijf terug zou gaan.

TALITHA KOEMI

Er kwamen meer huizen. In 1856 kwam er een huis voor verwaarloosde meisjes van twaalf tot zestien jaar. Heldring noemde het Talitha Kumi. De naam komt uit het evangelie naar Marcus, waar Jezus het dochtertje van Jaïrus bij de hand neemt: Talitha, koemi! Dat is vertaald: Meisje (Ik zeg je), sta op. (Marcus 5:41). Sommige bronnen noemen 1857 als jaar van oprichting.

Daarna kwam Bethel, voor meisjes van zestien tot twintig die dreigden in de gevangenis of de prostitutie te belanden. De bronnen noemen 1861 of 1863. De schrijfster Henriëtte Langelaan werd er de eerste directrice. In 1864 volgde een christelijke normaalschool, een opleiding voor onderwijzeressen. Zo groeide in Zetten een kleine wereld van huizen, die later de Heldringstichtingen zouden heten.

Heldring schreef ook over wat hij zag. In 1859 verscheen zijn brochure Is er nog slavernij in Nederland?, over bordelen en de handel in vrouwen. In 1858 werd hij ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw.

Intussen viel de kring van de Christelijke Vrienden in 1854 uit elkaar, op de vraag hoe de kerk geleid moest worden. Heldring bleef in de Hervormde Kerk. In 1864 leidde hij de oprichtingsvergadering van de Confessionele Vereniging. Datzelfde jaar verliet hij met anderen het Nederlandsch Zendelinggenootschap, omdat daar ook vrijzinnige leden welkom bleven.

EEN ZOMERDAG IN WOLFHEZE

Zending was zijn grote liefde, schrijft Dubois. Op 6 augustus 1863 kwamen op het landgoed van de douairière barones van Brakel Doorwerth bij Wolfheze duizenden protestanten bijeen in de open lucht. Het was het eerste Christelijk Nationaal Zendingsfeest. Heldring was de man achter het plan en de eerste voorzitter van het comité, en hij hield de openingsrede. Een oud naslagwerk spreekt van ongeveer tienduizend deelnemers. Andere bronnen houden het op duizenden.

Het idee was eenvoudig. Protestanten uit verschillende kerken kwamen één dag per jaar samen, buiten, om te horen over de zending in Nederland, in Afrika en in Nederlands-Indië. De feesten werden jaarlijks gehouden tot de Tweede Wereldoorlog, steeds op een ander landgoed, met volgens een latere studie tussen de zes- en vijftienduizend bezoekers.

Ook voor het christelijk onderwijs zette hij zich in. Hij hielp bij de oprichting in 1860 van de Vereeniging voor Christelijk Nationaal Schoolonderwijs.

IK WOON TE MIDDEN VAN MIJN VOLK

Op 1 april 1867 nam Heldring op eigen verzoek afscheid van Hemmen. Hij was er veertig jaar predikant geweest. Volgens het Reformatorisch Dagblad koos hij voor zijn afscheid een tekst uit 2 Koningen 4. Een rijke vrouw uit Sunem krijgt daar van de profeet Elisa het aanbod om voor haar te spreken bij de koning. Ze slaat het af: Ik woon te midden van mijn volk. (2 Koningen 4:13). Hij verhuisde naar Zetten, tussen de huizen die hij had gesticht.

Daar werd ondertussen gebouwd. De Betuwe kende overstromingen, en de mensen uit de lage dorpen haalden de dijk niet altijd op tijd. Rijk, provincie en gemeente legden samen een kunstmatige heuvel aan. Daarop kwam een kerk, gebouwd van giften, met een zolder waar mensen bij hoog water konden schuilen. In gewone tijden was het de kerk van de gestichten en de school. Op 19 juni 1870 werd de Vluchtheuvelkerk ingewijd. Een vriend van Heldring droeg die avond een gedicht voor, waarin hij God dankte voor het werk.

Drie jaar later, op 10 oktober 1873, stierf zijn vrouw Anna in Zetten. Ze werd begraven aan de voet van de Vluchtheuvel.

EEN GRAF AAN DE VOET VAN DE HEUVEL

Heldring was geen heilige, en hij wist het zelf het best. Volgens Dubois verweet hij zichzelf eerzucht en ijdelheid. Dubois beschrijft ook een man met een sterke wil, ernstig en arbeidzaam, met een sterk besef van roeping. De recensent van 1881 vond hem gespannen en streng in zijn orthodoxie. Dezelfde recensent erkende ook zijn medelijden en zijn grote gave om dingen te organiseren.

Op 20 juni 1876 werkte hij voor het laatst op de normaalschool. Hij was dat voorjaar ziek geworden en reisde naar Marienbad in Bohemen, een kuuroord, in de hoop op herstel. Een paar dagen na aankomst, op 11 juli 1876, stierf hij. Hij was tweeënzeventig.

Op 17 juli werd hij begraven in Zetten, naast zijn vrouw, aan de voet van de heuvel met de kerk. Een week later hield Nicolaas Beets een rede in de Vluchtheuvelkerk. Op de grafsteen staat dat hij in zijn leven herder en leraar van Hemmen was. Naast hem ligt Petronella Voûte, die negen maanden later stierf. Op dezelfde plek ligt Hendrik Pierson, die het werk in Zetten van 1877 tot 1914 voortzette.

De stichtingen groeiden door. Er kwamen een Magdalenahuis voor ongehuwde moeders en een kinderhuis. De O.G. Heldring Stichting bestond tot 2020 en ging daarna op in een grotere zorgorganisatie.

Misschien ken je iemand die uit het zicht is geraakt. Of misschien ben jij het zelf. Heldring schreef op bij wie het gelukt was, en hij schreef ook op hoeveel er nog zoek waren, en hij bleef zoeken.

In Zetten staat de kerk nog altijd op haar heuvel. Bij hoog water was dat de plek waar je naartoe kon vluchten. Aan de voet ervan liggen de man en de vrouw die er een huis van maakten voor meisjes die nergens anders heen konden.

Dossier

Wat vaststaat en wat verteld wordt

Vaststaat (meerdere onafhankelijke bronnen): geboorte in Zevenaar op 17 mei 1804; studie in Utrecht vanaf 1820 en een crisis aan het eind daarvan; herstel door handenarbeid in Pfalzdorf (1826); proponentsexamen 1826; predikant van Hemmen van 25 maart 1827 tot 1 april 1867; huwelijk met Anna Elisabeth Deuffer Wiel en acht kinderen; De jenever erger dan de cholera (1838); redactie Geldersche Volksalmanak (1835 tot 1847); put (1843), school (1846) en kerk (1858) in Hoenderloo, met een toespraak over Johannes 4 bij de put; het rondschrijven van 1845 en de Christelijke Vrienden (1845 tot 1854); hulp bij de aardappelnood; het bezoek aan de vrouwengevangenis in Gouda (1847); de oprichting van Steenbeek (1847 en 1848) met Petronella Voûte als directrice vanaf 1 januari 1848; de normaalschool (1864); het eerste Zendingsfeest in Wolfheze op 6 augustus 1863 met Heldring als voorzitter; de Vluchtheuvelkerk (1870); de dood van zijn vrouw op 10 oktober 1873; zijn dood in Marienbad op 11 juli 1876 en zijn graf in Zetten.

Alleen uit zijn eigen getuigenis: de bekering met Kerstmis 1827 na het lezen van een kerstpreek van Sack, en het citaat over zijn hart; de invloed van zijn moeder op zijn band met de Bijbel; de spreuk uit Pfalzdorf als levensmotto; de zin over het liefkrijgen van het leven der armen (via Beets); zijn zelfverwijt over eerzucht en ijdelheid.

Uit één bron (niet onafhankelijk gecontroleerd): de vijfhonderd emmers bij de put; het bezoek van koningin Anna Paulowna aan de school in Hoenderloo; de aankoopprijs van Steenbeek; de collectereis van 1847 en de preek over Ezechiël 34; de twintig meisjes in de zomer van 1848; de tienjarige balans met 277 opgenomen meisjes (uit de notulen, samengevat door Dubois); het conflict met Voûte in 1851; de afscheidstekst uit 2 Koningen 4; tienduizend deelnemers aan het eerste Zendingsfeest.

Onbevestigd of betwist: het jaar van zijn huwelijk (1832 of 1833); het jaar waarin hij Hoenderloo ontdekte (1839 of 1841) en het aantal hutten (veertien of vierentwintig); het jaar van het jongenshuis in Hoenderloo (1849 of 1851); de oprichtingsjaren van Talitha Kumi (1856 of 1857) en Bethel (1861 of 1863); zijn plaats in het gezin.

Duiding: de belangrijkste moderne studie over de stichtingen, Reddende liefde van O.W. Dubois (2010), wordt door historicus Jeroen Dekker bewonderend tot hagiografisch genoemd. Een recensent uit 1881 was kritisch over Heldrings bekering en zijn strengheid.

Bronnen bij dit hoofdstuk

  1. Biographisch woordenboek van protestantsche godgeleerden in Nederland, deel 3: O.G. Heldring (DBNL)
  2. N. Beets, levensbericht van O.G. Heldring, Jaarboek Maatschappij der Nederlandse Letterkunde 1877 (DBNL)
  3. O.W. Dubois, Ottho Gerhard Heldring, Biografisch Woordenboek Gelderland
  4. O.W. Dubois, “Een mosterdzaadje in Zetten. De eerste tien jaar van het asiel Steenbeek 1848-1858”, DNK, 1 juni 2002 (Digibron)
  5. H. Boele, “Johannes 4 bij de waterput in Hoenderloo”, Reformatorisch Dagblad, 28 juni 2001 (Digibron)
  6. “Ds. O.G. Heldring (3)”, Gereformeerd Weekblad, 13 juli 1990 (Digibron)
  7. Van der Kulk, “Twee philanthropen”, De Tijdspiegel 1881 (DBNL)
  8. J.J.H. Dekker, recensie van O.W. Dubois, Reddende liefde (2010), BMGN 128 (2013)
  9. Rijksmonumentenregister 523911, grafplaten op de Vluchtheuvel in Zetten
  10. Rijksmonumentenregister, complex Heldring (Vluchtheuvelkerk) in Zetten
  11. Gedicht bij de inwijding van de kerk op de Vluchtheuvel, 19 juni 1870 (DBNL)
  12. Schaff-Herzog Encyclopedia of Religious Knowledge: Heldring (CCEL)
  13. Zendingsfeesten op buitenplaatsen in Zuid-Kennemerland
  14. Online Museum De Bilt, “Gelovigen overspoelen De Bilt: 1871”
  15. J.M. Houkes, “Een orthodox-protestantse volksbeweging”, Protestants Nederland 2010 (Digibron)
  16. FIOM, Heldringstichtingen
  17. Shewrote: Henriëtte Maria Langelaan
  18. T. Hol, “Een wandeling door Hemmen”, Tijdschrift voor Historische Geografie 1998
  19. Wikipedia: Hoenderloo
  20. Wikipedia: Hendrik Pierson
Liever het hele boek?PDF downloadenE-book (EPUB)Over dit deel